< Terug

Ruimte geven aan de rivier

Van Waal Weelde naar Welang Weelde

In de literatuur over waterbeheer wordt algemeen erkend dat milieuvraagstukken, zoals verontreiniging en overstromingen van rivieren, niet alleen technisch of financieel van aard zijn, maar ook gedragsmatig en interpretatief. Of we milieuvraagstukken interpreteren als uitdagingen, veranderingen of crises, hangt af van onze cognitieve frames (Hajer 2002; Fliervoet 2011). Bovendien handelen mensen vaak niet op basis van waarneming van feiten, maar op basis van hun interpretatie daarvan.

In dit artikel vraag ik me af wat religiewetenschap kan bijdragen aan duurzaam en integraal waterbeheer. Ik zal eerst ingaan op het Waal Weelde-project dat de Radboud Universiteit heeft geïnitieerd. Vervolgens laat ik zien hoe de in dit project opgedane kennis wordt gedeeld met partners in Indonesië, in gezamenlijke (Nederlands-Indonesische) onderzoeksprojecten naar de relatie tussen vervuiling en reinheid als religieus ideaal; ecotheologie en plastic afval; God, mens en natuur, Daarna keer ik terug naar Nederland om te kijken naar wat de Indonesische ervaring leert over religie en waterbeheer in onze eigen samenleving. Concluderend beantwoord ik de vraag wat religiewetenschap kan bijdragen aan integraal en duurzaam waterbeheer.

Ruimte voor de rivier: co-creatie

Van 2002 tot 2008 leidde de Radboud Universiteit het door de Europese Unie gesponsorde Plezier aan de Rivier-programma (Freude am Fluss), waaraan twaalf partners in drie landen (Frankrijk, Duitsland, Nederland) meededen. Een van de leidende ideeën was een gezamenlijke planningsaanpak. Rivierbeheer werd niet langer gezien als een taak voor alleen de overheid, maar als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle belanghebbenden.

Waal Weelde-project

Sinds 2005 wordt dit idee geïmplementeerd in het Waal Weelde-project, één van de projecten in het Plezier aan de Rivier-programma. Dit project was gericht op een transitie van traditioneel rivierbeheer naar duurzaam rivierbeheer. Het maakte gebruik van een co-creatie-experiment, waarbij kortetermijnactiviteiten werden gekoppeld aan langetermijndoelstellingen, lokale actoren en belanghebbenden werden betrokken, en win-winsituaties werden geïdentificeerd. De visie erachter is dat de overheid niet de leiding moet nemen, maar samenwerking moet begeleiden.

De spelregels die door alle partners werden geaccepteerd waren dat er een focus moest zijn op het riviersysteem; dat er een gedeeld eigenaarschap was en dat eigenaren een gemeenschapsgevoel ontwikkelden, inclusief ondernemers, ambtenaren, activisten en wetenschappers, en dat ze het door The Natural Step uiteengezette Framework for Strategic Sustainable Development toepasten. Dit is een model voor geplande verandering dat gebaseerd is op de traditie van actieonderzoek, oftewel, de ABCD-benadering: Awareness, Baseline analysis, Compelling vision and Down to action (Robèrt 2002).

Het resultaat was het creëren van een rivierlandschap dat opgewassen is tegen overstromingen, het geven van ruimte voor huisvesting en recreatie en het oplossen van het dilemma tussen natuurbescherming en veiligheid. Het Waal Weelde-project betrok verschillende niveaus bij beleidsontwikkeling en -uitvoering, namelijk internationaal (de Internationale Commissie voor de Bescherming van de Rijn, een samenwerkingsverband van de vijf landen waar de Rijn doorheen stroomt en de Europese Unie), nationaal (de Nederlandse overheid), regionaal (de provincie Gelderland), lokaal (vijftien gemeenten) en combineerde top-down en bottom-up benaderingen.

De voorwaarden die werden geformuleerd voor een succesvol co-creatieproces waren

  1. het ontwikkelen van een gemeenschappelijke taal met betrekking tot duurzaamheid;
  2. het hanteren van flexibele tijdschema’s voor projectbeheer;
  3. het toewijzen van middelen die veel verder reikten dan tijdsbestek van één regeerperiode (in 2020 is besloten het actieprogramma Rijn 2020 te verlengen tot Rijn 2040); en
  4. het beoefenen van strategisch leiderschap.

Ecocentrisch: ruimte geven aan de rivier

Tot dusver getrokken lessen betreffen (1) de houding ten opzichte van de natuur en (2) het proces van co-creatie. Ten eerste is er behoefte aan een fundamentele verschuiving in milieuethiek. Traditioneel rivierbeheer correleert met een egocentrische beheersing van de natuur.

