< Terug

Stem geven aan kerkverlaters en kerkblijvers

‘Vrijgemaakten verliezen naar alle kanten’ kopt het Reformatorisch Dagblad op 22 september 2018. Janse noteert in dat artikel: ‘Zo’n 4000 à 5000 (doop)leden maakten daar de afgelopen tien jaar de overstap naar baptisten- en evangelische gemeenten, terwijl er nog geen 1000 de omgekeerde weg gingen.’ Twee jaar later noteren Meijer en Ter Horst in het Nederlands Dagblad op 12 juni 2020: ‘De Gereformeerde Kerken vrijgemaakt verloren de afgelopen drie jaar op rij tussen de 1600 en 2100 leden per jaar. (…) Helemaal verbazen doet het niet, in 2010 werd al een krimp voorspeld van vijftien tot twintig procent in 2025.’

Wat gebeurt hier in een kerkverband dat Dekker typeerde als ‘een karakteristiek gereformeerde groepering, die gekenmerkt wordt door een orthodoxe leer, een grote homogeniteit in opvattingen en gedragingen, een hechte groepsvorming en een eigen betrokkenheid op de samenleving’ (Dekker 2013, 23)?

In het voorgaande artikel in dit Handelingen-nummer ziet Wijma-van der Veen oorzaken van krimp in de vrijgemaakte kerken in een combinatie van secularisatie (macroniveau) en demografische ontwikkelingen (mesoniveau). Zij eindigt haar artikel met de aanbeveling om ‘… mensen die de kerk helemaal verlaten (…) te interviewen’. Dat is wat onderzoekers van het Praktijkcentrum hebben gedaan in het onderzoek: ‘Mijn kerk?! Onderzoek naar (stille kerkverlating) in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) anno 2018’ (Schaeffer 2018), nadat één van hen dit al had gedaan onder 450 jongeren en 125 kerkenraden (vgl. Slendebroek en Wijma 2011). Het in 2018 gerapporteerde onderzoek is mede aanleiding geweest voor het symposium ‘Mij niet meer gezien’, een studiedag over ‘Kerkverlating in perspectief’.

Het Praktijkcentrum is een instelling die opgericht is door de generale synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Onderzoekers hebben zich in hun onderzoek naar stille kerkverlating beperkt tot kerken binnen dit kerkverband. Desondanks is hun overtuiging dat resultaten van dit onderzoek ook herkenbaar zullen zijn voor andere kerken, vooral ook kerken met een vergelijkbaar profiel als deze kerken.

In dit artikel beschrijf ik het onderzoek, schets ik een deel van het conceptueel kader, en formuleer ik enkele conclusies en aanbevelingen voor pastores en leidinggevenden in deze en vergelijkbare kerken.

‘Mij niet meer gezien’: het onderzoek

In het Praktijkcentrum hebben we een onderzoek ontworpen naar initiatie, integratie, congregatie en contemplatie[2] van gemeenteleden in verschillende leeftijden binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Het onderzoek naar stille kerkverlating is in drie onderdelen uitgevoerd.

  1. Het vraagstuk van (stille) kerkverlating is eerst geplaatst in maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij is het vraagstuk voorzien van een kwantitatieve onderbouwing en analyse. Ten slotte is het vraagstuk geplaatst in het generatieperspectief. Op basis van het volledige conceptuele kader is het empirisch deel van het onderzoek ontworpen.
  2. Daarin hebben tien kerkverlaters deelgenomen aan diepte-interviews: vier van hen waren vrouw en zes van hen man. Zij hebben drie tot vijf jaar geleden hun kerk verlaten en zijn in twee stappen geselecteerd. Eerst is uitgegaan van geografische spreiding.
    Daarnaast is gezorgd voor variatie in omvang van deelnemende gemeenten: kleine, middelgrote en grote kerken. Hierbinnen zijn kerken willekeurig gekozen en predikanten daarvan hebben mensen benaderd. Dat heeft geleid tot deelnemers in deze leeftijdscategorieën: 15-25 jaar, 25-34 jaar, 35-44 jaar, 45-54 jaar en 55-65 jaar. Zij namen deel aan semigestructureerde interviews. We hebben geen contact gekregen met kerkverlaters van 65 jaar of ouder. De vier aspecten ‘initiatie, integratie, congregatie en contemplatie’ zijn geoperationaliseerd tot deze topics:
    • lid worden
    • erbij horen
    • de kerk(dienst)
    • lidmaatschap
  3. Daarnaast zijn groepsinterviews gehouden met gemeenteleden en ambtsdragers uit zes gemeentes met een persoonlijke affiniteit of interesse met het onderwerp. Deelnemers aan de groepsinterviews zijn afkomstig uit dezelfde gemeentes die zijn geselecteerd voor de interviews met kerkverlaters. In de groepsinterviews is onderzocht hoe deelnemers aankijken tegen kerklidmaatschap en kerkverlating. Ook deze interviews zijn semigestructureerd uitgevoerd.

