‘Ratio & contemplatio’ in Kants filosofische aantekeningen

Deze bijdrage is een poging om een stukje filosofie van Immanuel Kant over ‘ratio en contemplatie’ te benaderen vanuit een theologisch gezichtspunt en het zogeheten ‘transcendentale systeem’ als zodanig te interpreteren. Dit systeem zet hij uiteen in zijn ‘Kritik der reinen Vernunft’ (1781), het dogma van de vrije redenering: Kants epistemologie van de vrijheid.

Voor de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) is contemplatie een methode die mensen de werkelijkheid en het verstaan van de werkelijkheid leert inzien en niet iets wat mensen nader tot God brengt, zoals contemplatie in onze tijd wordt opgevat. Maar, zo zal ik laten zien, dit betekent niet dat contemplatie een exclusief seculiere methode is voor Kant.

Daartoe parafraseer ik een korte tekst van hem om de volgende stelling te toetsen: de meest waarachtige (vrije) manier om de werkelijkheid te verstaan is door het beschouwen of contempleren van de gemeenschappelijke ervaring, waardoor wij, samen met anderen, de wereld – het hier en nu – laten bestaan.

De tekst die ik hier bespreek maakt deel uit van de Duisburgse manuscripten, de Duisburg Nachlass (DN). Dit is een verzameling van tien postuum gepubliceerde beschouwingen die Kant in 1775 als privé-notities opschreef op de achterkant van een uitnodiging voor een bijeenkomst die hij ontving van J.H.F. Bertram.

De DN behoort tot de vier schetsen over ‘transcendentale deductie’ (contemplatio). Het is geschreven tijdens de periode die in Kants studies bekend staat als het ‘stille decennium’. In die tijd publiceerde de Duitse filosoof geen wetenschappelijke boeken, maar legde zich toe op het bijschaven van zijn ideeën over metafysica en epistemologie. Maar onproductief was hij zeker niet: het resultaat van dit stille decennium is een grote hoeveelheid correspondentie, manuscripten en hoorcolleges.

Contemplatie als zuivere vorm van waarneming

Een van deze notities is Overdenking 4684, die gaat over de rationele psychologie (ratio). Hier volgt een parafraserende werkvertaling van een gedeelte van deze Overdenking.

[…] Een voorwaarde om zichzelf als denkend wezen te kunnen constitueren is onvermijdelijk: de eenheid in ervaring. Op deze manier vindt een verbinding plaats in de veelvoudige natuur waaruit de werkelijkheid is samengesteld.

We kunnen twee denkwijzen afleiden uit deze oefening om alles wat wij waarnemen met elkaar in verband te brengen: ondergeschiktheid en coördinatie. Deze twee modaliteiten worden gevolgd door twee vormen van actie van het denken, namelijk: waarneming en begrip; of duidelijker, het verschil tussen weten en denken. Het eerste heeft te maken met het subject en het tweede met het object, want de werkelijkheid is deels wat wij zijn, en deels wat wij niet zijn.

Het eerste noemen we de ondergeschiktheid van het fenomeen en het tweede coördinatie. In waarneming verschijnt het ik als een a priori voorwaarde van ervaring, in begrip daarentegen is het de representatie van de wereld. Dit veronderstelt dat wij in de eerste actie van het denken, de waarneming, de werkelijkheid bedoelen: alles is wat wij op de een of andere manier willen wat het is. Bij het begrijpen daarentegen worden wij bepaald door de vorm van representatie die onvermijdelijk botst met onze perceptie van de wereld.

Deze twee modaliteiten of begripsmethoden functioneren onder twee verschillende tijdsomstandigheden, namelijk wat het object oplegt en wat ons door de geest wordt opgelegd. In deze tweestrijd van ongelijktijdigheid is de contemplatie een vorm die deze twee activiteiten van kennis van de wereld overstijgt, aangezien de contemplatie – een zuivere vorm van waarneming – een parenthese zoekt, een opschorting van het oordeel dat ons in staat stelt aandacht te schenken aan de bewegingen van het bewustzijn op het moment dat wij ons rekenschap geven van de werkelijkheid, omdat alle objecten van de werkelijkheid in ons hun oorsprong vinden.

Men is het erover eens dat dit fragment de mogelijkheid van empirische kennis tracht te verklaren. Dit betreft een feitelijke verificatie van de wereld ver van de metafysica. Kants opvatting van ‘ervaring’ is een proces, waarin de veelvoud van fenomenen een conceptuele eenheid vormen. De noodzakelijke eenheid van een denkend subject bestaande uit de relaties die zich voordoen tijdens de momenten van waarneming en begrip blijkt het hoogtepunt van zijn annotaties te zijn.

