< Terug

‘Schepping en Schepper zijn één geworden’

Transformatie in God, volgens Izaäk de Syriër

Bronnen van spiritualiteit

Sint-Izaäk de Syriër is in de 7e eeuw geboren in het gebied rond de Perzische Golf. Waar de Grieken het ene woord theosis gebruiken, verschijnt in de Syrische traditie een veelvoud van beelden en symbolen. In rijke taal schetst Sint-Izaäk het mysterie van de eenwording tussen God en mens.

Menselijk leven ontvouwt zich als een proces in wording. Door het aardse bestaan heen kunnen er momenten zijn van ontwaken en ontmoeting.

Deze geven een innerlijk besef dat ons begin en einde hetzelfde zijn. Deze ‘ground zero’, deze oorspronkelijke grond van al het leven, draagt een naam: de alles doordringende Ik-BenDie-Ik-Ben. Het is de naam van God die alles in allen wil zijn. Hij, de enige waarachtige en volledig bestaande werkelijkheid, deelt zijn leven met alles. Zo wil hij voluit levend in zijn schepping aanwezig zijn.

Kortgezegd: deze mysterieuze God die we alleen door zijn zelfopenbaring kunnen kennen, is onze bestemming op aarde en ook daaraan voorbij, Hij is ons alles. ‘Kom dichterbij het geheim van het bestaan in deze wereld!’ zo klinkt zijn roep. Als we die smalle weg opgaan, worden we meer en meer uit onszelf getrokken en uit ons angstige begrip van het leven. Geleidelijk aan verliezen we onszelf in God, we vergeten onszelf en worden veranderd in zijn Wezen waar alle dingen één zijn. Dit is het proces dat theosis of vergoddelijking genoemd wordt. Wij leven ons leven onder Gods ogen, in het bewustzijn van Zijn nabijheid en gevormd door de ‘hand van de Pottenbakker’. Deze bevrijdt ons steeds weer van ons beperkte en zelfgerichte perspectief. Dit is het proces van theosis van begin tot einde.

Heiligdom

De Oost-Syrische traditie, waartoe de mystieke stem van Sint-Izaäk de Syriër behoort, kent geen vergelijkbaar woord voor het Griekse theosis. Maar daar waar de Grieken met één enkel woord de essentie van een werkelijkheid proberen te vangen, gebruikt de Semitische vindingrijkheid van de Syrische traditie een veelvoud aan beelden en symbolen. Laat ons dan luisteren naar de woorden van SintIzaäk:

Ik breng dank aan uw heilige natuur, Heer, want U heeft mijn natuur een heiligdom gemaakt voor uw verborgenheid en een tabernakel voor uw mysteriën; een plaats waar U kunt wonen; een heilige tempel voor uw Goddelijkheid, (namelijk voor) Hem die de scepter houdt van uw koninkrijk, die regeert over alles dat U in bestaan hebt geroepen, de glorieuze Tabernakel van uw eeuwige Wezen, de bron van vernieuwing voor de vurige rangorden die U dienen, de Weg naar kennis van U, de Deur naar uw Aanblik, de samenballing van uw kracht en grote wijsheid – Jezus Christus, de eniggeboren zoon van uw hart, Hij, het bijeengebrachte overblijfsel van uw schepping, zowel zichtbaar als geestelijk.

Waarover Izaäk hier spreekt, kan worden samengevat in de woorden van Paulus, die zegt dat het menselijk leven ‘verborgen is met Christus in God’ (Kolossenzen 3:3). Een heiligdom van Gods verborgenheid, een heilige tempel voor zijn goddelijkheid, dat wil zeggen: een open ruimte van ontvankelijkheid, als de lege binnenkant van een vat, een vat dat de buitenkant vormt van een volheid die binnen de grenzen van ons wezen wil wonen.

De mens is geboren als deze tempel van Gods Aanwezigheid en Geheim.

Het menselijk leven is ontvankelijk als de lege binnenkant van een vat. (beeld Jerzy Górecki)
Het menselijk leven is ontvankelijk als de lege binnenkant van een vat. (beeld Jerzy Górecki)

Toch leven de mensen alsof dit niet zo is, alsof ze aan zichzelf zijn overgeleverd om wat van hun leven te maken. Zo volgen ze de weg van overleven, door met alle mogelijke middelen hun leven te bewaken. Ze nemen hun bestaan in eigen hand en maken het tot hun eigendom. Ze vergeten dat ze het ontvingen door goddelijke genade en liefde. Hun leven zou in de schaduw van deze genade en liefde geleefd moeten worden en niet vanuit hun eigen streven. Want daardoor komen ze steeds weer terecht in de vicieuze cirkel van strijd, geweld en dood.

