< Terug

Staatsgevaarlijk

Geheime dienst in het oude Israël en het oude Nabije Oosten?

Een verwijzing naar de beruchte Muchaberaat in Egypte, Jordanië of Syrië of de Mossad in Israël is genoeg om mensen een rilling over de rug te bezorgen. Vreemdelingen die in deze landen gewoond hebben, hebben het allemaal wel eens meegemaakt, die merkwaardige klikken in hun telefoon als ze hem opnamen. Een waarschuwing voor de goede verstaander dat het gesprek werd afgeluisterd door de geheime dienst. Bestond er in het oude Nabije Oosten, in het oude Israël, in het jodendom of onder de Romeinse bezetting in Jezus’ dagen ook zoiets als een binnenlandse veiligheidsdienst? Werd Jezus geschaduwd?

Jezus werd in elk geval van tijd tot tijd lastiggevallen door mensen met moeilijke vragen over belasting betalen en dergelijke. De evangelisten zeggen er dan duidelijk bij dat het gebeurde om hem te provoceren, om hem op heterdaad op een illegitieme uitspraak te kunnen betrappen (Mar. 12:13vv par.). Een profeet als Jezus was zijn leven niet zeker en hij wist dat vóór hem profeten slachtoffer waren geworden van aanslagen. Jeremia ontsnapt ternauwernood aan gevangenschap en verdwijning, evenals Micha ben Jimla (1 Kon. 22:27). Hun collega Uria uit Kirjat-Jearim is minder gelukkig: hij wordt op bevel van koning Jojakim op de vlucht naar Egypte gepakt en te Jeruzalem vermoord. Hij krijgt een ezels-begrafenis (Jer. 26:2-23, zie ook 22:18-19).

Betekent dat dat in het oude Israël en de wereld daaromheen machthebbers ‘subversieve’ profeten, en in het algemeen hun onderdanen, in de gaten hielden? Waren geheim agenten ogen en oren van het bewind? Ongeveer zoals satan zijn rol speelt in het verhaal van Job? Bovenstaande voorbeelden zouden kunnen doen denken dat het zo was, zeker in de latere koningentijd. Hoe meer georganiseerd en gecentraliseerd een staat was, hoe waarschijnlijker het is dat er ook een soort politie, een veiligheids- of inlichtingendienst bestond als onderdeel van het landsbestuur. Toch is het moeilijk daar concreet vat op te krijgen. Je zoekt namelijk vergeefs naar het begrip politie en politieagent, laat staan naar het begrip geheim agent in de Bijbel. Wel zijn er gevangenissen en gevangenisbewakers – niet alleen in Israël (in : 1 Kon. 22, 27; in Jeruzalem: Jer. 37:15, 18), maar ook op vele andere plaatsen in de omgeving: Egypte, , Klein-Azië en . Meestal horen deze gevangenissen bij het paleis of de tempel. Men wordt opgesloten door de koning. Jozef wordt opgesloten in de gevangenis bestemd voor de gevangenen van de koning. Een enkele keer lijkt de gevangenis onder jurisdictie van een speciale beambte te staan (Jer. 29:26; 37:15, 18; Hand. 5:21; 22:30). Het is moeilijk je zo’n gevangenis voor te stellen zonder het bestaan van een soort politiemacht. Maar voor het bestaan van zoiets als de middeleeuwse ‘schout en zijn rakkers’ zijn nauwelijks aanwijzingen. Waarschijnlijk komt dat doordat in de praktijk leger, politie, landsbestuur en rechterlijke macht niet streng gescheiden waren, zoals wij dat gewend zijn.

Informatievoorziening

Er zijn wel een aantal verschijnselen, verhalen en gebeurtenissen die iets zeggen over de informatievoorziening en de opsporing van ‘staatsgevaarlijke’ activiteiten zowel in het oude Israël als daarbuiten. te beginnen bestond er zeker in de grote tempels van de oudheid een soort tempelpolitie, die ordeverstoring en dergelijke moest tegengaan. We horen over priesters die de deuren bewaken en toezicht houden op de offerkisten (2 Kon. 12:9; 22:4). We vinden ze elders ook op de loonlijsten van tempels. De hogepriester is verantwoordelijk voor de orde in de tempel en geeft als een soort burgemeester sturing aan de bewaking van die orde. Zo vinden we in Jeremia 29 het excerpt van een brief, gestuurd uit Babel aan hoge-priester Sefanja:

De HEER heeft u tot priester aangesteld; hij heeft u de opvolger van de priester Jojada gemaakt om in de tempel van de HEER de orde te handhaven, dus u moet elke gek die zich voor profeet uitgeeft in het blok sluiten en aan het halsijzer ketenen. Waarom ben u dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u voor profeet uitgeeft? (Jer. 29:26-27)

Amasja, de opperpriester van het heiligdom te Betel, verbiedt de profeet Amos daar te profeteren (Am. 7:12-13). Interessant in dit verband is dat hij de koning bericht stuurt van de in zijn ogen subversieve prediking van de profeet. Blijkbaar werden leidinggevende beambten, inclusief door de koning aangestelde priesters, geacht hun opdrachtgever op de hoogte te houden van dingen die in hun ogen staatsgevaarlijk waren.