Duurzaam rivierbeheer correleert met ecocentrisch omgaan met de natuur. In de praktijk betekent dit: niet vechten tegen het water door het bouwen van hogere dijken en wallen, maar werken met het water door ruimte te geven aan de rivier. Ten tweede is er behoefte aan een nieuwe stijl van projectmanagement. Experts van waterbeheer richten zich meer op het faciliteren van een gezamenlijk ontwerp en adaptatiemaatregelen (De Groot 2012, 7-9)

Een van de lessen die geleerd is, is dat voor een succesvol co-creatieproces een gedeelde visie op duurzaamheid nodig is. Als beleidsmakers belanghebbenden willen betrekken bij geïntegreerd rivierbeheer, moeten ze hun visie op de relatie tussen mens en natuur leren kennen (Smulders-Dane, Smits, Fielding, Chang, Kuipers 2016). Hiervoor is de Humans and Nature-schaal ontwikkeld, die vier filosofische modellen van de interactie tussen mens en natuur vertaalt in een instrument voor empirisch onderzoek. De vier modellen zijn: meester, rentmeester, partner en deelnemer (De Groot en Van den Born 2003).

Het Freude am Fluss-programma leverde een aantal proefschriften op, onder meer van Jan Fliervoet, Framing Collaborative Governance (2011), Peter Scholten, Daring Leadership (2011), Madelinde Winnubst, Turbulent Waters (2011), en Mirjam de Groot, Humans and nature (2010), dat voortbouwt op het proefschrift van Riyan van de Born (2007), die samen met Wouter de Groot de Human and Nature-schaal ontwierp.

Studie van de Citarum in West-Java

Omdat het onderzoeksteam de inzichten die het in Europa had opgedaan wilde delen met partners in Indonesië, startte zij in 2012 de Alliance for Water, Health and Development, een internationaal en multidisciplinair onderzoeksprogramma.

We kozen voor een integrale studie van een van de meest vervuilde rivieren in de wereld, de Citarum in West-Java. We realiseerden ons dat een relatief kleine universiteit in Nederland niet dat gigantische probleem van vervuiling in Indonesië kon oplossen. Maar we dachten een kleine bijdrage te kunnen leveren door het interdisciplinair opleiden van toekomstige leiders in Indonesië. Uit literatuurstudie wisten we dat het de Indonesische overheid niet ontbrak aan integrale visies op riviermanagement (Citarum Roadmap 2017), maar dat de praktijk nogal gefragmenteerd was.

We kozen voor West-Java, omdat de medische faculteit daar al een onderzoek deed naar knokkelkoorts (dengue), ook een water-gerelateerde ziekte. De meeste mensen in West-Java hebben een Sundanese achtergrond en spreken Sundanees. Het team realiseerde zich dat Indonesië de grootste moslimbevolking van de wereld heeft en dat meer gespecialiseerde kennis over de Indonesische islam en haar standpunt over milieukwesties nodig was. Zo raakte ik als religiewetenschapper bij het onderzoek betrokken.

Samen met een Indonesische hoogleraar op het gebied van watermanagement begeleidde ik een Indonesische promovenda.

Onze vraag: hoe komt het dat sommige van de rivieren in Indonesië tot de meest vervuilde ter wereld behoren, terwijl Indonesië de grootste moslimbevolking ter wereld heeft en zuiverheid een kernwaarde is van de islam (Jotzo 2012)?

Vergelijkende gevalstudies

We hebben ons in dit onderzoek laten inspireren door de cognitieve dissonantietheorie. Deze gaat ervan uit dat mensen dissonantie tussen cognities onderling, en tussen cognities en gedrag onplezierig vinden, en dat ze dus een neiging hebben om de dissonantie te verminderen (Festinger 1957). Of dit zo is en hoe dit gebeurt toetsten we aan de hand van de theorie van het dialogische zelf. Deze theorie gaat ervan uit dat het zelf meerstemmig is en dat mensen best met conflicterende stemmen kunnen leven (Hermans 2018).

We hebben een vergelijkende gevalstudie uitgevoerd in een landelijk en een stedelijk gebied. Het landelijk gebied wordt vertegenwoordigd door Kampung Mahmud, in Bandung Regency. Het stedelijk gebied wordt vertegenwoordigd door Cigondewah Kaler, in Bandung Municipality. Beide locaties zijn historisch verbonden. De bewoners beweren dat ze afstammelingen zijn van Eyang Mahmud. Dit wordt gesymboliseerd door een graf voor de heilige op beide locaties.

In economisch opzicht bestaat de bevolking van Kampung Mahmud vooral uit boeren, winkeliers en handwerklieden. Cingodewah Kaler is minder agrarisch.