Conceptueel onderzoekskader

Het vraagstuk naar kerkverlating is allereerst geplaats in actuele maatschappelijke ontwikkelingen. Het onderzoek God in Nederland (Bernts en Berghuijs 2016) concludeert onder meer dat steeds meer mensen de kerk verlaten, maar dat zij zich wel aansluiten bij andere groeperingen of in privésfeer nog religie uitoefenen. Een decennium later blijkt dit aantal teruggelopen te zijn. De redenen hiervoor zijn niet per se duidelijk. De kerk doet absoluut haar best om haar leden te behouden, maar soms lijkt het alsof het zand is dat tussen de vingers door glipt. Van der Ploeg (1985) stelde al decennia terug dat dit te maken heeft met secularisatie: het afnemen van religiositeit in de samenleving. Religie verdwijnt uit openbare ruimtes en wordt verbannen naar privésferen. Waar vroeger veel aspecten van het leven werden geregeld en gereguleerd door de kerk, is dat na de periode van ontzuiling niet meer het geval. Religie is nu een van de opties, naast vele andere (vgl. Taylor 2007; Knippenberg 1992).

Een gelovige kiest er steeds makkelijker voor om het ergens anders te zoeken

Ook Heitink (2007) beschreef factoren als afnemende sociale cohesie in de samenleving. Daarnaast stelde hij dat het individualisme toenam waardoor mensen niet per se meer deel willen uitmaken van een groep. Ten slotte zag hij een toename van consumentisme: mensen beoordelen de kerk zoals ze een recensie schrijven over een hotel. Zo bekijken zij de kerk ook: de preek, de liturgie, het kindermoment, of de muzikale begeleiding. Voldoen die niet aan persoonlijke voorkeuren of wensen, dan kiest een gelovige er steeds makkelijker voor om het ergens anders te zoeken.

Naast maatschappelijke ontwikkelingen zijn generatie-invloeden bekeken, zoals geschetst door Bontekoning (2010). Naast de gangbare indeling van ‘babyboomers’ tot ‘generatie Y’ geeft hij generaties ook aan vanuit cultuurvernieuwing: gedrag van generaties vanaf het moment van een innovatie. Voor dit onderzoek binnen de GKv is gekozen om het ontstaansmoment van de ‘vrijmaking’ in 1944, toen deze kerken zelfstandig verder gingen als afsplitsing van de Gereformeerde Kerken in Nederland, te beschouwen als punt van innovatie. Bontekoning zegt over deze generaties het volgende:

  1. De eerste generatie ontwikkelt een nieuwe levensstijl en worstelt met de implementatie ervan in een wereld met een andere overtuiging.
  2. De tweede generatie ontvangt deze nieuwe levensstijl en herhaalt deze bewust, met meer energie en zonder terughoudendheid.
  3. De derde generatie bevestigt de innovatie, maar creëert zelf niet; mensen gaan theoretiseren, (kritisch) reflecteren en spreken ironisch over de nieuwe levensstijl.
  4. De vierde generatie voelt zich niet meer thuis in de nieuwe levensstijl: ze ziet het als iets dat is geweest, ontwikkelt andere doelen en geeft zo vorm aan een nieuwe transitie.

Macro-ontwikkelingen en generatiedynamiek hebben de input geboden voor een conceptueel kader van waaruit de interviewresultaten zijn geïnterpreteerd.

Hoofdlijnen

Kijkend naar het geboortejaar van de geïnterviewden in relatie tot de Vrijmaking in 1944 hebben we gesproken met kerkverlaters in de tweede tot en met vierde generatie. Vanwege de gekozen strategie om te werken met predikanten die respondenten aandroegen, hebben deze geen eerste-generatie-kerkverlaters aangedragen of bereid gevonden. Wel is gesproken met een eerste-generatie-lid onder de kerkblijvers. Wat valt op in de interviews met kerkverlaters en kerkblijvers? In het team van onderzoekers concludeerden we vijf hoofdlijnen.

