< Terug

Teleurgesteld in de kerkelijke gemeenschap. Lessen trekken uit pionierservaringen

Het is opvallend dat kerkverlaters soms ook kerkelijke pioniers zijn die een gebrek aan gemeenschap ervaren binnen hun ‘nieuwe pioniersgemeente’. Vanuit een onderzoek naar ‘kerkbeelden bij praktijken van missionaire gemeenschapsvorming’ wordt lering getrokken voor kerkgemeenschappen die te kampen hebben met kerkverlating.

‘Er zijn honderd smaken kerkverlaters. Marie ging weg omdat haar kerk homofoob was. Geef haar eens ongelijk. Rutger vertrok toen hij de evolutietheorie had leren kennen. Had hij in de kerk nog nooit van gehoord. Cees was van 1974 tot 2003 penningmeester, maar er is iets gebeurd in een vergadering over het kerkgebouw waardoor hij nooit meer een stap in een kerk zal zetten. We zullen nooit weten wat, want van zijn vrouw mag hij er niet over praten in verband met zijn bloeddruk. Anna verveelde zich elke zondagochtend stierlijk, Jimmy las thuis theologische boekjes en werd te slim voor de dominee. Stefan kreeg kanker en weinig kerkelijke steun, Barend speelde sinds zijn jeugd piano, maar werd vervangen door een aanbiddingsleider met een oorbel. Ina probeerde haar traditionele kerk net zolang evangelisch te maken tot ze er zelf een burn-out van kreeg. Jesper en Anne groeiden op als provinciale vrijgemaakt-gereformeerden, ontmoetten elkaar als Utrechtse studenten in een midden-orthodoxe kerk en vormen inmiddels een niet-kerkgaand gezinnetje in Amersfoort. Ze weten eigenlijk niet waarom.’ (Verheij 2019)

Alain Verheij schrijft over kerkverlating op het online platform Lazarus en benoemt een heel aantal redenen om de kerk te verlaten. Opvallend is dat de meeste van deze redenen te maken hebben met de gemeenschap van de kerk en minder met het verlies van geloof in God. Mensen raken teleurgesteld in elkaar, voelen geen verbinding of krijgen ruzie; het zijn stuk voor stuk belangrijke redenen om de kerk te verlaten. Kerkverlating lijkt vaak veel te maken te hebben met de ervaring dat gemeenschap ontbreekt.

Het is opvallend dat kerkverlaters niet alleen mensen zijn die teleurgesteld zijn in de bestaande kerken, maar dat ook kerkelijke pioniers soms een gebrek aan gemeenschap ervaren binnen hun ‘nieuwe pioniersgemeente’ en wanneer dat gebeurt sneller afhaken (vgl. Paas en Schoemaker 2018, 371-372). Dat is vreemd, omdat veel pioniersprojecten gestart zijn vanuit een verlangen naar gemeenschapsvorming veelal door mensen die teleurgesteld waren in de gemeenschapszin in bestaande kerken. Men zou verwachten dat gemeenschapszin creëren makkelijker is wanneer een gemeenschap vanaf de grond wordt opgebouwd en dus dat pioniers wellicht allerlei moeilijkheden tegenkomen, maar juist op het gebied van het ervaren van gemeenschapszin een streepje voor hebben op ‘gewone’ kerkleden.

Toch blijkt dat in mijn onderzoek naar kerkbeelden bij praktijken van missionaire gemeenschapsvorming vaak niet zo te zijn. Ook pioniers ervaren vaak en veel een gebrek aan gemeenschapszin. In dit artikel, gebaseerd op mijn genoemde onderzoek, ben ik op zoek naar de achtergronden voor dit ervaren gebrek aan gemeenschapszin. Daarvoor kijk ik eerst naar theologische overtuigingen over kerk-zijn in evangelisch-protestants denken en de gevolgen van deze overtuigingen voor de (pioniers)praktijk. Daarna probeer ik vanuit de missiologie andere accenten te leggen in het denken over de kerk vanuit de missio Dei-theologie. Ten slotte geef ik aanzetten om te doordenken welke gevolgen deze missio Dei-theologie zou kunnen hebben op het gebied van het ervaren van gemeenschap voor zowel pionieren als ook voor bestaande kerken.