In religieus opzicht zijn mensen in Kampung Mahmud traditioneel. De overheid heeft Kampung Mahmud uitgeroepen tot bedevaartsoord voor pelgrims die het graf van de heilige willen bezoeken, waardoor het graf ook een toeristische trekpleister en een bron van inkomsten wordt. In Cigondewah Kaler hebben industrialisatie en urbanisatie de traditionele spiritualiteit getransformeerd. Mensen hebben er over het algemeen wat meer geld te besteden en meer mensen zijn in staat op te gaan naar Mekka voor de verplichte bedevaart, waardoor de beleving van moslims iets meer pan-islamitisch is.

Het onderzoek is gebaseerd op veldwerk tussen 2013 en 2018, waarbij deelnemers werden geobserveerd en etnografische interviews werden gehouden. De bronnen werden bestudeerd met gebruikmaking van kritische discoursanalyse als methode. De deelvragen die deze studie richting geven waren:

  1. Wat zijn de percepties van mensen over de vervuiling van de Citarum-rivier?
  2. Wat zijn hun percepties van zuivering vanuit het perspectief van de islamitische leer?
  3. Hoe relateren ze percepties van vervuiling en zuivering?
  4. Hoe relateren mensen hun perceptie aan hun praktijk van watergebruik en vice versa?

Veelheid aan stemmen

Wanneer mensen over de vervuilde rivier spraken, waren ze op beide locaties gefocust op hun dagelijkse ervaringen met de Citarum. Ze zeiden dat de rivier veranderd was, dat de rivier vervuild was. Ze spraken over vervuiling als onreinheid. Ze definieerden onreinheid overeenkomstig de islamitische jurisprudentie. Zuiver water heeft geen kleur, geen geur en geen smaak.

Om de vervuiling van de rivier aan te geven, vergeleken ze de toestand van de rivier in het verleden met die in het heden. Mensen vertelden hoe hun contact met de rivier in de loop van de jaren was veranderd. In het verleden konden ze zwemmen en vissen in de rivier; nu konden ze dit niet meer.

Lokale mensen noemden vooral de textielfabrieken als oorzaak van vervuiling. Ze negeerden dat hun eigen gedrag ook een negatieve invloed heeft op kwaliteit van het water. Ongeveer zestig procent van de vervuiling wordt veroorzaakt door huishoudelijk afval. Na enkele decennia van geïntegreerd waterbeheer in het stroomgebied van de Citarum is een van de grotere uitdagingen bij het schoonmaken van de Citarum nog steeds het bewust maken van mensen van het probleem van watervervuiling en het veranderen van hun gedrag.

In onze analyse van percepties en praktijken ontdekten we dat er een veelheid aan stemmen is die gedeeltelijk met elkaar verbonden zijn en die elkaar gedeeltelijk tegenspreken. Zo waren Sundanese moslims zich met betrekking tot de relatie tussen vervuiling en gezondheid bewust van de inzichten van de medische wetenschap, maar putten ze ook uit de islamitische leer.

Vervuild water kan ziekte veroorzaken (vanuit de medische wetenschap gezien), maar ziekte valt onder de heerschappij van God (vanuit de islamitische leer gezien). Het verkennen van deze tegenstrijdige opvattingen en stemmen geeft inzicht in de motieven die mensen wel of niet hebben om te zoeken naar manieren om de problemen als gevolg van vervuiling van de rivier op te lossen en de waterkwaliteit van de rivier te verbeteren.

Spiritualiteit van zuiverheid

Uit deze studie blijkt dat percepties van vervuiling verbonden zijn met een spiritualiteit van zuiverheid. De mensen in dit onderzoek beschouwen vervuild water als ‘normaal’. Het is een onderdeel van hun dagelijks leven geworden. Deze opvatting geeft hun weinig prikkels om betrokken te raken bij het schoonmaken van de rivier. Mensen zijn pragmatisch geworden in het zoeken naar alternatieve waterbronnen en staan sceptisch tegenover het top-down waterbeheer van de overheid. In de praktijk wordt het vervuilde water gebruikt om zegeningen te ontvangen en om alledaagse problemen te overwinnen. Er is sprake van een paradox. Vuil is niet alleen ‘wanorde’, zoals Mary Douglas (1966) beweerde. Vuil maakt in wezen deel uit van de ‘orde’. En vervuiling is ook een aanleiding voor religieuze zuiveringsrituelen.

De perceptie van vervuiling werd beïnvloed door meerdere cognitieve kaders die zich lieten horen als ‘stemmen’: medisch, juridisch, technisch, commercieel en religieus. Op conceptueel niveau ontdekten we dat de religieuze stem de andere stemmen domineerde. De meeste geïnterviewden in beide gevalstudies zeiden dat er ‘geen verband’ was tussen zuiverheid in het islamitische denken en vervuiling van de Citarumrivier. Religieuze gemeenschappen voorzien in de spirituele behoeften van de mensen, en waterbeheer is een zorg van de overheid.