Initiatie, integratie, congregatie en contemplatie

Alle geïnterviewden zijn kerklid geweest vanaf hun jeugd. Hun ouders hebben hen opgevoed met een duidelijke verwachting dat hun kinderen na hun doop in de kerk belijdenis zouden doen en er zouden trouwen. In vrijwel alle gevallen zijn besluiten door ouders voor jongeren genomen. Integratie in de gemeente vraagt onvoorwaardelijke participatie, het ‘erbij horen’ blijkt voor respondenten een knelpunt. Zodra zij buiten de algemeen gedeelde kaders denken of uit de pas lopen, ervaren ze daar heel weinig ruimte voor.

Voor de geïnterviewden is de vorm van de kerkdienst op zichzelf vrijwel nooit een reden om de kerk te verlaten. Het komt vaker langs in combinatie met andere factoren: zich niet thuis voelen, het niet eens zijn met de opvattingen van de predikant, last hebben van onzorgvuldige communicatie, of het ontbreken van ruimte voor persoonlijke invulling van het geloof in de dienst. Anderen hebben twijfels over de inhoud van de kerkdienst. Enkelen gaven aan moeite te hebben met wat er wordt gezegd en beleden. Ze vragen zich dan af of je daar wel achter kunt staan. Ook zijn er twijfels over de veranderingen in de kerk, of aan het gebrek daaraan. Dan kunnen de kerk en de kerkdienst worden ervaren als ouderwets of vastgeroest, zonder aandacht voor de essentie. De kerkdienst kan dan de spreekwoordelijke druppel worden: ‘Als ik mij in de dienst niet meer thuis voel, waar dan nog wel?’

Als er dus sprake is van initiatie op grond van besluiten door ouders, van integratie die volledige overgave vraagt, en van congregatie waarin weinig ruimte is voor persoonlijke invulling of eigen spiritualiteit, lijkt het er bijna op dat contemplatie niet bereikt wordt.

Vervreemding in elke generatiegroep

Elke generatie voelt zich vervreemd van hun kerk, maar elke generatie wel op een andere manier.

Generatie 1 en 2 vragen zich af: ‘Is deze veranderende kerk nog wel mijn kerk?’ Hun kerk is zo sterk veranderd dat dit hen verwart en ze zich ontheemd kunnen voelen.
Generatie 3 merkt op: ‘Ik heb me nooit echt thuis gevoeld.’ In deze generatie heeft men de nieuwe levensstijl geleefd, vooral omdat hun ouders de besluiten voor hen namen, maar blijkt deze op latere leeftijd niet te passen bij de eigen spiritualiteit.
Generatie 4 stelt: ‘Dit is de kerk waarvoor ik (niet) ga!’ Authenticiteit is het kernwoord dat past bij deze generatie. ‘Mijn kerk? Daar moet ik dan wel helemaal achter kunnen staan.’ Soms resulteert dat in een sterke betrokkenheid, maar evenzeer in afscheid.

Overgangsfasen in mensenlevens

Respondenten uit alle generaties hebben overgangsfasen in hun leven gekend: opgroeien, puberteit, verhuizen, studeren, samenwonen of trouwen, kinderen krijgen of kinderen zien uitvliegen, pensioneren – momenten die geïnterviewden noemen waarop ze gaan revalueren: ‘In hoeverre voelen we ons nog betrokken bij onze kerk?’ Kerklidmaatschap wordt niet zelden kritisch beoordeeld met vertrek als gevolg.

Op scharniermomenten zijn pastorale presentie, zorg en aandacht van groot belang

Ruimte als kerkbegrip

Ruimte om op adem te kunnen komen. Maar ook ruimte om te kunnen participeren, ruimte waarin je gezien wordt en waarin jij je gaven tot uitdrukking kunt laten komen. Gebrek aan ruimte om het geloof op een eigen(tijdse) manier te delen, gebrek aan ruimte voor initiatief, voor eigenheid of twijfel: het zijn ‘ruimte’-gerelateerde opmerkingen waardoor mensen gegaan zijn. Een echo van de constatering die we in 2011 al deden: ‘Er is hier geen ruimte (meer (!)) voor mijn manier van geloven.’ Een constatering die kan leiden tot kerkverlating.

Diversiteit als kans

Geïnterviewden kunnen het vertrek van getalenteerde gemeenteleden als verlies ervaren. Gebrekkige ruimte beperkt gaven en talenten die niet binnen de kaders passen – waardoor de heersende cultuur nog verder versterkt wordt. ‘Het zijn vaak “de besten” die gaan’, verzucht een van de geïnterviewden. Ook al kan de zoektocht naar ruimte voor een individu verlammend werken, als er ruimte gevonden wordt kan dit de geloofsgemeenschap ook verder tot bloei brengen.