Theologische overtuigingen over de gemeenschap

Hoe komt het dat mensen zo vaak teleurgesteld zijn in de kerkgemeenschap? Daar zijn verschillende redenen voor die te maken hebben met overtuigingen, beelden of ideeën die mensen hebben. Ik noem hier eerst een meer sociologische notie, en daarna twee meer theologisch gekleurde overtuigingen die wellicht meespelen.

Te hoge verwachtingen

De socioloog Zygmunt Bauman stelt dat het woord gemeenschap veel positieve connotaties bij mensen oproept. Iedereen wil wel lid zijn van een gemeenschap waarin je jezelf kunt zijn en gezien wordt. Gemeenschap is iets waar iedereen naar verlangt. Bauman beschrijft het als volgt:

‘In short, ‘community’ stands for the kind of world which is not, regrettably, available to us – but which we dearly wish to inhabit and which we hope to repossess. Community is nowadays another name for paradise lost – but one to which we dearly hope to return, and so we feverishly seek the roads that may bring us there. It is not a paradise that we know from our own experience. Perhaps it is paradise precisely for this reasons.’ (Bauman 2001, 3)

De gemeenschap waar mensen naar verlangen is iets anders dan de gemeenschap die daadwerkelijk bestaat. Een concrete gemeenschap waarvan we deel uit kunnen maken, kan nooit helemaal ons verlangen vervullen, want een dergelijke gemeenschap biedt bijvoorbeeld wel veiligheid, maar vraagt daar als prijs vrijheid voor. Terwijl mensen beide nodig hebben, zowel veiligheid als vrijheid. Gemeenschap is nooit perfect. Een menselijke gemeenschap waarin men volledig gehoord, gezien en geaccepteerd worden en waarin men volledig zichzelf is, bestaat nergens.

Abstract en idealistisch

Een iets andere reden waarom mensen teleurgesteld raken in de gemeenschap van de kerk, is een meer ‘theologische’. Ook theologen hebben immers steeds weer de neiging gehad om de kerk te idealiseren. Om dat duidelijk te maken moeten we wat dieper ingaan op de ideeën die er leven rondom kerk in de (missionaire) ecclesio logie en de kritiek die hierop gekomen is.

In ecclesiologische literatuur worden doorgaans gemakkelijk allerlei grote woorden gesproken over de kerk: ‘de kerk is de gemeenschap der heiligen’, ‘een morele gemeenschap’, een ‘contrast-gemeenschap’ of ‘voorsmaak, instrument en teken van het Koninkrijk van God’. Deze benamingen zijn prachtig en voor velen inspirerend, maar ook vaak idealistisch en ietwat abstract. De ecclesioloog Nicholas Healy (2000, 3) zegt:

‘[I]n general ecclesiology in our period has become highly systematic and theoretical, focused more upon the right things to think about the church rather than orientated to the living, rather messy, confused and confusing body that the church actually is. It displays a preference for describing the church’s theoretical and essential identity rather than its concrete and historical identity.’

De kerk is volgens Healy een menselijke gemeenschap en daarom níet perfect. Juist die ‘menselijke’ kerk is Gods kerk, zegt hij, zij is door de Geest gevuld en gericht op Christus en door Hem op de Drie-ene God (vgl. Healy 2000, 66). Healy verzet zich hiermee dus tegen de vaak idealistische en abstracte ecclesiologische manier van spreken. Hij roept op de concrete kerk in al haar gewoonheid en rommeligheid meer serieus te nemen. Dat Healy’s verzet tegen te idealistisch spreken over de kerk hout snijdt, laat Daniël Drost zien in zijn proefschrift over de missionaire theologie van de anabaptist John Howard Yoder (1927-1997). Drost legt deze theologie naast verschillende missionaire en monastieke initiatieven in de praktijk en concludeert:

‘On the one hand ideals are very inspiring, but on the other hand, because of their inaccessibility they are in danger of violent or exhausting tendencies.’ (Drost 2019, 310)