Dus, op conceptueel niveau zagen we een secularisatie: de neiging om het heilige en het profane domein, ‘de heerschappij van God’ en ‘de heerschappij van de mens’ te scheiden. Op het niveau van de dagelijkse praktijk gebruikten de meeste mensen echter wel religieuze overtuigingen en rituelen. Dit zou men geleefde religie kunnen noemen, de religie van alledag (Stringer 2008).

Beroep op inheems geloof

Op het platteland deden de geïnterviewden enerzijds een beroep op een technisch wereldbeeld, waarbij de nadruk lag op de beschikbaarheid van grondwater door het slaan van waterputten. Anderzijds deden ze ook een beroep op hun islamitisch en inheems geloof. Naast de al genoemde geur, kleur en smaak van het water, is volgens de islamitische rechtspraak rein water, dit wil zeggen water dat gebruikt kan worden voor rituele bewassing voor het gebed, stromend water. Maar het water in putten stroomt niet. Mensen wisten echter dat ze water uit putten nog hadden als alternatief voor het water van de rivier, dat stonk en gelig kleurde.

Dus voerden ze een ritueel uit bij het graf van de heilige (tahwasul) om aan de voorouders toestemming te vragen voor het mogen slaan van putten. Het water uit de put wordt opgepompt om er stromend water van te maken.

Een van de geïnterviewden zei:

‘Vroeger, als wij een bad moesten nemen of ons moesten wassen voor het gebed, gingen we naar de Citarum. Nu kan de Citarum niet gebruikt worden, omdat de dingen veranderd zijn. Volgens de islamitische jurisprudentie (hukum fikih) is het absoluut niet toegestaan voor moslims om de rivier te gebruiken voor wassing. Dus, mensen riepen hun voorouders op en vroegen aan hen toestemming om putten te bouwen, wat unjukan wordt genoemd. Nadat ze om deze toestemming hadden gebeden, bouwden mensen een put in het midden van hun dorp. Welnu, uiteindelijk dachten we dat het water dat uit de put komt wel goed zou zijn, omdat we om toestemming hadden gevraagd. En zo was het.’

De geïnterviewden in de stedelijke locatie vertrouwden op de algemene kennis van het gezonde verstand en op wat zij ‘religieuze wetenschap’ noemden. Religieuze wetenschap wordt gebruikt om een lokale interpretatie te geven van de islamitische overlevering (hadith), gecombineerd met een technische visie. Om het dilemma van het gebruik van het vervuilde rivierwater voor de rituele wassing voor het gebed te verminderen, pompten de lokale mensen het bronwater op via leidingen om er stromend water te maken, of ze creëerden een bassin met water bij de moskee met afmetingen die voldoen aan voorschriften in de Koran.

Zich ervan bewust dat dit geen lange termijnoplossingen zijn, voerden lokale activisten en kunstenaars campagne voor het schoonmaken van de rivier, waarbij lokale wijsheid, islamitisch denken en wetenschappelijke opvattingen werden gecombineerd.

Een van hen zei:

‘Ze wassen zich voor het gebed (wudhu), maar ze gooien nog steeds hun rotzooi in de rivier. Hier aan de universiteit erkennen veel intellectuelen het probleem. Ze zouden [mensen] inspiratie moeten geven voor de bescherming van de rivier en het milieu, maar dat doen ze niet.’

Hij ging vervolgens in op de rol van islamitische kostscholen en moskeeën:

‘In de islamitische kostscholen (pesantren) is het water soms groen en slecht. Dat is schokkend, echt schokkend. Het onderwijs dat er plaatsvindt moet een voorbeeld geven. En moskeeën moeten laten zien hoe het moet.’

Combinatie met logisch redeneren

In de vergelijking tussen de twee gevalstudies bleek dat woorden als ‘zuiver water’ (een vertaling van air succi) en ‘heilig water’ (een vertaling van air karomah) verschillende betekenissen hadden in verschillende contexten. ‘Zuiver water’ wordt gebruikt in de context van islamitische zuivering, in het bijzonder de rituele wassing, terwijl ‘heilig water’ verwijst naar water dat ontstaat na een zuiveringsritueel volgens de Sundanese inheemse traditie (tawasul). Beide zuiveringsrituelen gebruiken water, dat volgens wetenschappelijke standaarden vervuild kan worden genoemd.

