< Terug

Rood tussen leven en dood

Na een dag faculteit neem ik de trein richting Antwerpen, waarbij ik bij station Brussel-Noord de aaneenschakeling van rood verlichte huizen in de aangrenzende straat niet niet opmerken. Zij markeren de ramen waar prostituees hun diensten aanbieden. Zij genieten van oudsher een bedenkelijke reputatie, met de rode kleur als herkenningsteken. Zo ook in drie bijbelverhalen waarin prostituees en scharlakenrood voorkomen. Wij kijken in dit artikel naar de oudtestamentische Tamar en Rahab en vrouwe in het boek Openbaring.

Na wit en zwart blijkt in zowat alle culturen rood als hoofdkleur te komen.1 In het dagelijks leven echter fungeert het ene rood niet altijd als het andere rood. Rode verkeerslichten en rode cijfers, maar ook rode kersen en het Rode Kruis. Rood als bloed, het Rode Plein en rode wangen. In de Bijbel komen ook rode kleuren voor en veelal bij opsommingen van stoffen, kledingstukken en kostbare stenen. De vraag is: welke betekenis van rood geldt bij genoemde drie vrouwen?

Nepprostituee

Bij Tamars bevalling van een tweeling bindt de vroedvrouw een scharlakenrode draad aan het naar buiten gestoken handje van de baby die als eerste lijkt te worden geboren (Gen. 38:2730). Zijn achterliggende broertje verdringt hem echter, zodat de vermeende tweede als eerstgeborene ter wereld komt. Is met het louter vermelden van die draad alles gezegd of wordt zijn functie bepaald door wat eraan voorafgaat (Gen. 38:1-26)? Deze weduwe Tamar was immers niet zwanger van een van haar twee opeenvolgende gestorven echtgenoten, de broers Er en Onan. Ook hun jongere broer Sela is niet de vader van haar tweeling Peres en Zerach. Haar schoonvader Juda had zijn jongste immers niet aan haar uitgehuwelijkt. Nota bene Juda zelf blijkt de vader te zijn! Hij had de fout gemaakt Tamar voor een hoer te houden.

Vroeger had Juda zijn clan verlaten en zich in Adullam gevestigd, waar hij een Kanaänitische vrouw trouwde. Juda treedt dus in het voetspoor van zijn oom Esau met de bijnaam (rood), die er ook geen graten in zag meisjes van het land te huwen. Juda’s oudste zoon Er bestemt hij voor Tamar, die waarschijnlijk ook een Kanaänitische is. JHWH echter taxeert haar man als slecht en doet hem sterven. De weduwe blijft kinderloos achter, waarop Juda zijn tweede zoon Onan tot het zwagerhuwelijk dwingt om bij haar nakomelingschap te verwekken voor Er. Onan verhindert dit systematisch. JHWH kwalificeert dit als bijzonder fout en laat ook hem overlijden. Zo wordt Tamar nog eens weduwe en blijft zij opnieuw kinderloos achter. Juda wil vermijden dat ook zijn derde zoon Sela zal sterven en stuurt Tamar weg naar haar ouderlijk huis onder het mom dat Sela nog te jong is. Zo legt hij indirect de schuld bij Tamar en overtreedt hij een belangrijk (later gestipuleerd Tora)voorschrift (Deut. 25:7-10).

Dan wordt Juda zelf ook weduwnaar. Hij lijkt Tamar onnoemelijk lang op zijn derde zoon te laten wachten, waarop zij – ontdaan van haar weduwekleed en vermomd met een sluier – hem opwacht in de stadspoort aan de weg van Timna. Als hij haar ziet maar niet herkent maakt hij haar avances. Zij spreken een later te betalen prijs af (een geitenbokje) en op haar aanvraag geeft hij haar een onderpand (zijn zegelring, snoeren en staf). Als Juda later iemand met het geitenbokje stuurt, blijkt zij spoorloos.

Drie maanden later hoort Juda dat zijn schoondochter – die haar weduwekleed weer draagt – van hoererij wordt beschuldigd omdat zij zwanger is. Als pater familias beveelt hij haar buiten (de stad) te brengen en haar te verbranden. Hierop stuurt Tamar het onderpand naar Juda. Deze herkent het en hij verklaart ruiterlijk dat zij – in tegenstelling tot hemzelf – een rechtvaardige is (38:26) en geeft inderdaad toe dat hij haar de intussen volwassen Sela tot echtgenoot had moeten geven. De lezer die aan het slot haar bevalling verneemt, kan de scharlakenrode draad als een retroactief symbool opvatten voor de respectievelijke omslag van (a) Juda’s dubbele onrecht (geweigerd zwagerhuwelijk, onrechtvaardig vonnis) naar Tamars dubbele recht (derde broer, onderpand) en (b) van een nepprostituee naar een eerbare vrouw en (c) van een (tweevoudige) dood (Er en Onan) naar een (tweevoudig) leven (Peres en Zerach).

Echte prostituee

Het tweede verhaal waarin scharlakenrood een essentiële rol speelt is dat van de Kanaänitische prostituee Rahab (Joz. 2). De draad die zij aan haar venster bindt heeft cruciale gevolgen voor haar en haar familie.