Functionalistisch

In evangelisch-protestantse gemeenschappen is er, naast het probleem van de abstractie en het idealisme in de overtuigingen over de kerk, nog iets anders aan de hand. In veel nadenken, schrijven en spreken over de kerk is er aandacht voor de gemeenschap van de kerk, voor haar taken en haar ethiek, maar ‘als de kerk ergens een ‘exclusief verkoopargument’ heeft, dan ligt dat niet in een moraal, in ethiek of in de kwaliteit van haar handelen, maar uiteindelijk in haar diepe verbondenheid met Jezus Christus’ (Dijkstra-Algra en Stoppels 2017, 14). En juist over de wijze waarop Jezus Christus wordt beleefd en beleden, hoe Hij Goed Nieuws is voor de wereld en de kerk (toch cruciale vragen voor een kerk in een geseculariseerde wereld), wordt veel minder gesproken. In het algemeen kunnen we concluderen dat er in missionair-ecclesiologische publicaties:

‘vaak weinig expliciete aandacht [is] voor wat ‘heil’ is, terwijl in de zending de vraag naar ‘heil’ een kernvraag is’ (Dijkstra-Algra en Stoppels 2017, 17).

Het ontbreken van aandacht voor wat heil precies is doet in veel evangelisch-protestantse gemeenschappen spanning ontstaan tussen de opvattingen over heil en die over gemeenschap. Want hoewel er vaak en veel gepraat wordt over de gemeenschap van de kerk, zijn de heilsopvattingen in deze gemeenschappen voornamelijk individueel en is de persoonlijke relatie met Christus het uitgangspunt. En als de opvattingen over het heil voornamelijk individueel zijn, wat is dan nog de aard en functie van de gemeenschap in Gods heilsplan? Is de gemeenschap niet meer dan een vereniging van gelovigen en een instrument om persoonlijke bekeerlingen te maken?

Stefan Paas legt in zijn boek Pilgrims and Priests (2019) uit dat wanneer het heil voornamelijk opgevat wordt als het persoonlijk belijden van Jezus als Heer, de kerk als gevolg daarvan in feite onnodig is geworden. Hij stelt met betrekking tot dergelijke opvattingen:

‘[S]alvation has already happened between God and the individual; membership of a church does not make an essential difference.’ (Paas 2019, 191)

Door de nadruk op individuele redding wordt de noodzaak tot het bedrijven van zending en kerkgroei groter (immers ieder mens zal zich individueel moeten bekeren), maar wordt de rol van de kerkelijke gemeenschap pragmatisch en functionalistisch.

Gevolgen voor de praktijk

De gevolgen van dergelijk abstract, idealistisch en functionalistisch denken over de kerk zijn best groot. Ik noem er drie, afkomstig uit mijn eigen onderzoek en kijk daarna ook kort naar de gevolgen van dit denken voor problematiek rondom kerkverlating.

Gevolgen voor pionieren

Een eerste gevolg van deze manier van denken over de kerk is in de praktijk van het pionieren: uitputting. Een pionier begint met zijn team een kerkplek in een achterstandswijk van een grote stad. Hij komt er door gesprekken met andere professionals in de buurt al snel achter dat veel hulpverleners het werk in de wijk maximaal een jaar uithouden en dat ze er heel strikte rol- en taakopvattingen op na houden. Ze uiten dingen als: ‘Ik werk alleen tussen 9.00 uur en 17.00 uur’ en: ‘Daar doe ik niks mee want dat is niet mijn verantwoordelijkheid, daarvoor moet je bij een ander zijn’. De pionier besluit dat het belangrijk is dat de nieuwe kerkelijke gemeenschap permanent aanwezig is in de wijk en dat ze voor bewoners makkelijk benaderbaar moeten zijn, met elk probleem op elk tijdstip van de dag. Immers, God is er ook altijd en bij Hem kan een mens ook altijd met alles terecht. De pionier en zijn team gaan vol goede moed aan de slag, ze verhuizen naar de wijk, zijn veel aanwezig op allerhande activiteiten en tonen zich een luisterend oor. Maar wanneer de pionier na verloop van tijd voor de zoveelste keer door een dronken buurtgenoot uit zijn bed wordt gebeld, begint de uitputting toe te slaan en wordt hij gedwongen opnieuw na te denken over het stellen van grenzen. Het ideaal van de kerk als plaats waar je altijd terecht kunt, blijkt prachtig te zijn, maar in deze wijk niet haalbaar. Zodra de pionier en zijn team zich dat realiseren slaat de uitputting pas echt toe en voelen ze zich overspoeld door de ellende van de wijkgenoten.