Om schoon, zuiver en heilig water te krijgen, dat voldoet aan religieuze vereisten en gebruikt kan worden voor rituele wassing, put de lokale bevolking uit een veelvoud aan ‘stemmen’ en praktijken. Ze gebruiken praktische redeneringen, die islamitische jurisprudentie, medische wetenschap en toegepaste technologie combineren om het tekort aan water voor huishoudelijk en ritueel gebruik te overwinnen.

We concluderen dat er verschillende mechanismen zijn om percepties van vervuiling en zuivering te relateren aan praktijken van watergebruik, namelijk onderdrukking, compromis en harmonisatie. Onderdrukking treedt op wanneer één stem, bijvoorbeeld de religieuze stem, dominant is en andere stemmen marginaliseert. Compromis vindt plaats wanneer mensen tussen verschillende stemmen bemiddelen en overlappingen proberen te zien tussen de islamitische leer, de medische wetenschap en de technologie. Mensen harmoniseren wanneer ze vanuit een helikopterblik kijken en contrasterende ideeën combineren in een abstracter idee dat hen in staat stelt op een manier te handelen die voordelig voor hen is. De notie van ‘religieuze wetenschap’, een combinatie van islamitisch geloof en logisch redeneren, is hiervan een voorbeeld.

Hoewel er doorgaans gezegd wordt dat het Westen geseculariseerd is en de niet-westerse wereld niet (Craptree 2010), vonden we opmerkelijk veel secularisatie in Indonesië. Toch is het wereldbeeld van de islam holistisch. Hoe kan dit? Is de islam inderdaad holistisch? En is Europa wel zo geseculariseerd (Molendijk, Beaumont, Jedan 2010)?

Ecotheologie in de Indonesische islam

In het bovengenoemde project hebben we ons gericht op ‘geleefde religie’, dus de religie buiten de religieuze instellingen. Misschien zou dat de scheiding tussen de spirituele en de materiële wereld kunnen verklaren, omdat gewone mensen liever geen uitspraken doen over religieuze aangelegenheden. Ze vinden dat ze geen experts zijn op het gebied van religie en laten uitspraken over religieuze aangelegenheden liever over aan de religieuze leiders.

Water, Health and Developmentprogramma

Geïntrigeerd door het onderscheid tussen de ‘heerschappij van God’ en de ‘heerschappij van de mens’, wilden we dieper inzicht krijgen in wat er binnen religieuze instellingen gebeurt (Aoki 2016). We begonnen een nieuw doctoraatsproject gericht op de grootste moslimorganisaties in Indonesië, de Nadhlatul Ulama en de Muhammadiyah. De eerstgenoemde organisatie beweert zelf tachtig miljoen leden te hebben, en de laatstgenoemde zestig miljoen. Het zijn daarmee de grootste moslimorganisaties in de wereld.

Sinds 2019 doen we onderzoek naar de ontwikkeling van ecotheologie in de Indonesische islam, de proclamatie van eco-fatwa’s en de praktijk van eco-‘missie’ (dakwah), eco-moskeeën, eco-halal voedsel en eco-kostscholen. Dit is werk in uitvoering, maar we ontdekten dat er een groeiend bewustzijn is van milieuvraagstukken in de islam, en dat er pogingen zijn om de kloof tussen de ‘heerschappij van God’ en de ‘heerschappij van de mens’ te dichten (Mangunjaya 2015; Fahrurrazi 2019).

Het vereist nogal wat herinterpretatie in de islamitische jurisprudentie, aangezien de meeste hedendaagse kwesties niet bekend waren in de tijd van de profeet Mohammed (vzmh). In die tijd zaten er geen micro-plastics, chemicaliën, metalen, pesticiden en antibiotica in het water. Nu is dit wel zo. Moslimgeleerden proberen dit op te lossen door analoog redeneren en door toegepaste technologie te gebruiken, zoals we al zagen in het voorbeeld van de waterputten.

Twee houdingen

In de literatuur worden Nadhlatul Ulama en Muhammadiyah bestempeld als ‘traditionalistisch’ en ‘modernistisch’. We verwachtten een deep ecology-houding te vinden in Nadhlatul Ulama (een ‘terug naar de natuur’-en ‘klein is fijn-houding, een pleidooi voor milieubehoud en bescherming van de natuur) en eco-modernisme (met een nadruk op groene en schone technologie, en circulaire economie) in Muhammadiyah. Tot dusver hebben we geconstateerd dat deze twee houdingen inderdaad bestaan in de Indonesische islam, maar dat ze in beide organisaties aanwezig zijn en dus niet samenvallen met één van hen. Het is een kwestie van accenten leggen en belangen tegen elkaar afwegen.