Ze weten niet hoe ze zijn leven dat Hij aan hen toevertrouwde, moeten leven. Ze ontvingen iets absoluuts en proberen dat in hun eigen willekeurige bestaan in te passen, in hun drang om zelf hun leven te bezitten. Op die manier zwemmen ze tegen de stroom in, angstig op zichzelf aangewezen, vervreemd van de intimiteit van waaruit ze in dit leven geboren werden. En toch, ondanks hun blindheid en hun zelfgeschapen gevangenis ontmoeten ze in hun bestaan een Vreemdeling die hen door zijn eigen liefdesinitiatief terugbrengt in het Leven.

Sint-Izaäk benadrukt dat Gods liefde aan ons voorafgaat:

Ik kniel voor uw Majesteit en strek mijzelf uit op de grond voor U, o God. Want zonder dat ik om U vroeg, of nog voordat ik zelfs bestond, bracht U mij in bestaan; en voordat U mij in de baarmoeder vormde wist U dat ik een leven vol onrust en terugval zou leiden. Toch weerhield dat U niet om mij te scheppen en mij van alles te voorzien waarmee U de menselijke natuur eert, zelfs al wist U van tevoren van mijn kwaad. U kent mijn verzoeken nog voordat ik ze zelf ken, en mijn gebeden nog voordat ik ze heb uitgesproken voor U. Schenk mij dan in dit uur, o mijn God, alles waarvan U weet dat mijn ellendige natuur het nodig heeft in dit huidige gevaar. U kent de kwelling van mijn ziel en in uw hand ligt haar genezing.

Er komt een moment in ons leven dat we beseffen dat Iemand ons dichter nabij is dan wij aan onszelf zijn. Hij kent ons hart al voordat we ons realiseren dat we er een hebben. Hij weet dat we gebonden zijn aan de gang van ons stoffelijk bestaan, gevangen in onze doodsangst en vrees voor het niets. En toch is zijn liefde voor ons niet afhankelijk van wat wij doen met zijn geschenk van Leven. Wij worden aan onszelf teruggeven door – paradoxaal – een Ander te ervaren. Een Ander die al in ons woont, te midden van onze kwetsbaarheid, blindheid en soms zelfs wanhoop, te midden van ons bedreigde leven, niet wetend waar we naartoe gaan. Hij is aanwezig op manieren die we niet beseffen, dichter nabij dan we ons ooit konden voorstellen. Zijn aanwezigheid in ons is zo concreet als het kloppen van ons eigen hart, het ritme van onze ademhaling, als in de woorden van het schietgebedje dat in ons opwelt of de gaven waarmee Hij ons siert. God bewoont ons al vanaf onze geboorte, maar in onze vervreemding van Hem leven we in de illusie dat Hij ver van onze werkelijkheid verwijderd is.

Op de knieën

Toch, in momenten waarop je weerstand vermindert, grijpt de onmiddellijkheid van Gods aanwezigheid je aan en maakt je bewust van de inherente heiligheid van het leven dat je onophoudelijk en overal omringt. Hoe meer je in dat net gevangen wordt en hoe meer de openbaring daarvan je hart bereikt, hoe meer je isolement en vervreemding wegslijten. Totdat God je uiteindelijk op je knieën brengt, in de dialoog met Hem die het gebed is, in de onmiddellijke Ik-Jij-ontmoeting waar je jezelf ziet zoals je bent, zoals Sint-Izaäk hier toont. Deze confrontatie is het keerpunt in je bestaan.

Het is de pijnlijke acceptatie dat in het leven overgave belangrijker is dan overleven. Het gaat om een sterven aan jezelf zodat je in Hem gaat leven. Onvermijdelijk word je de weg van het Kruis opgeleid, de weg die Jezus volgde tot het einde. Zo liet hij zien hoe we onszelf kunnen loslaten in Gods hand.

Moge uw heilig lichaam dat op het kruis ontbloot werd, mij kruisigen voor deze wereld en haar lusten, door de werking van mijn liefde voor U; moge uw kleding waarover het lot werd geworpen, voor mijn ogen de mantel van duisternis verscheuren waarmee ik innerlijk ben bekleed.

Het vuur van Gods liefde verbrandt in ons datgene wat minder is dan God. Onze menselijke natuur volgt Gods leegmakende liefde (kenosis, ontlediging). Ze moet terugkeren tot haar oorspronkelijke Godgegeven staat. Gods liefde trekt ons meer en meer uit onszelf en nagelt ons tot onze laatste ademtocht aan het kruis, totdat we terugkeren tot die oorspronkelijke leegte waarin we geboren werden – de enige grond die past bij de overvloeiende volheid van Gods wezen in ons. Dit kunnen we niet zelf doen; we worden er onherroepelijk toe geleid, zodat geen enkel moment in ons transformatieproces het werk van onze eigen handen is. Wij zijn Zijn bezit, dragers van Zijn leven en de vrucht van Zijn bevrijding van de slavernij aan ons eigen ik. Niets meer wordt er van ons gevraagd dan om te ontvangen wat is gegeven en te accepteren wat er weggenomen moet worden. Alles is gegeven, alles wat we zijn is Gods werk.

