De grenzeloze weerspiegeling van het licht

Het sacrale universum volgens zen

De Japanse zenmeester Eihei Dōgen beschreef hoe je de samenhang van eenheid en veelheid kunt ‘zien’. Maar ook als deze helderheid niet lijkt door te breken, hoeven we volgens hem niet te treuren. We bevinden ons namelijk altijd in de sacrale ruimte van het universum en kunnen ons hier onmogelijk van losmaken, net zo min als ‘een vis het water verlaat of een vogel de lucht’.

Wie weleens in een zentuin gezeten heeft, bijvoorbeeld de wereldberoemde Ryoanji in Kioto of anders het hagelwitte perceeltje aan de Nijmeegse Waalkade, raakt als vanzelf onder de indruk van de verstilde atmosfeer. Deze sereniteit heeft zijn weerslag op de geest: je neemt de dingen om je heen aandachtiger op. Wat zijn er veel kleurschakeringen in het minutieus aangeharkte grint, hoe fraai zijn de bonsaibomen gesnoeid en wat een interessante mospatronen zitten er toch op de rotsen… Hoe langer je kijkt, hoe groter de ogenschijnlijk kleine dingen lijken te worden. Zo verandert de zentuin langzamerhand voor je ogen in een wereld op zich waarbij elk kiezelsteentje, iedere bonsaiboom of elke rotspartij krachtig in zijn uniciteit naar voren treedt en tegelijkertijd volledig harmonieert met alles in zijn omgeving. Bijna sacraal.

Deze opvatting van de ruimte als een harmonieus samenspel van alle dingen met alle dingen is nooit indringender geformuleerd dan door de beroemde Japanse zenmeester Eihei Dōgen (1200-1253). In zijn geschrift Gesprek over het met je hele hart volgen van de weg stelt hij dat als je ook maar een ogenblik in zenmeditatie zit…

…de hele dharmawereld boeddhamudra wordt en alle ruimte in het universum wordt helemaal verlicht. De levende wezens van de dharmawereld uit de tien richtingen en zes rijken worden tegelijkertijd helder en zuiver in lichaam-en-geest, realiseren de grote bevrijding en hun oorspronkelijk gelaat verschijnt. Op dat moment bereiken alle dingen tezamen de opperste verlichting en benutten het boeddhalichaam; tegelijkertijd gaan zij verder dan het toppunt van ontwaken en zitten zij rechtop onder de koninklijke bodhiboom…

Wat betekenen deze mysterieuze woorden van Dōgen? En wat heeft meditatie met een ‘heilige’ of ‘verlichte’ ruimte te maken? Ik begin met een zinsnede-voor-zinsnede uitleg van het citaat en zal daarna laten zien hoe deze middeleeuws-Japanse opvattingen ook vandaag de dag nog springlevend kunnen zijn. Zen-auteurs wijzen je namelijk op een kwaliteit van waarnemen of ‘te midden van de dingen zijn’ waarmee je enerzijds diep vertrouwd bent maar die je anderzijds vanwege diezelfde vertrouwdheid gemakkelijk over het hoofd ziet.

Edelstenen

Met de uitdrukking ‘dat de hele dharmawereld boeddhamudra wordt’ verwijst Dōgen naar alles wat is. Het begrip ‘dharma’ uit ‘dharmawereld’ kan namelijk op de veelheid van fenomenen slaan, zoals bergen, rivieren, kiezelstenen en vogels. Tegelijkertijd betekent ‘dharma’ ook ‘boeddhistische leer’ en heeft het woord mogelijkerwijs betrekking op de wereld waarin deze doctrine werkzaam is, dat wil zeggen: de onze. Het begrip ‘mudra’ betekent over het algemeen ‘handpositie’, zoals we die kennen van boeddhabeelden uit snuisterijenshops. Dōgen doelt echter op de positie van het lichaam tijdens zitmeditatie, namelijk rechtop, de benen gekruist in een halve of hele lotushouding en met geloken ogen naar een punt voor je op de vloer staren. Dat ‘de hele dharmawereld boeddhamudra wordt’ houdt dan ook in dat alles in meditatie verzinkt zodra één iemand dit doet.

Waarom zegt Dōgen dit? Het is immers niet uit zichzelf duidelijk dat de enkeling met het al is verbonden. De zenmeester vertrouwt echter op een bepaald wereldbeeld dat in de vroege Middeleeuwen door de zogenaamde Chinese Bloemenkransschool ontwikkeld werd en waarin het particuliere en het collectieve onscheidbaar zijn: Indra’s Net. Volgens deze metafoor is de hele wereld één groot net van juwelen die hun schittering eindeloos aan elkaar doorgeven: ‘Als we ons in zuidwestelijke richting wenden en een van de juwelen oppakken om hem te bestuderen, dan zien we dat dit juweel de beelden van alle andere juwelen direct reflecteert. Ieder ander juweel zal hetzelfde doen. Iedere edelsteen zal de beelden van alle andere edelstenen simultaan reflecteren en alle andere juwelen doen dit ook. Deze spiegelbeelden worden herhaald en vermenigvuldigd op een onbegrensde wijze.

