< Terug

Spelen met walvissen

Als je ergens van houdt, weet je er meestal veel van. Je ziet er veel in. Andersom werkt het vaak ook: hoe meer je ervan weet en ziet, hoe meer je ervan gaat houden. Psalm 104 is volgens mij geschreven door iemand die veel van de natuur hield. Iemand die er meer in zag dan de meeste mensen om hem heen.

Psalm 104 is eigenlijk één lange, liefdevolle blik op de schepping. De dichter begint met de grote lijnen, in oudoosterse taal: de aarde is vastgezet, de hemel is uitgespannen, de zee is begrensd. Wat hij zegt, is dit: de wereld is door God geschikt gemaakt voor mensen en dieren, als huis om in te wonen. Daarna volgt de inrichting: water, de bossen, het gras en alles wat op aarde leeft – dieren en mensen. Het is een prachtig huis, vol leven, kleuren en geuren. Iedereen heeft er genoeg te eten en te drinken. Daar wordt hij zo enthousiast van dat hij uitbarst van verwondering. Hij zegt: alles leeft en zindert van leven, door God die de adem geeft en vruchtbaarheid en vreugde. Hij eindigt met een blik naar de toekomst en een paar goede voornemens. En hij zegt ook dat de ‘zondaars’ van de aarde zullen verdwijnen: Er komt een tijd dat het kwaad uit de wereld is weggedaan. De schepping heeft een toekomst.

NET ZO GOED VOOR LEEUWEN EN MARMOTTEN

Deze dichter leefde in een landbouwsamenleving waar iedereen, van hoog tot laag, leefde van wat het land opbracht. Mensen moesten knokken voor hun bestaan. Eén mislukte oogst en je kon je kinderen het volgende jaar begraven. In zo’n situatie kijk je welke dieren nuttig zijn (dat zijn dieren om op te eten of dieren die voor je kunnen werken) en welke dieren schadelijk zijn (dat zijn dieren die jou opeten of dieren die je land omploegen, als jij het net hebt ingezaaid). Dan valt op: deze dichter maakt dat onderscheid helemaal niet. Hij noemt allemaal dieren waar je als mens niets aan hebt. Ooievaars, steenbokken, klipdassen. Hij neemt niet de mens als maatstaf voor wat goed en slecht is, nuttig of niet. Wij bepalen dat niet, dat is het punt.

Veel verhalen over natuurbescherming zijn mensgericht. Onze soort moet voortbestaan en daarom moeten we het klimaat beschermen. We moeten de aarde goed achterlaten voor onze kinderen, enzovoort. Als ik deze psalm goed begrijp, moeten we de aarde en al het leven beschermen omdat het waardevol is in zichzelf – omdat het goed is dat er haringen, gorilla’s en muizen zijn.

Elk jaar sterven ruim 25.000 soorten dieren en planten uit. Iemand zei tegen me: ‘Wat maakt het uit als er één of ander hagedisje uitsterft? Niemand zal het missen, toch?’ Nee, wij niet. Als wij centraal staan in de schepping, dan maakt het niet zoveel uit dat er insecten en reptielen verdwijnen. Maar wij staan niet centraal. Deze psalm daagt ons uit om onze plek in te nemen onder alle schepselen van God: wij mensen staan naast de dieren – niet boven hen. Kijk maar hoe het er staat: de jonge leeuwen gaan op roof en de mensen gaan aan het werk. Het werk van de mensen is belangrijk, maar dat van de leeuwen net zo goed. In de zee bewegen de schepen van de mensen zich voort, maar de walvis zwemt daar ook en de zee is net zo goed van hem.

Waarom zijn dieren waardevol? Psalm 104 zegt: God heeft ze gemaakt en zorgt voor hen, hij speelt met hen, hij geniet van hen. Alles wat ademt, looft de Heer, zegt een andere psalm. Gewoon door zichzelf te zijn, prijzen de dieren God. Onze taak is het om mens te zijn en op die manier God te prijzen. En dat betekent dat we al het leven op aarde respecteren.

EN ZIE, HET IS GOED

In Genesis 1 staat dat God zegt dat zijn schepping ‘goed’ is. Daarmee bedoelt God niet dat er geen verscheurende dieren voorkomen en dat er niets dood gaat. Kijk maar in deze psalm. ‘Goed’ betekent dat alles en iedereen functioneert naar zijn aard, door te zijn waarvoor je bedoeld bent. Of je nu een leeuw bent, een marmot of een mens. Ik denk dat dit een geweldige inspiratie is om zuinig om te gaan met de aarde, om te matigen met vlees, om eerlijk in te kopen, om sober te leven. Als de Bijbel zegt dat wij mensen ons hoogste doel bereiken door God lief te hebben, dan kan het niet anders dan dat we ook liefhebben wat hij liefheeft.

Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst, ontneem hun de adem en het is met hen gedaan, dan keren zij terug tot het stof dat zij waren. Zend uw adem en zij worden geschapen, zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.

Psalm 104, 29 en 30

GOD IS NERGENS EN OVERAL

Overal waar deze dichter kijkt, ziet hij God aan het werk. Veel moderne mensen hebben daar moeite mee. God, die alle dieren maakt? Kom nou, het leven is geëvolueerd in miljoenen jaren.

Deze psalm zegt eigenlijk dit: God is nergens in de wereld en toch is hij overal. God zorgt voor deze wereld en tegelijk zorgt de wereld voor zichzelf. Je zou kunnen zeggen: God zorgt ervoor dat de wereld voor zichzelf kan zorgen. God schept de wereld voortdurend. Elk moment geeft hij de mogelijkheid dat de wereld en dat wij allemaal onszelf kunnen zijn, leven en vruchtbaar zijn. God en de natuurlijke processen zijn niet met elkaar in tegenspraak. Als je wetenschapper bent, onderzoek je hoe de wereld ‘werkt’. Daarin kom je God niet tegen op een speciale plek. Maar tegelijk kom je hem overal tegen: Hij is de voorwaarde voor alles en iedereen, ook voor jouw onderzoek. We hebben God niet nodig om bepaalde verschijnselen te verklaren. Maar tegelijk is hij overal: we kunnen hem vinden in het water in bergbeken, in walvissen en wilde ezels, in slakken en marmotten, in onszelf. Hij is overal te vinden en te aanbidden.

Stefan Paas is hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij is in 2019 ook Theoloog des Vaderlands.

Een langere versie van dit artikel is te lezen op www.arocha.nl (onder ‘materialen’).

< Terug