< Terug

Ritme redt

Tijd in een kloostergemeenschap

‘Volhardt trouw in het gebed.’ Deze korte zin schoot mij in gedachten bij de vraag iets te schrijven over het ritme van de tijd en hoe dat ritme te bewaren in tijden waarin je hele gewone doen overhoop wordt gehaald door coronamaatregelen. ‘Volhardt trouw in het gebed.’ Zoals zo vaak is gebed een wapen.

Eerst even een schets. Ik werk in het parochiepastoraat in de Belgische universiteitsstad Leuven. Ik draag de verantwoordelijkheid voor vier parochies, erg verschillend in grootte en dynamiek. Ik leef niet alleen. Ik maak deel uit van een kloostergemeenschap, die van de orde van Sint Augustinus, kortweg augustijnen genoemd. Het is een van de minder bekende groepen van kloosterlingen die in de loop van de dertiende eeuw zijn gevormd, zoals de franciscanen en dominicanen. Het bekendste lid van onze orde is Maarten Luther, maar sommigen zwijgen daar liever over.

De bevolkingsgroei van de steden in Italië en Spanje, en ook in Vlaanderen, vroeg om een andere benadering van het geloofsleven en de eerdergenoemde orden probeerden daarop in te spelen. Ze gingen midden in de stad wonen en richtten zich op verkondiging en geestelijke vorming. Omdat ze geen grondbezit hadden, en ook om de evangelische armoede te behouden, werd hun toegestaan te bedelen. Daarom worden ze ook bedelordes genoemd. De augustijnen ontstonden uit groepen kluizenaars die werden verzameld onder de Regel van Augustinus. Ook zij richtten zich op studie, verkondiging en pastoraat. Hun inspiratiebron wordt gevormd door de Regel van Augustinus en zijn spiritualiteit.

Alleen al aanwezig zijn om samen te bidden en zo ritme te geven aan je leven, drukt een verlangen uit.

In de praktijk betekent dit dat we altijd samenleven. De gemeenschap in Leuven is vrij groot met achttien leden. Het is een internationaal huis met jonge medebroeders uit onder andere Vietnam, Togo en Zuid-Sudan. Nederlands is de voertaal. We bidden en eten drie keer per dag samen. Verder heeft iedereen zijn bezigheden door studie, lesopdrachten of werk in de parochies. Dit werd door de coronamaatregelen uiteraard helemaal anders.

Regel van Augustinus

‘Volhardt trouw in het gebed op de vastgestelde uren en tijden.’ Zo staat het in de Regel van Augustinus. Niet veel meer dan dat. Anders dan de Regel van Benedictus grossiert de Regel van Augustinus in beknoptheid. Waarschijnlijk is de Regel ook ontstaan als een samenvatting van eerdere conferenties door Augustinus over het gemeenschapsleven. Als een geheugensteuntje gaf hij zijn Regel, terwijl hij natuurlijk veel meer gezegd heeft dan er in die Regel staat. Om wat meer te kunnen begrijpen van zijn visie op het gemeenschapsleven moet je ook lezen in zijn omvangrijke oeuvre, maar zo gedetailleerd als in de Regel van Benedictus zul je het nooit aantreffen. Augustinus was meer geïnteresseerd in de geest waarin wordt samengeleefd. Dan blijft de eenvoudige aansporing over: ‘Volhardt trouw in het gebed’, die hij van Paulus overgenomen heeft uit zijn Kolossenzenbrief. Als al het normale wegvalt, blijft dit over: bidden. Ook al hoefde ik voor het werk in de parochie niet mijn bed uit te komen, in ieder geval niet vroeg, dan bleef dit over: bidden.

Bidden

Wij beginnen de dag met de morgenmeditatie om 6.45 uur, direct gevolgd door het morgengebed om 7.30 uur. Waarom? Omdat dit ons leven is. Omdat wij een gemeenschap zijn die zich door het gebed aan elkaar verbindt. Maar daar waar voor de benedictijnen het werk hen mag helpen om samen te kunnen bidden, is het voor een pastoraal actievere orde eerder zo dat het gebed mag helpen het werk te doen.

Iedere keer als je bidt, houd je je weer voor ogen waarom je samen bent gaan leven en wat je te doen staat. Het is ook bidden voor de wereld.

Voor de mensen die niet meer kunnen bidden, of zoveel te bidden hebben dat ze het moe worden.

In de kapel van de kloosterkerk, die altijd open is, ligt een boek waarin mensen hun gebeden kunnen opschrijven. Ik had me voorgenomen iedere dag te bidden voor die mensen die daar hun gebed hadden opgeschreven. Laten hun woorden ook mijn woorden zijn tot de Allerhoogste. Waar mensen niet meer kunnen bidden of niet meer weten tot wie ze moeten bidden, laten mijn woorden en gedachten dan het lastdier zijn waarmee ze tot de hemel geraken.

Juist door dit ritme van iedere dag op hetzelfde moment te bidden lukte dit ook. Dit waren niet alleen gebeden uit het voorbedenboek, maar ook van mensen die mij daar spontaan via mijn app of persoonlijk om vroegen. Zelfs naar aanleiding van bezinnende YouTube-filmpjes van mijn hand was er de vraag om voor concrete noden te bidden. En dat gebeurde. Van harte en vanzelf.