Een lid van de modernistische Muhammadiyah verwoordde het als volgt:

‘We gebruiken altijd [een vers] in het al-Baqarah hoofdstuk (sūrah): ‘Hij is het die voor jullie alles heeft geschapen wat op aarde is.’ Alles wat bestaat [op aarde] is voor de mensen. Maar [er] is een beperking: ‘En veroorzaak geen verderf op de aarde’, breng geen schade toe. Profiteer dus alsjeblieft, maar breng geen schade aan.’

Dit is de theorie. Maar in de praktijk is het niet altijd makkelijk om de juiste balans te vinden:

‘Soms is het moeilijk voor ons om te onderscheiden wat constructief is en wat destructief. Tegelijkertijd bouwen we en vernietigen we. Nu wordt de tolweg aangelegd. Maar, hoeveel bomen zijn ervoor gekapt? Worden er tolwegen aangelegd of wordt [de natuur] vernietigd? Dus, bouwen en vernietigen liggen kort bij elkaar.’

De ‘tolweg’ is een metafoor voor vooruitgang, en vooruitgang staat op gespannen voet met natuurbehoud en -bescherming. Overstromingen zijn dus geen ‘natuurrampen’ maar worden veroorzaakt door mensen omdat ze tegen de wetten van de natuur ingaan. Een informant zei:

‘Naar mijn mening is de natuur perfect door Allah geschapen en heeft deze een natuurwet die een evenwicht tussen ecosystemen vereist. Als de wet van de natuur wordt gevolgd, zal de natuur duurzaam zal zijn en zal de natuur genade brengen aan de mens. Natuurrampen komen voor omdat mensen zich feitelijk niet houden aan de wet van de natuur.’

De kern van het probleem is volgens deze informant het antropocentrische denken van de mens en het tot object maken van de natuur. Maar de natuur is subject.

‘Het voortbestaan van de mens is erg afhankelijk van de natuur, maar ons begrip van de natuur is nog steeds erg antropocentrisch in de zin dat de natuur is gemaakt voor mensen. Mensen kunnen dus alles met de natuur doen. Ik denk dat de natuur moet worden geïnterpreteerd als een afzonderlijk wezen, zodat het geen object wordt, maar een subject.’

Dus, de natuur keert zich tegen de mens, omdat de mens zich tegen de natuur keert. Het gaat erom de juiste balans te vinden. ‘Matigen’ en ‘balanceren’ zijn sleutelwoorden in de islamitische omgang met water (Central Board of Muhammadiyah 2016, 32).

‘Daarom moet iedereen die een [boom] omhakt, een [boom] planten, zodat het de basis wordt voor het handhaven van het evenwicht van het leven [en] het handhaven van het evenwicht.’

De informant doet een beroep op het beeld van ‘de mens als rentmeester’.

‘Ik denk dat de slogan van ‘één boom, een miljoen voordelen’ waar is, want bij bomen is de lucht mooi, bij bomen is er zuurstof, bij drieën is er een vogel, kunnen er rupsen zijn, kunnen er vlinders zijn. Alles is er door bomen. Allah is Schepper (Khaliq), God (ilahun), maar ook Manager (rabbun). Hij schept en beheert de natuur. Maar het is onmogelijk voor Allah om naar beneden te komen [in de wereld] en dan de bomen water te geven.

Wie geeft de bomen water? Dat zijn wij. Dus, de functie van ons rentmeesterschap is om bomen te beschermen, om rivieren te beschermen.’

Living Labs Water Indonesia en de Welang

Inmiddels is het Water, Health and Development-programma een tweede fase ingegaan onder de naam Living Labs Water Indonesia.

Hierboven verwees ik al naar de ecologische islamitische kostscholen (pesantren ekologi).

Om een dieper inzicht te krijgen in de herinterpretatie van islamitische jurisprudentie, besloten we een diepgaande studie te doen naar het gebruik van plastic in Pasuruan in Oost-Java.

Oost-Java is een interessant gebied, omdat het de bakermat is van de traditionalistische islam. Door het gebied stroomt de rivier de Welang, die al net zo vervuild is als de Citarum.

Sommige ecologische islamitische kostscholen, zoals Pondok Pesantern Al-Yasini en Pondok Pesantren Sidori, produceren mineraalwater als inkomsten-genererend project, maar ze distribueren het water in plastic flessen. Dit is opmerkelijk, omdat de Nadhlatul Ulama, de moslimorganisatie waarbij ze zijn aangesloten en waardoor ze geïnspireerd zijn, een fatwa heeft uitgevaardigd tegen het gebruik van plastic. Dus ook hier kijken we naar de inconsistentie tussen cognitie en gedrag (Bagir en Martiam 2016).

Een informant verwoordde duidelijk het probleem met water.