In Mari, een handelsstad aan de Eufraat, is uit de laatste periode voordat zij werd geplunderd en verwoest door koning Hammurabi (ca. 1759 v.Chr.), een groot koninklijk archief tevoorschijn gekomen. Veel van de gevonden teksten zijn brieven, die door beambten en magistraten uit heel het gebied van Mari aan koning Zimrilim zijn geschreven om hem en zijn hofhouding te informeren over alles wat er in zijn rijk gebeurde. De brieven hebben vooral grote bekendheid gekregen door de zogeheten profeten van Mari, die in meerdere opzichten aan de bijbelse profeten herinneren. Deze berichten over profetie en profeten maakten deel uit van de informatiestroom naar het koninklijk , die daar blijkbaar werd beoordeeld en verwerkt. Daar hoorden ook goddelijke boodschappen bij van allerlei profetische figuren, dromers, bezetenen, of ze nu voor of tegen de koning spraken, hem waarschuwden, onheil of heil verkondigden. Maar het is vaak niet de enige informatie die we in deze rapporten vinden. Ook zaken als, bijvoorbeeld, lokale conflicten, misoogsten, vijandelijke troepenbewegingen en migratie van nomaden passeren de revue. Hoe complexer een maatschappij is, hoe meer informatie nodig is om deze te besturen en de orde te bewaren. De schrijvers hielden vaak ook hun collega’s in de gaten en schroomden niet elkaar zwart te maken of zelf een wit voetje te halen bij de koning. In dat licht krijgen ook de bovengenoemde bijbelse brieven over profeten extra reliëf, ook al zit er meer dan duizend jaar tussen.

Militaire inlichtingen

Informatie over de vijand is altijd cruciaal geweest. Als David op de vlucht moet voor Absalom, vergeet hij niet het ‘verzet’ te organiseren en op de hoogte te blijven van de plannen van Absalom en de raad van Achitofel (2 Sam. 15:34vv). Verspieders of spionnen zijn van alle tijden – in de Bijbel (Gen. 42:9vv; Num. 13; Joz. 2:1; 1 Sam, 26:4), maar ook daarbuiten. In het verhaal van Ramses II over de slag bij Kadesj (1279 v.Chr.) wordt verteld hoe op zo’n tien kilometer van de stad twee bedoeïenen worden opgepakt, die meteen bekennen spionnen te zijn en vertellen dat het leger van de Hettieten nog ver weg is. Even later worden twee Hettitische verkenners gevangen genomen, die onder marteling bekennen dat de vijand al vlakbij is. Een typisch staaltje van desinformatie door de bedoeïenen, die de oorlog bijna desastreus voor Ramses II liet aflopen. Een interessant voorbeeld ten slotte vormen de Lachis-ostraka, op potscherven geschreven rapporten, gevonden in de stad Lachis. De meeste ervan blijken afkomstig van een officier Hosea en gericht aan zijn generaal Jaos te Lachis, op het moment dat het Babylonische leger tegen Juda en de versterkte steden van Juda optrekt en ten slotte het beleg om Jeruzalem slaat (587 v.Chr.). Dramatisch is de informatie van ostrakon 4 (lees daarbij Jer. 34:6-7):

JHWH moge mijn heer heden goed bericht laten horen. Welnu, aan alles waartoe mijn heer opdracht gaf, gaf uw knecht uitvoering. Ik schreef op het schrijfplankje alles waartoe mijn heer(?) opdracht gaf en wat betreft hetgeen mijn heer opdroeg over Bet Ha-Rapid, daar is geen mens. En wat betreft Samakjahoe, Semajahoe heeft hem meegenomen en zal hem naar de stad brengen. En uw knecht zal hem niet op [dit moment] daarheen zenden maar bij het aanbreken(?) van de morgen … En hij wete dat wij op de rooksignalen van Lachis letten overeenkomstig al de aanwijzingen, die mijn heer gaf, maar wij kunnen Azeqa (nu) niet zien

Satan

Heeft deze ontwikkeling van de bureaucratie ook zijn sporen nagelaten in het godsbeeld? Het behoeft geen betoog dat de hemelse hofhouding zelfs in Oud-Israël in veel opzichten een replica is van de aardse koninklijke hofhouding. De figuur van satan valt in dit metaforische kader niet eenvoudig te plaatsen. Men hem negatief duiden als een advocaat voor kwade zaken, maar het is evengoed mogelijk om hem in het verhaal van Job nog te zien in zijn rol als vizier, de hoogste beambte verantwoordelijk voor de orde in het rijk. Eigenlijk is de enige tekst in het Oude Testament waar men zijn rol negatief zou kunnen duiden 1 Kronieken 21:1. Hier is het satan (en niet de HEER zelf zoals in het parallelverhaal 2 Sam. 24) die David zou hebben aangezet tot een volkstelling. Het feit dat het om een late tekst gaat, waarin in zekere zin sprake is van een secundaire theologische correctie, lijkt ook voor een negatieve interpretatie te pleiten. Blijkbaar is hier de satansgestalte zozeer geëvolueerd dat hij zelfstandig als antigoddelijke macht optreden. Dit is zoals we hem ook kennen uit het vroege jodendom en christendom. Het is al lang een twistpunt in het onderzoek of het vroege jodendom zich op dit punt door het Parsisme op sleeptouw heeft laten nemen of niet. Hoe het ook zij, in de andere verhalen – zoals die van Bileam (Num. 22:22vv), Job of het visioen van Zacharia (Zach. 3:1vv) – hoeft dat nog niet het geval te zijn geweest. Daarin functioneert hij nog min of meer neutraal binnen het decor van een antieke godsvoorstelling: een engel te midden van de engelen in de hemelse raadsvergadering, niet meer, maar ook niet minder.

< Terug