De hele wereld is één groot net van juwelen

Binnen de grenzen van een enkele edelsteen bevinden zich de grenzeloze herhaling en weerspiegeling van alle juwelen. Deze weerspiegelingen zijn helder en totaal ongehinderd.’

Weerspiegelen

Dit buitengewoon ingenieuze beeld biedt een visie op de verhouding tussen eenheid en veelheid als twee onscheidbare ‘polen’. Universaliteit en particulariteit gaan volkomen samen: het ene zit in het vele en vice versa. Deze wederzijdse verbondenheid van alle onderdelen van het universum impliceert dan ook niet dat hun individualiteit verloren gaat. Integendeel. Ieder ding weerspiegelt alle andere dingen op zijn eigen, unieke manier en alle andere dingen tonen zich in de ‘spiegel’ van het ene ding op hun bijzondere wijze.

Dōgen noemt dit doorgeven van de schittering door alle edelstenen aan alle edelstenen het principe van ‘de wederzijdse doordringing en ondersteuning van alle tijd-ruimtelijke fenomenen’. Concreet betekent dit dat het individu alles en iedereen om hem heen in de grenzeloze ruimte van zijn hart ontvangt en weerspiegelt. Op dat moment kun je zeggen dat ‘alle ruimte in het universum wordt verlicht’.

Mooie woorden, maar hoeveel merk je hiervan als je thuis op je meditatiekussen zit? Voor degenen die letterlijk en figuurlijk met deze vraag ‘zitten’ biedt Dōgen grote troost: zelfs al bespeur je niets van deze sacrale ruimte, hij is toch steeds aanwezig buiten jou en in de weidsheid van jouw geest.

Hart en geest

Overigens zit er voor de westerse lezer een addertje onder het gras bij het Japanse karakter shin, dat ik hier afwisselend als ‘hart’ en ‘geest’ heb vertaald; het betekent namelijk beide. In tegenstelling tot bepaalde westerse opvattingen, waarin ‘denken’ en ‘voelen’ als opposities worden gezien, is voor de klassieke Chinees of Japanner het hart de zetel van zowel gedachten als emoties. Men ‘denkt met het hart’ of ‘voelt met de geest’. Deze hart-geest van de mens kan de werkelijkheid op twee manieren tegemoet treden, namelijk vanuit zijn eigen vooroordelen, illusies en fixaties, kortom ‘het dikke ik’ en vanuit heldere openheid en ontvankelijkheid. De eerste houding wordt in de taoïstische literatuur, die het zenboeddhisme diepgaand heeft beïnvloed, treffend ‘een hart vol lianen’ genoemd: de mens heeft geen zuivere visie op de dingen binnen en buiten hem.

Dōgen verwijst in zijn tekst naar de tweede houding van de hart-geest, namelijk het helder weerspiegelen van alle dingen. Daartoe is het nodig dat de mens ‘zichzelf’ of zijn eigen gehechtheden loslaat: een paradoxale oefening die je vooral niet te verkrampt aan moet gaan. Wie zichzelf immers dwingt om zijn vooroordelen en fixaties los te laten, blijft er juist aan gehecht. Helemaal geen moeite doen om los te laten en denken ‘dat je dikke ik gewoon wel weggaat’ is echter ook niet de bedoeling. Een Nederlandse zenmeester loste dit probleem van de beoefening van onthechting eens op met de uitspraak: ‘Zachtjes duwen!’ Je moet je wel inspannen maar vooral niet forceren.

Voor Dōgen ligt deze inspanning in het beoefenen van zenmeditatie, waarin je alle gedachten de gedachten laat zijn zonder je met de inhoud te identificeren. De zenmeester vergelijkt deze activiteit ook wel met ‘het vliegen van vogels in de lucht’ en het ‘zwemmen van vissen in het water’. Beide wezens zijn in hun vliegen respectievelijk zwemmen volkomen in hun element: ze worden gedragen door het water en de lucht en komen erdoor tot leven. Over een vogel in de lucht kun je bovendien zeggen dat hij de mogelijkheid heeft om zich eindeloos in het grenzeloze luchtruim te bewegen.

Het ene zit in het vele en vice versa

Maar hoe ver hij ook vliegt, de vogel voelt zich in principe op ieder moment en iedere ‘plek’ in de lucht op zijn gemak; in die zin is hij ‘overal thuis’. Tot op welke hoogte zijn wij hiertoe in staat? Dit is het ideaal dat Dōgen zijn publiek voorhoudt.

