< Terug

Ruth – een bijbels-theologische inleiding

Wie als geoefend bijbellezer het boekje Ruth leest, kan zich aan één gedachte maar moeilijk onttrekken: het gevoel van déjà vu. Een oude kinderloze vrouw, Noömi, die uit het buitenland komt en uiteindelijk als door een wonder (het is natuurlijk geen toeval) nog een kind krijgt van een onvruchtbaar lijkende schoondochter, Ruth. Het boekje mag Ruth heten, het gaat over Ruth maar om Noömi. Want het gaat om en over de voorfamilie van de grote koning, David.

De plaats van het boek in de Bijbel

Het boekje, beter: de feestrol Ruth staat in de christelijke canon na het boek Rechters/Richteren, in navolging van de Griekse vertaling, de Septuagint. Dat is logisch gezien de aanhef: ‘In de dagen dat de rechters richtten…’ En na Ruth gaat het over Samuël en wordt de aanzet tot het koningschap gegeven, waarop het slot van Ruth al preludeert.

Bij de woorden ‘In de tijd dat de rechters richtten’ moet bij ons een rood lichtje gaan branden: het boek Rechters vertelt immers wat voor puinhoop het in het land was. Vijanden plukten het land kaal, de stammen raakten met elkaar in een broederstrijd verwikkeld en er was geen koning die kon ingrijpen. Kortom: dit is geen neutrale aanhef. Hij geeft de bedding voor het vertrek van Elimelekh en zijn gezin. Wie verlaat er nou toch Betlehem?! Daar moet je wel een heel bijzondere reden voor hebben.

Maar in de Hebreeuwse Bijbel staat het boekje in het derde deel, de Geschriften, als eerste van de vijf feestrollen: Ruth (Wekenfeest / Pinksteren), Hooglied (Pesach ), Qohelet /Prediker (Soekot), Eekha / Klaagliederen (Tisha b’Av, Verwoesting van de Tempel) en Ester (Poerim). Waar grote delen van de Hebreeuwse Bijbel nooit in de synagogale diensten gelezen worden, geldt van de feestrollen dat ze jaarlijks terugkeren.

De tekst van het boekje Ruth volgt het traject van de gersteoogst tot aan de tarweoogst. Van Pasen tot Pinksteren dus, feesten die daardoor maar moeilijk op één dag kunnen vallen. Het boek beschrijft vanaf hoofdstuk 2 de vijftig dagen van Pesach naar Shevoe‘ot, in het Israël van nu de tijd van de Omer-telling. Een omer is een garve, een bundel graan. Die periode wordt gekenmerkt door een speciale lamp of kaars die in de synagoge in deze tijd brandt, vergezeld van een kalender die de juiste omer-dag aangeeft. Het is ook een periode van rouw, omdat in deze tijd talloze pogroms een einde maakten aan het leven van Pesach vierende joden. Bovendien werd de school van rabbi Akiva in deze tijd door een epidemie gedecimeerd. Alleen de 33e dag van de Omertelling, Lagba’Omer, is van de rouw uitgezonderd. Op die dag hield de sterfte bij Akiva’s leerlingen op. Het is een geliefde datum om te trouwen.

Verschillende benaderingen

Je kunt Ruth met verschillende brillen op lezen. Smelik noemt er in zijn commentaar (De Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel) een aantal: je kunt er een geschiedenis van liefde in lezen, of die van een familie en van een bekering; het verhaal over solidariteit tussen vrouwen of een messiaans verhaal. Voor elke benadering is wat te zeggen.

Het boekje is mijns inziens geschreven om David een Israëlitische moeder te bieden.
Een moeder: want In de tijd dat Ruth als doorlopend verhaal beschikbaar was, was de vrouw bepalend voor de vraag of je bij Israël hoort of niet. Dat gegeven is vanuit de ballingschap (of later) ook in de aartsvadergeschiedenis gezet. Na eindeloze pogroms en verkrachtingen waarbij niet meer kon worden vastgesteld of de vader uit Israël was of uit een vijandig leger.
Vreemdelingschap is de basis waarop het verhaal is gebouwd. Deze feestrol heeft universalistische trekken, net als Jona. Dit gegeven gebruikt Matteüs (waarin de worsteling met de volken nog voelbaar is) in de ouverture tot zijn evangelie. Ruth als (vermaledijde) Moabitische vrouw, naast de Israëlitische Noömi, wordt extreem positief geschilderd, zelfs belijdend judees.
Overigens is het een oud en bekend gegeven dat volken die door inteelt werden bedreigd, buitenlandse vrouwen binnenhaalden om de bloedlijn weer op peil te krijgen.