Met het hart

Als je vaste tijden hebt om te bidden, alleen of samen, en als je gebed ook een vaste structuur kent, bestaat de kans dat het ‘af’ moet, of dat het afgeraffeld wordt. Er zullen altijd momenten zijn dat het zo gebeurt. Maar dan is het maar de vraag wat het gebed is: zijn dat de woorden die je uitspreekt of is het het feit dat je daar bent om samen te bidden? Alleen al aanwezig zijn om samen te bidden en zo ritme te geven aan je leven, drukt een verlangen uit. En ‘verlangen bidt altijd’, zegt Augustinus, ‘ook al verstomt de tong’ (Preek 80,7). Augustinus zegt in zijn Regel dat de psalmen en hymnen die je bidt, ook in je hart moeten leven. De woorden moeten uitdrukking zijn van je innerlijk. ‘Wij moeten niet met God onderhandelen om te verkrijgen wat wij verlangen, maar wel met de dingen die wij in ons hart dragen, met de aandacht van onze geest, met een zuivere liefde en een eenvoudig verlangen. Deze wezenlijke dingen heeft de Heer ons geleerd met woorden.

Deze woorden die aan ons geheugen zijn toevertrouwd, roepen ten tijde van het gebed voor ons de wezenlijke zaken op’ (Over de Bergrede 2,3,13). Bidden met het hart, dat is wat gevraagd wordt, maar de woordelijke gebedsdienst mag je daarbij helpen. ‘In geloof, hoop en liefde bidden wij altijd met een ononderbroken verlangen. Maar op bepaalde uren en tijden smeken wij met woorden tot God, om onszelf met deze tekens van de werkelijkheid tot een grotere inspanning aan te zetten, om ons bewust te worden hoeveel voortgang wij in dit verlangen gemaakt hebben, en om onszelf aan te wakkeren om met meer energie in dat verlangen te groeien… Daarom roepen we onze geest van andere zorgen en bezigheden, die dat verlangen enigszins benevelen, op bepaalde uren terug tot het gebed’ (Brief 130,9,18).

Dan is het maar de vraag wat het gebed is: zijn dat de woorden die je uitspreekt of is het het feit dat je daar bent om samen te bidden?

Eten

Een kloostergemeenschap kent ook het ritme van het eten. De Regel van Augustinus is uiterst karig met het eten: maar één keer per dag. ‘Wie niet zonder voedsel kan tot de hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft mag tevoren iets gebruiken, maar alleen rond het middaguur’. Die vrij ascetische houding ten aanzien van het eten is wel verlaten. Wij eten driemaal daags en doen dat ook samen. Eten doe je in de eetzaal en niet op je kamer. Dit is wel een traditie in kloosters, dat je, als je eet, dit samen doet. Je eet niet buiten de maaltijden om en ook niet voor de televisie, hoewel dat in de huidige cultuur waarin alles te allen tijde beschikbaar is, onder druk staat. Samen eten geeft ritme aan het leven door niet meteen in te gaan op de eerste hongerimpuls.

Werken

Een derde aspect dat ritme geeft in een kloostergemeenschap is het werk. Wie pastoraal actief is, moest het tijdens de lockdown anders gaan doen in het klooster. Zo heb ik me toegelegd op het maken van filmpjes op YouTube met de verkondiging, of catechesefilmpjes voor kinderen en tieners over een bijbelverhaal. Een verandering van de omstandigheden doet je veranderen van werk. Ook in het werk zit een ritme. Het ritme van een zondagspreek maken, al is het maar voor een online viering, of iedere week een verkondigingsfilm maken of catechese: het geeft orde en structuur en een reden om verder te gaan. Voor Augustinus zat er ook een ander aspect aan het werk, in dit geval met de handen: ‘Wat mijn eigen voorkeur betreft, zou ik veel liever dagelijks wat handenarbeid verrichten op bepaalde uren, zoals die in goed geleide kloosters vastgelegd zijn, om de overige uren vrij te hebben om te lezen, te bidden of een of ander boek van de heilige Schrift te bestuderen’ (Het werk van de monniken 29,37).

Augustinus schreef dit naar aanleiding van de opvattingen van een groep monniken. Die vonden dat hun belangrijkste taak was te prediken en dat ze onderhouden moesten worden door anderen. Ze lieten hun haar extra lang groeien en weigerden met de handen te werken: dat was niet hun roeping. Augustinus gaat daar fel op in en breekt een lans voor het ritme van denken, bidden, eten en werken. ‘Het is hier dat de goede werken van de gelovigen niet mogen ontbreken om te helpen aanvullen wat nodig is. Want de uren die worden besteed aan geestelijke vorming, waarin dus geen lichamelijk werk kan worden gedaan, mogen niet leiden tot nijpende armoede’ (Het werk van de monniken, 20).

Ritme redt. Het behoedt ons ervoor in een zinloze vervloeiing van tijd te verdwijnen. Augustinus, en met hem later Benedictus, had dat goed begrepen. Ritme is nodig om zelf overeind te blijven.

Ritme is onmisbaar om als gemeenschap overeind te blijven. Alleen de vorm kan verschillen.

Gerben Zweers is augustijn en woonachtig in Leuven. Hij is werkzaam in het parochiepastoraat en geeft les op de priesteropleiding Bovendonk. Daarnaast is hij actief in jongerenpastoraat en actief in de sociale media.

< Terug