Na Mozes’ dood beveelt JHWH zijn opvolger Jozua om met Israël het land Kanaän in te nemen (Joz. 1). Drie keer maant hij hem aan ‘sterk en moedig’ te zijn (NBG). Jozua instrueert daarop het volk om die operatie voor te bereiden en sommeert de stammen Ruben en Gad en de halve stam Manasse eraan deel te nemen. Drie keer verwijst hij daarbij naar Mozes en de stammen doen dat twee keer bij hun toezegging. Tevens spreken zij hem twee keer moed in met JHWH’s woordpaar. Fungeert dit vijfvoudige ‘sterk en moedig’ als hint naar enige besluiteloosheid en wankelbaarheid van Jozua?

Dat hij eerst twee spionnen uitstuurt lijkt daar inderdaad voor te pleiten. Pas na hun verslag dat een absoluut succes garandeert (2:24) start hij de operatie. Wil de verteller een link leggen tussen Jozua en Mozes, die zijn aanstelling door JHWH slechts schoorvoetend aanvaardde (Ex. 4)?

De manier waarop de verteller de hoer Rahab presenteert, contrasteert met Jozua. De vastberaden manier waarop zij de mannen van de koning afscheept, maakt indruk. Zeer alert spoort zij hen aan buiten de stad jacht te maken op de spionnen terwijl zij hen adequaat op haar dak onder haar vlasstengels weet te verbergen. Haar toespraak tot beide Israëlieten imponeert, want zij blijkt ‘weet’ te hebben van het feit dat ‘JHWH aan jullie het hele land heeft gegeven en… dat alle inwoners van het land voor jullie in paniek zijn’ (2:9). Aan haar woordenvloed komt echter geen einde, want vastberaden dringt Rahab erop aan bij JHWH te zweren om haar én haar familie bij de inname van de stad in leven te laten. Verder dwingt zij krachtdadig een betrouwbaar teken van de spionnen af. Dit maakt zo’n indruk dat zij haar beloven met hun eigen leven borg te staan als zij hun actie geheimhoudt. Hierna laat zij hen met een – van haar vlasstengels gemaakt? – touw door het raam van haar huis op de stadsmuur naar beneden. Tegelijk adviseert Rahab om niet naar de rivier maar naar de te vluchten en daar te blijven totdat de achtervolgers de zoektocht staken. De twee zeggen haar een koord – in het Hebreeuws een homoniem van hoop(!) – van scharlakenrode draad aan haar raam te binden. Zij hebben het over ‘dit’ koord. Waar het vandaan komt staat er niet bij. Het speelt hoe dan ook een cruciale rol. Voor de stadsbevolking is het rode koord aan het raam van een prostituee normaal, voor de invallende troepen een herkenningsteken ten leven. Later beveelt Jozua inderdaad om Rahab en haar familie in leven te laten en hen buitenshuis te . De verteller accentueert dit ‘naar buiten ’, ‘de hoer’ en de reden voor Jozua’s beslissing: zij had zijn spionnen verborgen! Zo brengt hij Jozua en Rahab samen in één zin (4:25): Israëls leider moest worden aangespoord om ‘sterk en moedig’ te zijn, de Kanaänitische prostituee ging hem in dat opzicht voor! Haar (profetische) gedrag en woorden harmoniëren met die van zijn voorganger Mozes. De roem die Jozua in het hele land verwerft lijkt hij dus te danken aan een Kanaänitische prostituee. Te midden van de chaos bij de inname en de verbranding van de stad speelt het scharlakenrode koord als betrouwbaar teken een cruciale rol tussen dood en leven. Rahab en de haren worden in Israël opgenomen.

Megaprostituee

In Openbaring staat een (apocalyptisch) verhaal waarin scharlakenrood een belangrijke rol speelt. Het is gesitueerd in het kader van straf en oordeel over de volken van de wereld (Op. 15:1-16:17) en over ‘de prostituee’ (16:18-19:10). Het laatste oordeel (19:1-21:4) en ‘komst van de bruid Jeruzalem’ (21:5-22:5) volgen.

Een onvergelijkbaar grote aardbeving treft de grote stad, het grote (16:18-19) waarop door de ziener Johannes wordt ingezoomd (17:1). Een eerste engel toont en verklaart dit oordeel over de grote hoer / het grote (17:1-18). Een tweede kondigt de executie aan van de grote stad (18:1-18) en een hemelse stem maant Gods volk haar te verlaten. Zij wordt immers met vuur verbrand (8, 9, 18). Een derde engel meldt haar totale verdwijning (21-24). Uiteindelijk bejubelt de enorme, luide stem van een grote hemelse menigte haar ondergang en Gods majesteitelijke verhoging (19:1-10). Deze voorstelling van zaken spreekt tot de verbeelding vanwege de vele metaforen voor de stad, bijhorende attributen en figuren, waaronder een (purperen en scharlakenrode) vrouw/hoer en een (scharlakenrood) beest met koppen. Bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, superlatieven en opsommingen accentueren het buitengewone, het uitzonderlijke en de extremen van de scènes. Hun schrikwekkende effect mist zijn impact niet op de lezer.

