< Terug

Sta op!

Bij Jesaja 40,26-31, 1 Petrus 2,11-20 en Johannes 16,16-23a

In twee van de drie teksten van deze vierde zondag na Pasen komt opstanding als vormgeving van het leven na Pasen aan bod. In de Jesajatekst laat de profeet zien hoe Jakob/Israël, die in de put zit, niet alleen kan opstaan, maar zelfs genoeg energie krijgt om te lopen. De tekst uit 1 Petrus schetst met duidelijke opdrachten hoe een overtuigend leven na de opstanding er voor de gelovigen kan uitzien. De tekst uit het Johannesevangelie kijkt voorbij Pasen naar de tijd van de definitieve nabijheid van Jezus.

Niet toevallig spreekt de profeet de geadresseerden in Jesaja 40-48 telkens aan met ‘Jakob’ of ‘Israël’. Juist nu, in de situatie waarin een groot deel van Jakob/Israël zijn leven in Babylon doorbrengt, verwijst hij bewust naar deze voorouder. Ook Jakob verbleef destijds een groot deel van zijn leven in Mesopotamië, bij zijn oom Laban, tegen zijn wil. Hij trouwde daar met Rachel en Lea, nam Bilha en Zilpa als bijvrouwen, zijn kinderen werden daar geboren. Jakob is een rolmodel voor de tijd in Babylon, Jakob is hoop, want hij keerde uiteindelijk terug naar het land van zijn voorouders. De weggevoerden ontlenen veel meer aan Jakob dan slechts een naam. Jakob is hun identiteit.

Kijk omhoog en besef wie God is

‘Mijn situatie wordt door God niet gezien, voor mijn zaak is Hij geen pleitbezorger’ (Jesaja 40,27). Jakobs ogen zijn alleen op zijn eigen lot gericht. Hoewel hij wil dat God hem voelbaar en zichtbaar bijstaat, heeft hij niet werkelijk oog voor God. Zijn blikveld is beperkt tot zijn eigen situatie. Hem direct tegenspreken en met klem beweren dat God wél aandacht voor hem heeft zou niet helpen, dat weet de profeet. Jakob moet eerst van blikrichting veranderen, moet naar boven kijken, weg van zichzelf, en beginnen te beseffen wie God is. En boven ziet hij de sterren, voltallig, elke op zijn plek of in zijn baan. Dit alles weet God, de Schepper van de aarde van het ene einde tot het andere, feilloos te bestieren (Jesaja 40,28). Jakobs eigen lot komt in een nieuw licht te staan.

Of formuleer het met de tegenstelling tussen slapheid en veerkracht, futloosheid en energie. In de put zitten, het gevoel hebben niet gezien te worden, lusteloos en mat zijn – dit overkomt dus zelfs degenen bij wie je een grote voorraad energie en daadkracht zou verwachten: jonge mannen (Jesaja 40,30). Maar God is anders. Onze profeet gebruikt dezelfde werkwoorden voor God, maar dan met een ontkenning: Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput. Hij heeft jeugdige veerkracht, verzint steeds iets nieuws, heeft plannen voor de toekomst, hoewel Hij toch een ‘God vanouds’ is. Van deze daadkracht, deze energie kan de matte, lusteloze, uitgeputte mens opnieuw vervuld worden. Als hij zijn gelaten houding loslaat en weer hoopt op God, wacht op God, is de slapheid al verdwenen. Dan heeft hij weer een blikrichting, een streven, spankracht. Hij krijgt nieuwe kracht.

Bijbelse voorbeelden

Tussen de mensen met wie jullie dagelijks te maken hebben, zijn jullie als vreemdelingen: mensen die een aantal dagen blijven, maar dan weer vertrekken, of mensen die langer blijven, maar met minder rechten dan de ingezetenen, aldus de schrijver van de eerste Petrusbrief. En ook hij verwijst naar bijbelse voorbeelden. De enige vindplaats in de Griekse literatuur waar de twee zojuist omschreven Griekse woorden voor vreemdeling naast elkaar staan, is de Griekse tekst van Genesis 23,4. Abraham gebruikt ze na de dood van Sara in gesprek met de Hethieten: ‘Een vreemdeling en bijwoner ben ik bij u.’ Vervolgens vraagt hij om een begraafplaats voor Sara. Dat deze overeenkomst geen toeval is, blijkt uit het derde hoofdstuk, waarin Abraham en Sara opnieuw als voorbeelden worden aangehaald (1 Petrus 3,6). Bijbelse voorbeelden geven steun aan de eigen identiteit: jullie zijn als Abraham, ook hij leefde met zijn vrouw onder mensen zonder over dezelfde mogelijkheden te beschikken als dezen.

Dit past niet meer bij jullie

Misschien associeert iemand het vreemdeling zijn met het een vreemdeling op aarde zijn en het beschouwen van de hemel als het ware thuis – maar deze link wordt in onze tekst niet gelegd. Hier gaat het om de ervaring van vreemdeling zijn onder mensen. Wat gebeurt er als je er niet echt bij hoort? Je wordt kritisch bekeken, bent verdacht. Men onthoudt wat je anders doet. En dat je dingen anders doet, bevestigt alleen maar dat je niet bij de gemeenschap hoort. Al gauw krijgt dat wat je anders doet een negatieve stempel – het is slecht. Je wordt uitgescholden. In deze situatie moet je een vlekkeloos leven leiden. Niet uitsluitend omwille van deze situatie, want sowieso past een leven dat de ‘vleselijke begeerten’ volgt niet meer bij wie je nu bent; het zou jouw nieuwe leven doden. Maar als je zo leeft, naar de principes en richtlijnen van God, breng je misschien de ingezetenen af van hun vijandige houding en beginnen zij God te prijzen (1 Petrus 2,12).

Zien, niet zien en weerzien

Na Pasen komt Hemelvaart, het einde van de tijd waarin de opgestane Heer bij zijn discipelen verblijft. Pinksteren brengt een nieuwe vorm van zijn aanwezigheid. De Geest vervult en begeleidt de gelovigen terwijl zij wachten op weer een andere vorm van aanwezigheid: de zichtbare wederkomst. Dit is voor velen de waarschijnlijk meest vertrouwde vorm om over de aanwezigheid van Jezus te spreken. Maar dit in wezen lucaanse concept is niet zonder alternatief. Een sterk op Johannes gebaseerde feestkalender zou waarschijnlijk geen aparte feesten voor Hemelvaart en Pinksteren kennen: Jezus is een kleine tijd afwezig, te weten de drie dagen tussen kruisiging en opstanding; daarna is Hij blijvend aanwezig bij zijn discipelen (Johannes 16,16-23a).

< Terug