Generaliseerbaarheid

Het is de vraag in welke mate deze resultaten te generaliseren zijn. De uitkomsten van deze kleine groep respondenten zijn dat als zodanig niet. Wel kunnen de interpretaties hiervan, zoals hierboven geschetst, trends die uit ander onderzoek bekend zijn bevestigen. Zo blijkt in de GKv de daling in 2003 ingezet te zijn en deze versnelde de afgelopen jaren: het geboorteoverschot is nog steeds positief, maar kan het groeiend aantal kerkverlaters niet compenseren (vgl. Wijma-Van der Veen in dit nummer).

Verder geeft het onderzoek aanleiding om niet alleen naar de daadwerkelijke kerkverlaters te kijken, maar ook naar degenen die lid blijven. Over een ander klein kerkverband, de Christelijke Gereformeerde Kerken, schrijven Meijer en Ter Horst in het genoemde ND-artikel van 12 juni 2020: ‘[A]larmerend zijn de cijfers over de jongvolwassenen tussen de 21 en 27 jaar, van wie minder dan zestig procent nog naar de kerk gaat, [zo] bleek uit een synoderapportage begin dit jaar. Het kan maar zo zijn dat zij wel lid zijn en blijven, maar op grote afstand van de kerkelijke gemeente staan.’ De interpretatie van de interviews geven de onderzoekers aanleiding tot de veronderstelling dat als er in een kerk sprake is van een patroon van initiatie op grond van besluiten door ouders, van integratie die volledige overgave vraagt, en van congregatie waarin weinig ruimte is voor persoonlijke invulling of eigen spiritualiteit, dit in verschillende kerkverbanden tot vergelijkbare resultaten zou kunnen leiden.

Hoe nu verder?

Binnen de kerken waar het onderzoek is uitgevoerd, ligt de leiding van de lokale gemeente bij ambtsdragers: ouderlingen en predikanten. Zij kunnen knap verlegen zijn met stille kerkverlating en zich bevangen voelen door machteloosheid – pijn – hoop. Onderzoekers van het Praktijkcentrum hebben het beschreven onderzoek uitgevoerd om hen bij te staan.

Op basis van dit onderzoek heb ik enkele perspectieven geschetst om hun handelen richting te geven (Wijma 2020). Daarvan noem ik hier de vijf belangrijkste.

  1. Ken je gemeente. Breng de ontwikkeling van ledentallen van je gemeente in kaart. Veel kerken hebben daartoe de gegevens niet, maar het Praktijkcentrum kan van alle protestantse kerken in Nederland die hun gegevens registreren, inzichtelijk maken hoe het ledental zich ontwikkeld heeft vanaf de oprichting van de betreffende lokale kerk en wat de te verwachten ontwikkeling is. Er zijn gemeenten die groeien naast dat er gemeenten zijn die krimpen.
  2. Zorg voor elkaar als werkers in de kerk. Ben je pastor in een krimp-gemeente? Zoek dan steun bij andere werkers en bied elkaar ruimte voor verdriet, frustratie, machteloosheid. Deel je ervaringen en put hoop uit bronnen die voor jullie belangrijk zijn. Krimp door kerkverlating – zeker volgens een patroon zoals beschreven – is niet alleen een kwantitatief probleem maar vooral kwalitatief: begin als werkers met ruimte voor (groei in) jullie eigen spiritualiteit.
  3. Zorg voor de ziel. Voor veel van de respondenten verliep hun levensweg niet gladjes. Scharniermomenten in hun leven deden pijn. Pastorale presentie, zorg en aandacht zijn dan van groot belang. Het opmerkelijke is dat dit niets met kerkverlating te maken lijkt te hebben, behalve dat respondenten aangaven zich verweesd te voelen op dit soort momenten waar pastorale aandacht ontbrak en zij dus hun kerklidmaatschap gingen revalueren.
  4. Klimaat van verscheidenheid. Vrijgemaakte kerken zijn vast uniek in hun van oudsher sterke uniformiteit. Maar het zijn niet de enige kerken waar (jonge) mensen wegblijven.
    • Ontwikkel en oefen je als werkers in een klimaat van verscheidenheid – samen met (jonge) gemeenteleden die er (nog) zijn.
    • De wereld ontwikkelt zich in zo’n duizelingwekkend tempo – onderken wat dit doet met het verlangen van gemeenteleden.
    • Oefen je als werkers en gemeenten om hierin ruimte te scheppen voor verlangens – ook als die hemelsbreed verschillen.
  5. Kerk in context. Als uit het onderzoek ‘God in Nederland’ blijkt dat er nog steeds mensen zijn – zij het minder – die geloof en religie praktiseren in hun privéomgeving, zijn die er dan ook in de tijd en context van jullie kerkelijke gemeente? Wat doet er zich voor in jullie context? Hoe kunnen jullie dáár relevant zijn als kerk – om zó iets van Gods Licht te laten schijnen …?
Hayo (H.) Wijma MLD is als onderzoeker en coördinator onderzoek verbonden aan het Praktijkcentrum voor onderzoek en dienstverlening (www.praktijkcentrum.org). Daarnaast is hij docent Methodologie, praktische theologie en persoonlijke vorming aan de Theologische Universiteit Kampen.