Van het pad af (Ruth 1)

Wie is de hoofdrolspeelster/speler? Noömi? Ruth? Boaz? Het gaat in elk geval niet om Ruth. Achter het verhaal over deze Moabitische vrouw gaat het om de familie van Elimelekh en Noömi. Hun geschiedenis lijkt dood te lopen. Ze verlaten het Land vanwege een hongersnood, zoals ooit Abram Kanaän verliet om in Egypte brood te vinden, en net zoals de zonen van Jakob dat later ook moeten doen. Het is de omgekeerde beweging van Pesach, van de uittocht. En dan gaat het hier nota bene om Betlehem, ‘Broodhuis’. Als het Broodhuis al geen brood meer biedt, wie en wat dan wel?

Verder hebben ze twee zonen met de merkwaardige namen Machlon (‘ziekelijke’) en Kiljon (‘Het loopt af’). ‘Ziek, zwak en misselijk’ dus. En wat hun namen al voorspellen gebeurt: ze gaan dood. Zonder ook maar één woord te zeggen. Maar eerst trouwen ze met Moabitische meisjes, Machlon met Ruth en Kiljon met Orpa. Dat is een doodzonde in het bijbelse Israël (en in veel joods-orthodoxe kringen nóg; het thema komt in veel moderne literatuur terug). Abraham draagt zijn knecht Eliëzer op om voor Isaäk vooral geen meisje uit Kanaän te kiezen, maar uit de familie (Genesis 24:3). In Ezra 9 worden gemengde huwelijken zelfs ontbonden. Kortom: deze familie is compleet van het pad af. Het past naadloos in het beeld dat het eerste vers oproept: ‘Het was in de dagen van de rechters. Iedereen deed wat goed was in eigen ogen.’

Een andere bijbelse lijn is die van de onvruchtbaarheid. Machlon & Ruth en Kiljon & Orpa blijven kinderloos. Kiljon & Orpa vallen af. De naam Orpa is een afleiding van ‘oref’ (‘nek’); ‘ze laat je de nek zien’, dus is een Afvallige, Koppige; in tegenstelling tot de betekenis van de naam Ruth: ‘Trouwe, Vriendin’.

Tien jaar wonen Machlon en Ruth in Moab (1:4) en tien jaar wonen Abram en Sara in Kanaän, zonder kinderen te krijgen. Als Noömi hoort dat JHWH heeft omgezien naar zijn volk door het brood te geven (lèchem), keert ze terug. Met haar schoondochters.

Noömi realiseert zich dat ze moeilijk met twee Moabitische schoondochters in Betlehem kan aankomen. De vrouwen hebben daar geen enkele kans. In Deuteronomium 23:3 lezen we dat een Ammoniet of Moabiet tot in het tiende geslacht nog niet in de gemeente van JHWH mag komen. Bovendien maakt Noömi zo duidelijk dat ze wel erg ver van de gebaande wegen is geraakt. Het lijkt haar belang om de vrouwen te ‘slijten’. Met Orpa lukt dat, met Ruth niet. Zij bekent zich tot de God van Israël. Ze loopt met Noömi als het ware het bereik van de Moabitische god Kemos uit, om zich onder de hoede van de voor haar nieuwe God te stellen. Als ze in Betlehem aankomen, is het aan het begin van de gersteoogst, met andere woorden: het is Pesach.

Op het veld van een losser (Ruth 2)

In hoofdstuk 1 heeft Noömi de lead, in hoofdstuk 2 is dat Ruth. Zij maakt gebruik van het recht van de armen om de gevallen aren op te lezen achter de maaiers. (Leviticus 19:9). Daar ontmoet ze Boaz. ‘In hem is kracht’ betekent die naam, en daarmee is hij de tegenspeler van ziekelijke Machlon. Boaz doet uitzonderlijk vriendelijk tegen Ruth. Hij regelt dat zijn maaiers hun handen thuishouden (Ruth 2:9) en geeft haar een veilige plek bij de vrouwen. Hij nodigt haar zelfs uit op de maaltijd, toch de opperste vorm van gemeenschap. Bovendien organiseert hij het zo dat de maaiers wel erg veel koren laten vallen. Als ze de boel opschudt, blijkt ze een efa graan te hebben. Tien efa is een ezelslast (Ezechiël 45:11). Ze gaat dus met een forse emmer graan naar huis, waar Noömi gespannen op haar wacht. Als een arenlezer al zoveel van het land meeneemt, hoeveel te meer de maaiers! Het land is zoals het is beloofd.