De twee hoofdrolspelers in hoofdstuk 17 zijn de hoer (3x)/ vrouw (6x) – alias moeder van alle hoeren (1x) – en het beest (9x). Met behulp van allerlei puzzelstukjes kriskras door elkaar vormt de lezer zich een compleet beeld. Eerst krijgt hij zicht op de grote hoer (17:1) – een dronken (6), in purper en scharlakenrood geklede vrouw (4) – met een naam die een geheime betekenis heeft: ‘het grote ’ (5). Zij zit zowel op vele wateren als op een scharlakenrood beest vol met godslasterlijke namen en zeven koppen en tien horens. Tevens lijkt het ongrijpbaar: ‘het was en het is niet en toch zal het zijn’ (8 [2x], 11). De activiteiten van en de hints over beide hoofdrolspelers brengen perspectief in de puzzel. Zij doet (uiteraard) aan hoererij en voert koningen en mensen dronken met haar wijn (17:2) uit een gouden beker vol onreinheden en gruwelen. Zelf is zij ook dronken, maar dan van het bloed van de heiligen en Jezus’ getuigen (6); terwijl deze vrouw als grote stad over alle koningen heerst (18) zit zij op zeven bergen (9) én op natiën, menigten, volken en talen (15). De verbondenheid tussen hoer en beest blijkt uit hun gemeenschappelijke scharlakenrode kleur, maar zij is het die het beest berijdt en het scenario bepaalt. Engelen en een hemelstem focussen helemaal op haar, de grote stad. Haar weelderige kleding (met o.a. 2x scharlakenrood) en kostbaarheden krijgen nadruk en haar definitieve einde wordt beklonken (‘gevallen, gevallen’ – 18:2) met een driedubbel ‘wee’ (10, 16, 19) en een totale verbranding (8, 9,18).

De hoofdreden voor deze executie is duidelijk: hoererij! Deze metafoor staat voor hemelhoge zonden en ongerechtigheid (18:4-5), arrogantie, hybris en zelfgenoegzaamheid (8), toverij (23) en het bloed van de profeten, heiligen en andere martelaren (24). Terecht komt de genadeslag door God, die niet op een rood beest maar op een troon zit, en de overwinning van het Lam op een wit paard,2 die zich met een blinkend en smetteloos geklede bruid (Gods volk) verbindt (19:7-8). Rood en wit tegenover elkaar zoals het grote kwaad versus het sublieme goed.

Drie prostituees, drie keer rood…

… drie niet-Israëlitische vrouwen en dito steden (Timna-Jericho-Babylon), drie verhalen waarin sprake is van geheimhouding, naar buiten gaan, gevaar, vonnis, verbranding, (merk)teken en opname in de gemeenschap (Juda’s clan, Israëls en Gods volk). Opmerkelijke contrasten overheersen: slecht-goed, hoer-bruid, heidenen-gelovigen, onrein-smetteloos, zondig-rechtvaardig, beest-lam, dood-leven en… rood-wit. Mogelijk voelen concrete denkers er zich wel bij vanwege het eenvoudige model met twee typen mensen tegenover elkaar: hoer-Babylon-beest versus bruid-Jeruzalem-lam. De sterk communicatief-didactische kracht van deze tegenstelling heeft ongenuanceerdheid tot gevolg. Wie zo’n model bevalt, onterecht concluderen dat hoeren slecht, heidens, onrein en zondig zijn. Daarmee riskeren zij zich aanmatigend en zelfgenoegzaam op te stellen.

Gelukkig verplichten Rahab en Tamar de lezer dit denkmodel grondig te corrigeren. De echte prostituee Rahab komt niet alleen op voor haar overtuiging, zij riskeert zelfs haar leven voor dat van anderen (spionnen, familie en – zo blijkt uit Jozua 6:23 – ‘allen die haar toebehoorden’). Tamars verhaal leert dat schijn bedriegt en dat het vragen naar onderliggende motieven onontbeerlijk is. Terwijl alles tegen deze nepprostituee pleit, noemt de schuldige Juda haar een rechtvaardige. Beide verhalen demonstreren met verve dat het stigmatiseren, demoniseren en afschrijven van prostituees absoluut not done is! Lezers die de Toraprincipes gerespecteerd willen zien (zoals Tamar), die het Torageloof belijden (zoals Rahab) en die zich volgelingen noemen van het Woord Gods (de getrouwe en waarachtige ruiter – Op. 19:11-13) zullen zich – de lijfspreuk ‘gaat uit van haar…’ indachtig – verwijderen van alle destructieve denkmodellen waarvoor de megaprostituee onder andere symbool staat.3

De drie verhalen getuigen van een onmiskenbare intertekstuele relatie en hebben het fenomeen prostituee als centraal gegeven, waarbij het woord scharlakenrood drager is van een meervoudige betekenis. Dit rood immers op verschillende manieren tegelijk worden geduid. Aan de lezer om die klus contextueel te klaren: het tekstverband bepaalt de betekenis(sen). In deze verhalen gaat ondergetekende voor rood tussen leven en dood.

< Terug