De vraag die nu opkomt is: wat is er vóór het denkende subject? Welke verklaring ondersteunt de opvatting dat menselijke wezens, zonder uitzondering, in staat zijn kennis te produceren en te vergroten? Het antwoord is eenvoudig: God was het enige wezen dat in staat was ideeën te scheppen en deze vervolgens aan de mens te openbaren.

Bij Kant is er een dramatische breuk in het argument, niet alleen over God, maar over wat God veronderstelt, namelijk waarheid. God was eeuwenlang een soort wild card om te kunnen verklaren wat de menselijke rede niet bevatten kon. Het onverklaarbare was het werk van goddelijke wijsheid.

Het werk van Immanuel Kant kan beschouwd worden als een oplossing voor de klassieke tegenstelling tussen het rationalisme en empirisme in de filosofie. Kort gezegd komt deze tegenstelling erop neer dat respectievelijk sommige filosofen stellen dat kennis gebaseerd moet zijn op het denken, terwijl anderen stellen dat kennis voornamelijk uit de concrete ervaring voort moet komen. Kant ‘verzoent’ beide posities. Kennis kan inderdaad niet tot stand komen zonder gebaseerd te zijn op ervaring. Anderzijds kan ervaring ook niet bestaan zonder het denken. Het is de zuivere rede die instaat voor bepaalde basiscategorieën (zoals substantie of oorzakelijkheid), waardoor de mens pas in staat is tot het hebben van een gestructureerde ervaring. Algemene principes van het denken zijn dus de mogelijkheidsvoorwaarden voor gestructureerde ervaring, die op haar beurt weer (samen met deze categorieën) instaat voor concrete kennisoordelen (over objecten in de wereld).

Ruimte voor een denkend subject

Er zijn verschillende denkers met een aan Kant parallelle manier van denken. Onder hen behoorde Leibniz tot de meest vooruitstrevende. Volgens hem waren de ‘substanties’ niet alleen door God geschapen, maar ook intrinsiek zo ontworpen dat zowel hun bestaan als hun transformatie afhing van een goddelijke wet. Deze werkt als een ondersteunende en transformerende kracht wat betreft vorm en inhoud van de substanties, ongeacht wat het was of van welke orde het afkomstig was. Tot hiertoe komt het denken van Leibniz overeen met Kant. Pas wanneer Leibniz zijn idee van ‘handel’ of onderhandeling tussen substanties uitlegt, neemt Kant drastisch afstand van deze metafysische verklaring.

Voor Leibniz verhouden de substanties of monaden zich tot elkaar op een georganiseerde en harmonische manier. Zo zijn ze in staat om te voldoen aan het doel waarvoor ze door God zijn geschapen. Zo lijkt er in de Leibniziaanse wereld geen conflict te zijn, omdat alle substantiële veranderingen van de werkelijkheid voortkomen uit een onnavolgbare goddelijke wetmatigheid. Kant stemt gedeeltelijk in met deze theologische aanpak wat betreft de wetmatigheden die de werkelijkheid ordenen, maar herpositioneert ze. Hij neemt afstand van de stelling dat de substanties (inclusief de denkende substantie, belangrijk voor het betoog hier) onafhankelijk en geïsoleerd van elkaar functioneren, elk met een eigen wetmatigheid, zoals Leibniz veronderstelde. Dit ondermijnt namelijk elke mogelijkheid tot het objectiveren van de voorwaarden van de werkelijkheid, te weten: tijd en ruimte.

Volgens Kant dagen alle ‘substanties’ Gods soevereiniteit uit en transformeren ze zich oneindig in relatie tot elkaar

Kant verplaatst deze theologische visie daarom naar het exclusieve bereik van de empirische wetmatigheden. Alle substanties zijn, volgens hem, geordend door een goddelijke universele wet, maar ze dagen tegelijkertijd de soevereiniteit van God uit in hun vorm en inhoud. Dat wil zeggen, de substanties zijn niet langer een weerspiegeling van de superieure wil, maar zijn op niet te onderscheiden wijze in de wereld aanwezig en transformeren zich oneindig in relatie tot elkaar.

Zo creëert Kant ruimte voor een denkend subject, dat door de ervaring van deze fenomenen, de veelvoud aan mogelijke verhoudingen die in de werkelijkheid plaatsvinden op elkaar betrekt en interpreteert. Zo kan een mens zich rekenschap geven van de wereld, van zichzelf en alles wat hij of zij weet. En dit kan, volgens Kant, alleen in de methode van verstaan: de contemplatie van het zelf als een onderdeel van het geheel.

Monaden zijn de talloze substanties waaruit de werkelijkheid volgens Leibniz bestaat. Ze zijn immaterieel en hebben onderling geen enkele wisselwerking. God is de hoogste monade: het heeft de andere met elkaar in harmonie geschapen.