‘Niet alleen mensen zijn Gods schepselen, maar ook dieren en levenloze objecten. In deze context moeten we naast de mens ook de natuur en het ecosysteem beschermen, inclusief water, enzovoorts. Dus het hergebruik van water is een van de programma’s in deze kostschool. Het water dat we hebben gebruikt, wordt gerecycled. Medisch gezien is het schoon en gepast om het te gebruiken voor rituele wassing.’

Een andere informant zei:

‘Kyai Hasyim [Asy’ari, stichter van de Nahdlatul Ulama] was een boer. Boeren zijn de helpers van het land. Als je naar zijn boeken kijkt, dan laten de verschillende fatwa’s zien dat er daadwerkelijk gevoeligheid is voor de natuur, milieuvriendelijkheid. Kijk naar de uitspraken van het forum voor het formuleren van fatwa’s (bahtsul masail), zoals de fatwa’s over plastic afval, terugwinning, privatisering van waterbronnen, het gebruik van organische mest. Die laten allemaal zien dat onze islamitische geleerden (ulama) een gevoeligheid hebben voor de omgeving.’

Weer een andere informant zei:

‘We hebben plastic nodig, toch? We hebben het niet echt nodig, maar de behoefte [aan plastic] wordt gecreëerd door de markt; dat is het probleem.[Vroeger] leefden mensen zonder plastic, zelfs zonder plastic [konden ze] leven … Dat komt omdat er een balans was in de natuur. [We moeten] vasten [door] af te zien van de behoeften die opzettelijk door de markt zijn gecreëerd …’

Theorie van het dialogische zelf

De Nationale Conferentie van Religieuze Leiders binnen de Nadhlatul Ulama bespreekt religieuze kwesties in drie commissies. Het weggooien van plastic afval werd besproken in de commissie voor actuele religieuze kwesties. Naast het bespreken van de gevaren van plastic afval, besprak deze commissie ook het ondernemen van actie tegen commerciële waterbedrijven, zoals de producent van Aqua (een merk van het van oorsprong Spaanse bedrijf Danone) die ervoor zorgden dat de waterputten van mensen uitdrogen.

In aansluiting bij de islamitische jurisprudentie kwalificeerde de commissie verschillende houdingen tegenover plastic afval. Ten eerste is het gebruik van plastic verboden (haram) als de impact ervan schadelijk is voor het milieu. Ten tweede wordt het gebruik van plastic afgeraden (makruh) als de impact op het milieu klein is.

Ten derde is het verplicht (fardhu) om aan het verbod op plastic te gehoorzamen als de overheid een wet hierover heeft gepubliceerd.

Volgens een van onze informanten behoort het gebruik van plastic tot de tweede categorie. Hoewel plastic flessen niet milieuvriendelijk zijn, zijn ze ook niet echt schadelijk voor het milieu.

Dus het gebruik van plastic wordt wel ontmoedigd, maar het is niet ongeoorloofd. Volgens onze informanten moeten deze adviezen beter gecommuniceerd worden naar de mensen, zodat ze worden opgevolgd. En ze moeten worden overgenomen worden door de staat, zodat ze verplicht worden. Een andere informant zei:

‘Als de NU [Nadhlatul Ulama] een fatwa uitvaardigt, moet deze door de staat worden overgenomen. Fatwa’s hebben geen juridische basis, ze hebben alleen een morele basis.’

In het vervolgonderzoek gaan we via een Living Lab-aanpak met de religieuze leiders in gesprek om te kijken of ze iets aan hun interpretatie kunnen doen, en of er technische oplossingen zijn om het water op een milieuvriendelijke manier te distribueren.

Hoe komen ze erbij dat plastic niet echt schadelijk is voor het milieu en voor de gezondheid? Zijn ze zich bewust van microplastics en antibiotica in het water? Stel nou dat het mogelijk zou zijn om het water te distribueren in milieuvriendelijke flessen, flessen die bijna volledig afbreekbaar zijn, zouden de religieuze leiders dit dan propageren, ook als het water iets duurder zou zijn?

Ook hier kunnen we de theorie van het dialogische zelf goed gebruiken: het afwegen van medische, commerciële en religieuze overwegingen.

God, mens en natuur

De bovengenoemde onderzoeksprojecten zijn kleinschalig. Om dieper inzicht te krijgen in de houdingen van mensen gaan we een grootschalig onderzoek doen onder duizend respondenten op tien locaties, met behulp van de Humans and Nature-schaal, die eerder werd gebruikt in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Canada (De Groot 2010) en Vietnam (Duong en Van den Born 2019).