Sint-Izaäk wijst op dit absolute goddelijke primaat in ons leven en het menselijk onvermogen om zelf God te bereiken of zelfs maar Hem waardig te kunnen worden.

Moge de geheimen van het geloof welke ik onvervalst in mijzelf bewaard heb, voor mij iets bewaren om me in te verblijden op de dag dat de wereld voorbereid wordt voor Uw komst; en moge zij dan de ontoereikendheid van mijn ascetische leven vervangen.

'De wereld is vermengd geraakt met God.' (beeld 1222786/ Pixabay)
‘De wereld is vermengd geraakt met God.’ (beeld 1222786/ Pixabay)

Vermengen

Op een manier die God alleen kent, is gekruisigd worden en sterven in God niet anders dan eenvoudigweg de eenheid binnengaan, de eenheid met de bron van alle Leven, thuiskomen.

Dit wordt door Sint-Izaäk en andere christelijke mystici beschreven als het ‘herstel van ons ontologische niets’.

Sint-Izaak de Syriër

Historisch gezien behoort Sint-Izaäk de Syriër tot de rijke 7e-eeuwse traditie van de Kerk van het Oosten, geboren binnen de grenzen van het Perzische Rijk, het huidige grondgebied van het moderne Irak en Iran.

Er zijn weinig biografische gegevens over hem bekend. Hij werd geboren in wat tegenwoordig Qatar is, in de Perzische Golf, destijds een belangrijk centrum van het oost-Syrische christendom. Hij werd monnik. De volgende keer dat we over hem horen, is wanneer hij wordt benoemd tot bisschop van Nineve, in het huidige Mosul in Noord-Irak. Na vijf maanden verliet hij deze functie al om als kluizenaar te gaan leven op een berg in de regio Khuzistan, tegenwoordig in het zuidwesten van Iran. Hij trok zich terug in een naburig klooster, Rabban Shabur, in de buurt van de inmiddels niet meer bestaande stad Shushtar en stierf op hoge leeftijd. Izaäk heeft invloed gehad op het brede christendom. Zijn geschriften werden vertaald en circuleerden buiten zijn eigen kerktraditie, grenzen en denominaties overstijgend en leidden tot spirituele vernieuwing elders, vooral in de Byzantijnse traditie.

‘Hij die zijn leven verliest zal het vinden’, leert Jezus ons (Matteüs 10:39). Izaäk gebruikt het woord vermengen om het mysterie van de eenwording tussen God en mens te beschrijven.

Wij verdwijnen in Hem, niet omdat al het menselijk leven bankroet is, ook niet om onze identiteit aan te tasten, maar juist als de vervulling van wie wij zijn.

Het levenslange proces van zelfontlediging is een proces van transformatie. Het beoogt de gespletenheid van het menselijk zelf en de vervreemding van God te overstijgen. De leegte waarop het zich richt, is precies het toegangspunt tot het goddelijke. Dat is de enige grond waar Gods heerlijkheid kan schitteren en zonder belemmering kan schijnen. Hier keren we terug tot de vrijheid die ons ook in het bestaan riep. In zijn liefde voor ons wil God zichzelf in ons verliezen. En wij haken ernaar om onszelf in Hem te verliezen als de enige mogelijkheid om werkelijk te leven, vrij van zelfbezit. Dit is de omvormende weg van zijn Koninkrijk, dat in ons uitgroeit van een klein zaadje tot een thuis voor alle levende wezens. Ons leven is theosis, van begin tot einde, de ware voleinding van ons wezen in volmaakte eenheid met de Bron van Leven.

De wereld is vermengd geraakt met God, schepping en Schepper zijn één geworden. (…) Maak mij waardig, Heer, om van dit grootse mysterie te proeven, een verborgen en bedekt Geheim, omdat de wereld nog niet waardig is om dit in te zien!

Carmen Fotescu is een Roemeens-orthodoxe schrijver en docent, gespecialiseerd in oud-Syrische spiritualiteit en mystiek. Zij vertaalde teksten van Efraïm de Syriër, Sint-Izaäk en Abu Ghalib en onderzoekt de relatie tot de geleefde Godservaring en hun geschriften. Ze woont en werkt in Roemenië. Vertaling: Marianne Vonkeman.

Literatuur

Alle citaten zijn uit: Isaac van Nineveh, The Second Part, transl. S. Brock, V;6;11;25;18.


< Terug