Volledige openheid

In het geschrift Gesprek over het met je hele hart volgen van de weg verbindt de zenmeester meditatie met ‘het helder en zuiver in lichaam-en-geest zijn van alle levende wezens, hun realisatie van de grote bevrijding en het verschijnen van hun oorspronkelijk gelaat’. Dit laatste begrip is afkomstig uit een klassieke zendialoog waarin een meester aan een leerling vraagt: ‘Voordat je grootouders geboren waren, wat was jouw oorspronkelijk gelaat?’ Dit concept duidt een soort volledige openheid van de menselijke geest aan, nog voordat er enige gehechtheid heeft plaatsgevonden. Dōgen’s andere formuleringen, namelijk het ‘verdergaan dan het toppunt van het ontwaken en rechtop zitten onder de koninklijke bodhiboom’ wijzen in dezelfde richting. ‘Verdergaan dan het toppunt van het ontwaken’ houdt namelijk in dat de bevrijding altijd groter is dan een mens zich kan indenken. Het ‘rechtop zitten onder de koninklijke bodhiboom’ slaat op een stukje biografie van de Boeddha: na een lang proces van vallen en opstaan besloot hij onder een boom te gaan zitten en niet meer op te staan voordat hij de verlichting heeft bereikt, hetgeen uiteindelijk ook lukt. In de Indiase plaats Mahabodhi, de plek waar de Boeddha traditioneel het ontwaken zou hebben gerealiseerd, staat een stekje van deze verlichtingsof bodhiboom die door de pelgrims wordt vereerd. Hoe dit ook zij: de vierkante meters onder deze ficus religiosa vormen de heilige grond die zich vanuit Boeddha’s meditatie uitstrekt tot in alle uithoeken van de wereld.

Kleine flitsen

De ‘sacrale’ ruimte in het zendenken zou je dan ook kunnen omschrijven als de visie op de werkelijkheid waarin alles elkaar aankijkt met zijn ‘verlicht’ of oorspronkelijk gelaat. Dit is geen hogere wereld maar het waarnemen van alles om je heen vanuit een dieptedimensie die noch samenvalt met de dingen, noch ze overstijgt. Met andere woorden: die ongrijpbaar is.

Je dikke ik gaat niet ‘gewoon wel weg’

Deze grenzeloze ruimte van het universum is bovendien niet statisch, want zoals Dōgen scherp opmerkt ‘is er niets in de wereld dat niet beweegt’. Integendeel: alles wat bestaat speelt met elkaar het spel van het doorgeven van het licht, conform Indra’s Net. Hierin zit niets elkaar in de weg en wordt wijs en compassievol handelen op spontane wijze mogelijk.

Hoewel zen over het algemeen voorzichtig is met het denken in tegenstellingen als ‘heilig’ en ‘profaan’ kun je de ruimte van het universum wat mij betreft toch ‘sacraal’ noemen, omdat er een transformatie voor nodig is om deze ‘te zien’. Volgens Dōgen kunnen we het oog van onze geest namelijk steeds meer veredelen via zitmeditatie voor een helderder visie, overigens zonder dat wij ooit het volmaakte inzicht of de complete helderheid zullen bereiken. En ook als deze helderheid maar niet lijkt door te breken en we in onze eigen ogen compleet falen, hoeven we volgens de zenmeester niet te treuren. We bevinden ons namelijk altijd in de sacrale ruimte van het universum en kunnen ons hier onmogelijk van losmaken, net zo min als ‘een vis het water verlaat of een vogel de lucht’. Daarbij kan zelfs de Boeddha de diepte van zijn eigen bevrijding niet peilen. Toch lijkt er een groot contrast te bestaan tussen de grandioze visie op de dingen van Indra’s Net en onze alledaagse ervaring van een wandelingetje langs de Waalkade.

Of breekt het inzicht misschien door in kleine flitsen waarvoor je moeite moet doen om ze waar te nemen in de geest? Teruggekeerd van de Nijmeegse zentuin zie je bijvoorbeeld een meeuw boven de gebouwen in de betrokken lucht. Het is niet zozeer dat hij door de lucht vliegt, eerder maakt de lucht zijn vlucht mogelijk.

‘Zachtjes duwen!’

Er is ruimte voor de meeuw om zijn vleugels uit te slaan. De lucht biedt geen weerstand aan de vogel en de vogel doet niets af aan de lucht. Wellicht voegt jouw blik nog extra glans toe aan zijn vliegbewegingen. Dan betrekt de hemel nog meer en vallen de eerste regendruppels.

Duidelijk en onderscheiden voel je de opeenvolging van druppels, die de hele ruimte vanaf de wolken tot jouw hand doorkruisen. Eerst één, dan drie, dan nog meer… De hoeveelheid van de druppels en de plekken waar ze neerkomen op je huid zijn volstrekt onvoorspelbaar. Een verrassende aanraking, die je onwillekeurig doet glimlachen. Dit is een opwekkende dialoog of melodie die je niet snel in woorden kan vangen. Dit is het spel van eenheid en veelheid op één handpalm.

Michel Dijkstra is docent en publicist op het gebied van oosterse filosofie en westerse mystiek. In december verschijnt van hem De essentie van Dogen. Hij is gepromoveerd aan de Radboud Universiteit op een comparatiefwijsgerig proefschrift over Meister Eckhart en zenmeester Dogen.

Tags:

Meer Spiritualiteit