Een ander gevolg van het hebben van een te abstract, idealistisch en functionalistisch beeld van de kerk is bij pioniers: verwarring, en uiteindelijk soms ook het verliezen van het eigen geloof. In de bestudeerde gemeenschappen zag ik dat ook gebeuren. Hoe meer de pioniers omgeven worden door mensen die onwetend, onverschillig en soms zelfs vijandig zijn tegenover het geloof en kerk, hoe vaker ze zich gaan afvragen: ‘Hoe relevant is het geloof en zeker de kerk eigenlijk, ook om er iets van over te dragen aan anderen?’ Veelvuldig contact met andersdenkenden laat veel christenen in een geseculariseerde wereld zien dat zij zelf soms ook geen duidelijk antwoord kunnen geven op de vraag waarom geloven relevant zou zijn.[1] Vervolgens is de vraag naar het ‘waarom’ van de kerk helemaal moeilijk te beantwoorden, zeker wanneer men er ten diepste een heel functioneel en pragmatisch beeld van heeft.

Een laatste gevolg van een abstract, idealistisch en functionalistisch beeld van de kerk, verbonden aan het tweede voorbeeld, is dat gemeenschap weliswaar steeds opnieuw sterk benadrukt wordt maar dat onduidelijk is waarom dat gebeurt. Uiteindelijk is, zoals we al zagen, de gemeenschap voor veel evangelischen en protestanten helemaal niet zo belangrijk. Het draait om het hebben van een persoonlijke relatie met God en de gemeenschap is op zijn best een instrument waardoor die relatie verder kan groeien of een manier waarop ook anderen bereikt kunnen worden. Wanneer echter de gemeenschap geen waarde heeft in zichzelf, maar er wel steeds gezegd wordt dat de kerkelijke gemeenschap heel belangrijk is, dan ontstaat er een oneigenlijke druk op het participeren in de gemeenschap. Er wordt veel waarde gehecht aan meedoen, aanwezig zijn en je inzetten terwijl die dingen eigenlijk alleen in afgeleide zin iets te maken hebben met ‘geloven’.

Gevolgen voor kerkverlating

Naar mijn mening zien we ook in het debat over kerkverlating de gevolgen van een abstract, idealistisch en functionalistisch beeld van de kerk.

In evangelisch-protestantse kerken wordt meestal vanuit het ideaal gesproken en gedacht over de kerk. Mensen horen over de ‘gemeenschap der heiligen’, over voor elkaar zorgen en naar elkaar omzien, over het delen van geloof en leven, over ‘thuiskomen’ en ‘het huisgezin van God’. Dat zijn geen verkeerde termen, sterker nog, ze zijn vaak bijbels en inspirerend. Toch doen kerkmensen er goed aan zich te realiseren dat dergelijk spreken over gemeenschap en de kerk een hoog idealistisch karakter heeft en vaak niet lijkt te passen bij wat mensen daadwerkelijk ervaren aan de kerk. En wanneer mensen aan de ene kant steeds idealistische verhalen horen over wat het is om kerk te zijn en daarnaast zelf ook erg verlangen naar een dergelijke gemeenschap om bij te horen, maar ze zien weinig van die gemeenschap in hun dagelijks leven, dan is het niet vreemd dat zij teleurgesteld afhaken.

Bovendien draait het in de evangelischprotestantse traditie vaak meer om de persoonlijke relatie van een mens met God, dan om de gemeenschap. Dat maakt dat de druk die men vanuit de leiding van deze gemeenschappen vaak uitoefent om vooral mee te doen, je in te zetten en aanwezig te zijn voor mensen, als oneigenlijk kan voelen. Want wanneer het ten diepste draait om mijn persoonlijke relatie met God, waarom zou ik me dan moeten inzetten voor de kerk? Ik kan toch ook op mijn eigen manier geloven? Ook maakt deze nadruk op individueel geloof dat iemand die teleurgesteld is in de gemeenschap omdat die niet is wat hij gelooft dat die zou moeten zijn, makkelijk afscheid kan nemen. Immers de gemeenschap is niet noodzakelijk voor de relatie met God. Dit maakt dat een groep teleurgestelde christenen op drift raakt, steeds op zoek naar een gemeenschap die nog beter past bij het ideaal dat men zichzelf gevormd heeft, om steeds weer tot de conclusie te komen dat ook deze gemeenschap niet ideaal is.