Noten

[1] De begrippen zijn ontleend aan: Heitink, G.(2008). Een kerk met karakter. Tijd voor heroriëntatie. Heitink beschrijft een zoekontwerp waarbinnen hij zich oriënteert op kerk van de toekomst. Hij benoemt deze vier begrippen als functies van de kerk als gemeenschap. Daarnaast definieert Heitink ook vier doelen van kerk als organisatie (inculturatie, integratie, evangelisatie en organisatie) die we voor dit onderzoek buiten beschouwing laten. Het interessante van deze vier functies voor dit onderzoek is, dat de activiteiten van de kerk voor initiatie in de GKv-kerken sterk zijn geïntensiveerd en de daadwerkelijke initiatie lijkt af te nemen: voor participatie en congregatie is van alles bedacht; kerken die het afgelopen decennium aan onderling pastoraat, huiskringen of miniwijken zijn begonnen, zijn niet te tellen. Het lijkt er daarbij op dat dit alles gemeenteleden niet helpt aan passende vormen van contemplatie – zodat gemeenteleden ‘zoekers’-gedrag gaan vertonen en hun heil elders zoeken.

Literatuur

Bernts, T., Dekker, G. & Hart, J. de (1996). God in Nederland 1966-1996. Amsterdam: Ambo/Anthos.

Bernts, T. & Berghuijs, J. (2016). God in Nederland 1966-2015. Utrecht: Ten Have.

Bontekoning, A.C. (2010). Het generatieraadsel. Ontdek de kracht van generaties. Amsterdam: Mediawerf.

Dekker, G. (2013). De doorgaande revolutie. De ontwikkeling van de Gereformeerde Kerken in perspectief. Barneveld: De Vuurbaak.

Heitink, G. (2007). Een kerk met karakter. Tijd voor heroriëntatie. Kampen: Kok.

Janse, C. (2018). Naar een andere kerk. Reformatorisch Dagblad. Geraadpleegd op 15 juni 2020. https://www.rd.nl/kerk-religie/naar-een-andere-kerk-1.1514695

Knippenberg, H. (1992). De religieuze kaart van Nederland. Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindte vanaf de Reformatie tot heden. Assen: Van Gorcum.

Meijer, H. & Horst, G. ter (2020). Een overzicht van de ledenaantallen. Veel kerken in de min, met af en toe een plus. Nederlands Dagblad. Geraadpleegd op 2 juli 2020. https://www.nd.nl/geloof/geloof/977075/een-overzicht-van-de-ledenaantallen-veel-kerken-in-de-min-met-af

Ploeg, J.D. van der (1985). Het lege testament. Een onderzoek onder jonge kerkverlaters. Franeker: Van Wijnen.

Schaeffer, H. (2018). Mijn kerk?! Onderzoek naar stille kerkverlating in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) anno 2018. Zwolle: Praktijkcentrum. Gedownload via: https://docplayer.nl/135123017-Mijn-kerk-onderzoeknaar-stille-kerkverlating-in-de-gereformeerde-kerkenvrijgemaakt-anno-2018.html op 15 juni 2020.

Slendebroek, J. & Wijma, H. (2011). Jong, (goed)gelovig en kerk. De rol van het kerkelijk leven in de belevingswereld van jongeren. Zwolle: Centrum voor Samenlevingsvraagstukken. Gedownload via: http://docplayer.nl/20678381-Jong-goed-gelovig-kerk-de-rol-van-hetkerkelijk-leven-in-de-belevingswereld-van-jongerenjeannette-slendebroek-msc-hayo-wijma-mld.html op 15 juni 2020.

Taylor, Ch. (2007). A Secular Age. Harvard UP: Cambridge.

Wijma, H. (2020). Hoopvolle lente. Gods nieuwe wereld laten zien. Dienst. Toerusting van werkers in de kerk 2

< Terug