Noömi denkt al verder: deze man is een van de mogelijke lossers. De losser, de go’eel, is degene die de familie voor diepe armoede behoedt: ‘Wanneer je broeder verarmd is en iets van zijn bezit heeft moeten verkopen, dan moet zijn naaste bloedverwant als losser optreden, en hij zal loskopen wat zijn broeder heeft moeten verkopen’ (Leviticus 25:25). Het is Noömi’s taak om Ruth op het veld van Boaz te houden, tot het einde van de tarweoogst. Tot Pinksteren dus, Shavu’ot, het Wekenfeest.

Op de dorsvloer (Ruth 3)

Nu de oogst voorbij is, raakt Ruth werkloos. Er moet dus snel worden ingegrepen. Noömi komt met een uitgewerkt plan, dat menig ouder niet aan een dochter zal adviseren: ‘Baad je, doe een lekker geurtje op, trek een omslagmantel aan en kruip bij een dronken man in bed.’ Het is goed in dit verband om zich te realiseren dat Moab geboren is uit een vrouw, de oudste dochter van Lot, die bij een dronken man heeft geslapen (Genesis 19:30-38). De geschiedenis lijkt zich te herhalen.

Dat baden is in de miqwe, het rituele bad dat we zo vaak bij opgravingen terugvinden. Volgens Leviticus 15:19-21 is het bad in de miqwe een voorwaarde om bij een man te mogen slapen. Zoals een joodse bruid nog steeds eerst de miqwe bezoekt en dan trouwt. Ruth wordt dus helemaal in de huwelijkse zin ‘geprepareerd’.

Ze moet het voetendek opslaan en bij hem gaan liggen; en maar afwachten. Verschillende exegeten wijzen erop dat het bij voeten niet gaat om de lichaamsdelen waarmee je loopt, maar om geslachtsdelen. De stam ontbloten, galah, betekent onthullen, afrollen. Wat onthult ze eigenlijk? Zijn voeteneind, maar wat is dat? Het is vaak eufemistisch gebruikt voor het mannelijk geslachtsdeel. Zo bijvoorbeeld in Exodus 4:25, waar Sippora met de voorhuid van Gersom zijn ‘voeten’ of die van Mozes aanraakt. Of Jesaja 7:20, waar Jesaja zegt dat de koning van Assur van zijn onderworpenen het hoofdhaar en het haar van de voeten zal afscheren. Benen, wordt er in vertalingen van gemaakt. Maar de bijbelschrijver is niet in ontharingsmiddelen geïnteresseerd.

Kortom: het gaat mogelijk in Ruth 3 om een vorm van seksuele intimiteit. Daarmee neemt Noömi een enorm risico voor Ruth: als Boaz haar afwijst, is het normale leven voor haar ten einde.

Missie volbracht

Ruth doet wat haar is opgedragen. Op het moment dat Boaz wakker schrikt (hij rilt, hij heeft het gewoon koud omdat zijn deken nu ook door Ruth wordt gebruikt), komt het verhaal helemaal op scherp te staan. Wat zal Boaz doen? Ruth is immers extreem kwetsbaar.

Ze motiveert haar stap met wat Noömi zich in hoofdstuk 2 al bedacht: Boaz is de losser. Daarmee grijpt ze vooruit op hoofdstuk 4. Het is immers helemaal niet duidelijk dat Boaz de losser kan zijn. Dat vertelt Boaz haar dan ook en hij laat in het midden of dat allemaal kan lukken.

Nu lezen we ook dat Boaz ouder is dan gangbaar: Ruth wordt erom geprezen dat ze geen jonge mannen is nagelopen (Ruth 3:10). Boaz als oudere man past ook prima in het theologische plaatje dat we van Abraham kennen: uit een onvruchtbare wordt Israël geboren. Opvallend is dat we van de familie van Boaz niets horen. Literair gezien is hij kinderloos. Hij brengt in elk geval met zijn nazaat in hoofdstuk 4 zijn familie niet in de problemen. Ruth heeft met dit resultaat haar missie volbracht, maar Boaz laat haar niet gaan. Ze moet blijven tot de morgen. En ze krijgt in een omslagdoek een deel van het vruchtbare land mee naar huis, naar Noömi. Alles klopt nu, alleen wachten we nog op een kind.

De actie van Boaz (Ruth 4)

Boaz is inmiddels in de stadspoort aangekomen. De poort is de openbare ruimte achter de eigenlijke toegang, de plaats waar een belangrijk deel van het sociale leven zich afspeelt, waar de arme roept om ondersteuning, waar recht wordt gesproken etcetera. Boaz wacht de losser daar op, en spreekt die met aan met peloníe-almoníe, ofwel: Dinges. In het namenspel van het boekje Ruth is dit van belang: deze losser mag geen naam hebben. Hij is gewoon niemand. Hem wordt bijna toegebeten: ‘Hier komen, zitten, Dinges!’ De imperatieve vorm is zelfs wat versterkt in de Hebreeuwse tekst. Dinges doet ook nog wat wordt bevolen. Tien mannen worden erbij geroepen om te bevestigen wat hier gebeurt. Ze maken een sociale vorm van minjan, ze zijn getuigen.