De oorspronkelijke Humans and Natureschaal is ontwikkeld in een geseculariseerde context en had geen items over religie. Die hebben we toegevoegd. Voor elk van de eerdergenoemde mensbeelden (de mens als meester, rentmeester, partner, participant) formuleerden we twee of drie stellingen over religie, zoals ‘God heeft de natuur gemaakt voor mensen’, ‘mensen moeten zich niet boven de natuur plaatsen, maar ermee samenwerken’, of ‘God, mens en natuur zijn een’.

Als pilot hebben we de vragenlijst verspreid onder 66 respondenten op tien locaties in Indonesië. De tien locaties werden gekozen vanwege hun politieke betekenis, religieuze demografische setting en hun betrokkenheid bij milieukwesties.

In onze pilot vonden we een duidelijke afwijzing van het idee van de mens als heer en meester van de natuur en een brede acceptatie van het rentmeester/steward-partner-participant-model, zonder een duidelijk onderscheid tussen de drie laatstgenoemde mensbeelden.

Bovendien maakt het niet uit welke religie je hebt, maar wel hoe religieus je bent, of in ieder geval: hoeveel je eraan doet. Het eerste deel van de conclusie is in harmonie met het onderzoek in Vietnam waar de onderzoekers een universele (algemeen-menselijke) en een geconstrueerde (specifiek-religieuze) laag constateerden.

Terug naar Nederland: Groene Kerken en Moskeeën

Tijdens het Ruimte voor de Rivier-project speelden religieuze instituten in Nederland alleen een rol als cultureel erfgoed dat behouden moest blijven, niet als een levende traditie die mensen inspireert tot handelen. Toch kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat mens-en wereldbeelden een rol speelden bij het waterbeheer.

Grootschalig onderzoek in West-Europa, waarbij gebruik wordt gemaakt van de Humans and Nature-schaal toont aan dat mensen minder antropocentrisch en meer ecocentrisch zijn, dat het ‘spirituele’ of ‘romantische’ beeld van ‘participatie in de natuur’ meer invloed heeft gekregen dan het meesterschap of uitbuitingsbeeld (De Groot en Van den Born 2003, 8).

Het ecocentrische beeld wordt uitgedrukt in uitspraken als ‘in de natuur voel ik me één met het universum’, ‘in de natuur word ik opgenomen in een allesomvattend proces van zijn’, en ‘in de natuur ervaar ik de onbeduidendheid van de mens’. Dit beeld ondersteunt maatregelen die niet vechten tegen het water, maar werken met water, die ruimte geven aan het water.

Deze houdingen laten zien dat mensen in de natuur ervaren dat er meer is tussen hemel en aarde. Dit is wat religiewetenschappers een transcendentie-ervaring noemen. In dit soort ervaringen overstijgt het individu zichzelf in tijd en ruimte. Deze ervaringen zetten ons aan het denken over waar het in religie om draait.

We realiseren ons ook dat in Nederland religieuze instituten actiever zijn geworden in het beperken van klimaatverandering. Er zijn Groene Kerken en Groene Moskeeën, en interreligieus milieu-activisme. Zo hebben Kerk in Actie (onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland) en de Islamitische Stichting Nederland (een zelfstandige stichting gelieerd aan Diyanet) een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot milieu.

Hoewel religies in Nederland minderheden zijn geworden, spelen ze een rol in het publieke domein. Dit is wat we bedoelen met postsecularisme (Molendijk, Beaumont en Jedan 2016). Dit wil niet zeggen dat er nu meer geloof is dan een paar decennia terug, maar wel dat geloof nu beter zichtbaar is, en teruggekeerd is naar het publieke domein.

Conclusie en discussie

Wat kan religiewetenschap bijdragen aan duurzaam en integraal waterbeheer? Enerzijds laten de bovengenoemde projecten zien dat religie een rol speelt op de beschreven deelgebieden, niet alleen in de niet-westerse wereld, maar ook in een seculier land als Nederland, misschien op verborgen manieren. Aan de andere kant laten ze zien dat de rol van religie ambivalent is.

Wateringenieurs en niet-gouvernementele organisaties willen dat religies en op geloof gebaseerde organisaties worden betrokken bij waterbeheer, en op geloof gebaseerde organisaties willen bijdragen aan ecologische vraagstukken, maar het begrip van religie is aan beide kanten vaak naïef. Religiewetenschappers kunnen hen dus bewust maken van de complexiteit, diversiteit en ambivalentie van religies. En ze kunnen laten zien dat er ook religie is buiten de religieuze instituties, zoal de heilige graven in Indonesië of de transcendentie-ervaring in de natuur in Nederland.

Frans Wijsen is hoogleraar Praktische Religiewetenschap aan de Radboud Universiteit en directeur van de Nederlandse Onderzoekschool voor Theologie en Religiewetenschap.

< Terug