Contemplatie als methode van verstaan

Dit idee van de monadische wereld was aanvankelijk natuurlijk niet geliefd vanwege zijn nieuwheid en zijn diepgaande implicaties. Maar het was juist de zoektocht om deze visie op de wereld te ondersteunen die zich in de loop van de tijd zou ontwikkelen tot het kritische project van Kant, dat zou culmineren in zijn Kritik der reinen Vernunft. Maar: wat is nu dit denkende subject? Is dat hetzelfde als het transcendentale subject? Waarom wordt contemplatie door Kant gezien als een methode van verstaan?

Kant beschouwt inderdaad het denkende subject als een transcendentaal subject. Dit sluit van meet af aan de mogelijkheid uit om deze opvatting van het subject te verbinden met die van een empirisch of psychologisch subject. Hiermee verwierp Kant de visie van Hume op het subject als een subject waarop alle empirische indrukken inwerken en waarin alle ideeën hun oorsprong vinden in de empirische werking van de gewaarwordingen die het subject troffen.

Het transcendentale als een plaats die vrij is van het chaotische lawaai van de wereld

Kants denkende subject was niet empirisch, in die zin dat het geen subject was dat zich uitsluitend bezighield met de indrukken die hem of haar worden meegedeeld door zijn psyche of lichaam. Voor Kant kon het eindstadium van het tot stand brengen van de werkelijkheid niet enkel berusten in de buitenwereld en haar roerigheid. Dit zegt reeds veel over de analogie met zuiverheid, die Kant vasthoudt voor de ontwikkeling van het bereik van het transcendentale, dat hij ziet als een plaats die vrij is van het chaotische lawaai van de wereld.

Twee bewijzen

Zo lijkt Kant in de Duisburg Nachlass te aanvaarden dat dit subject op twee manieren kan worden bewezen: de eerste heeft te maken met de relatie met de wereld van de ervaring. Hier moet ervaring echter niet worden opgevat op de wijze van Hume. Integendeel, de ervaring is hier een synthese, waarin validatie van verstaan plaatsvindt door middel van het conceptualiseren van de gegevens die door de zintuigen worden aangeboden. Daaruit volgt dus dat alleen een denkend subject in staat is tot deze methode van verstaan, een subject dat de representatie van de voorstellingen van de zintuiglijke wereld valideert en legitimeert.

Een tweede bewijs heeft te maken met de waarneming van de werkelijkheid of de mate van bewustzijn die het subject heeft van zichzelf en van wat er gebeurt met zijn verstaan gedurende de ervaring. Hier moet contemplatie begrepen worden als een methode gericht op wat het meest eigen is aan het weten: wijzelf moeten ons eraan blootstellen het object van de blik te zijn. In tegenstelling tot dieren bezit de mens het vermogen om alles wat zich aan hem of haar voordoet in begrippen en regels onder te brengen. En dat niet alleen: om deze associaties in de loop van de tijd in stand te houden is de mens in staat ze te conserveren, ze complexer te maken en ze te valideren met de ervaring. Het is dus de handeling van het toekennen van een graad van waarachtigheid (waarschijnlijkheid), het resultaat van iemands eigen contemplatie, van de waarneming. Dit is waar transcendentale deductie uit bestaat. Vandaar dat voor Kant een subject noodzakelijk is dat neigt naar totale eenheid in tijd en ruimte; een subject dat zich bewust is van de handelingen van zijn eigen verstaan en van de vermogens waarmee hij elke waarneming beoordeelt en recht doet. Zo worden de tegenstellingen tussen rede en contemplatie bij Kant organisch opgelost.

Actieve vorm van contemplatie

Samenvattend is het denkend subject of het transcendentaal subject dat idee waardoor Kants kritische project houdbaar wordt. Namelijk, omdat een transcendentaal subject de universele bevestiging van de ervaring mogelijk maakt. Deze wordt vervolgens gevalideerd door het verstaan en kan tussen mensen, tijden en plaatsen bevestigd, geverifieerd en herhaald worden.

Vanuit deze notie van verstaan, wat opgevat zou kunnen worden als een actieve vorm van contemplatie, wordt niet alleen het grootste en meest ambitieuze epistemologische programma van de moderniteit opgestart, maar het garandeert ook dat kennis kan zegevieren over elke vorm van dogmatisme, aangezien zij altijd rekenschap moet afleggen van de validatie van de ervaring.

Vertaling uit het Spaans: Alexander Morea-van Berkum en Nienke Pruiksma

Alexander Morea-van Berkum is een Colombiaanse theoloog. Hij woont in Nederland en is betrokken bij verschillende kerkelijke projecten. Hij is redactielid van TussenRuimte.

Tags:

Meer Systematische theologie