In de opzet van Boaz spelen twee zaken door elkaar heen: de wet van de lossing en die van het zwagerhuwelijk. Beide zijn sociale wetten, al hebben ze weinig met elkaar te maken. Ze worden hier met elkaar verbonden omdat Boaz de wet van het zwagerhuwelijk nodig heeft om die van de lossing te hanteren voor zijn eigen doel: het verwerven van Ruth als bruid.

In de wet van de lossing (Leviticus 25:25) gaat het om land, in de wet van het zwagerhuwelijk gaat het om nageslacht. In Ruth 4 speelt het zwager- of leviraatshuwelijk een in het oog springende rol. We vinden het geregeld in Deuteronomium 25: 5-10. De opzet is eenvoudig: een huwelijk beoogt het krijgen van kinderen, met name zonen. Als iemand sterft zonder zoon na te laten, wordt een van zijn broers sociaal verplicht bij zijn schoonzuster nakomelingschap (lees: een zoon) te verwekken op naam van de overledene. Wanneer je die sociale verplichting niet voelt of gewoon geen kind van je schoonzus wilt, word je te schande gemaakt. Je schoonzus mag je schoen van je voet trekken, onder getuigen, en je gaat door het leven als ‘ontschoeide’, ‘schoenloze’.

Het dragen van schoenen is een teken van welstand (denk aan de verloren zoon, die bij thuiskomst meteen nieuwe schoenen krijgt), zodat ‘schoenloze’ als een vernedering geldt. Bovendien gebruik je je schoen om iets in bezit te krijgen. In Psalm 60:10 werpt God op Edom zijn schoen, m.a.w. Hij neemt Edom in.

Het bekendste voorbeeld van een zwagerhuwelijk in de praktijk is dat van Juda, die weigert de leviraatswet op zijn schoondochter Tamar toe te passen (Genesis 38). Uiteindelijk, door een list van Tamar, die zich als hoer verkleedt, is het nota bene Juda zelf die voor nakomelingschap zorgt. Hij verwekt Perez (4:12) bij zijn schoondochter.

‘Dinges’ ontloopt de schande door de tactiek van Boaz, die er een package deal van maakt: je koopt het land maar je krijgt er een huwelijksverplichting bij.

Het college van tien oude mannen slaat in zijn oordeel de spijker op de kop: Boaz moet NAAM maken in Betlehem. Om een naam gaat het, zullen we straks zien. En zo gebeurt het ook. Waar Ruth bij Machlon kinderloos blijft en waar we niets horen over eventuele kinderen van Boaz, is Ruth nu meteen zwanger en baart een zoon. Die bijbelse lijn kwamen we al eerder zijdelings tegen: kinderen worden in de Bijbel niet gemaakt of genomen, maar ontvangen. Je kunt nu eenmaal niet je eigen redder verwekken. Die moet uit de hemel zijn gegeven. De redder komt ‘van alzo hoge, van alzo veer.’

Het verborgen doel

De (buur)vrouwen (Ruth is een echt vrouwenboek) die zich in Ruth 1:19 verbaasd afvragen ‘Is dit Noömi?’ geven het kind een naam en zeggen: ‘Aan Noömi is een zoon geboren.’ Niet aan Ruth! Het gaat, zoals hierboven is gesteld, over Ruth en om Noömi. Het kind, Obed, krijgt daarmee toch een Israëlitische in plaats van een Moabitische moeder. Ruth mag dan als schoondochter meer waard zijn dan zeven zonen, uiteindelijk is ze er vooral om de familielijn open te houden, de lijn van David. Om hem gaat het ten diepste. Koning David had Moabitisch bloed. In 1 Samuël 22:3-4 brengt David zijn familie in veiligheid voor Saul, bij de koning van Moab! Om de afkomst van David, de stichter van de twaalf-stammenstaat, onbesproken te houden, is het slot van Ruth zo geconcipieerd.

Het boek eindigt dan ook met een reeks verwekkingen, zoals we die van Genesis kennen: hij begint bij Perez, de eerste die uit een verkapt zwagerhuwelijk (Juda-Tamar) is geboren, en loopt via Obed uit op David. Over en om hem zal het in het volgende bijbelboek gaan. ‘Er was geen koning in die dagen, iedereen deed wat goed was in eigen ogen.’ Zo eindigt Rechters, en zo begint Ruth. Die reddende koning, die aan alle verwachtingen voldoet, kondigt zich hier al aan.

< Terug