Missio Dei-theologie en praktijk

De in evangelisch-protestantse kring gangbare wat abstracte, idealistische en functionalistische manier van kijken naar de kerk leidt dus tot problemen als het gaat om het ervaren van ‘gemeenschap’. De vraag is nu of we vanuit de missio Dei-theologie het denken over de kerk zo kunnen verhelderen dat concrete ervaringen van mensen rondom gemeenschap meer in beeld komen en ook dat gemeenschap een minder functioneel en meer essentieel onderdeel wordt van het kerkbegrip. In de praktijk van de door mij onderzochte pioniers spreekt en denkt men veel over de missio Dei. Deze theologie lijkt enige correctie te kunnen bieden op bovenstaand gedachtegoed.

In de geschiedenis van de zending en missiologie is de missio Dei-theologie opgekomen om tegenover de te grote woorden en daarmee soms gepaard gaande maakbaarheidsgedachte, de nadruk te leggen op Gods werk. De kerk ‘participeert’ in de ‘movement of God’s love towards people’ (Bosch 2000, 400). Bovendien wordt de focus van de zending verbreed want:

‘[s]ince God’s concern is for the entire world, this should also be the scope of the missio Dei.’ (Bosch 2000, 400-401)

Kort samengevat zijn de drie basisgedachten van de missio Dei:

de drie-ene God is de primaire actor in zending, niet de kerk; Gods zending is holistisch; de kerk participeert in Gods missie (vgl. Bosch 2000, 398-402; Bevans en Schroeder 2004, 286-304 en Flett 2014, 69).

Deze drie basisgedachten worden breed gedeeld in de hedendaagse missiologie en hebben grote invloed op theorie en praktijk van missionaire gemeenschapsvorming (vgl. Paas 2019, 76). Het is echter de vraag of de missio Dei-theologie nu echt een correctie biedt op een te abstract, idealistisch en functionalistisch beeld van de kerk.

Een van de door mij onderzochte gemeenschappen is onderdeel van een vrij grote gereformeerd-vrijgemaakte gemeenschap. Het valt op dat men in deze gemeenschap de idee dat de kerk participeert in Gods missie onderschrijft, maar op één bepaalde manier inkleurt. Men ziet de kerk vooral als instrument om te werken aan een nieuwe wereld. Dat de kerk ook een teken en een voorafschaduwing is van Gods Rijk komt er weinig ter sprake. Men ziet de kerk met name als een netwerk van discipelen. Alle discipelen hebben individueel de opdracht gekregen om in relatie met God te leven en vervolgens verantwoordelijkheid te nemen voor missie. Men ziet missie en discipelschap als een onderdeel van het ‘ambt van de gelovigen’ en lijkt ervan overtuigd dat God primair een relatie heeft met individuen om door hen heen de kerk te bouwen.

Stefan Paas noemt dit in zijn boek een vorm van ‘hyperprotestantisme’, waarin de kerk primair een optelsom is van geredde individuen die zich aaneensluiten (Paas 2019, 202). Hij zet deze visie tegenover een ecclesiologie die zich baseert op de koinonia-gedachte, waarin God primair een relatie heeft met de kerk en door haar heen relaties met individuen vestigt (Paas 2019, 203). De hyperprotestantse benadering leidt volgens Paas tot een ‘functionalistische benadering van de ecclesiologie: de kerk is niet echt nodig, maar soms wel handig’ (Paas 2019, 203). Daardoor is het erg moeilijk om alle idealen die er met betrekking tot gemeenschap leven concreet handen en voeten te geven. Immers, uiteindelijk doet de kerk of de gemeenschap er niet echt toe. Anders gezegd: zij wordt gelegitimeerd vanuit haar doel, namelijk het verkondigen en vertegenwoordigen van de waarheid en (zo) het redden van individuen.

Het lijkt erop dat er in deze gemeenschap een vrij eenzijdige benadering van de missio Dei is gekozen. Men benadrukt ‘participatie’ ingekleurd als ‘de kerk is instrument’. Maar de twee andere aspecten van de missio Dei (God als primaire actor en het holistische karakter van missie) krijgen veel minder aandacht. Dit komt mede doordat men een haast exclusieve nadruk legt op de persoon en het werk van Jezus en het hebben van een relatie met Hem. Daardoor verdwijnt het werk van God in het geheel van de schepping en de gemeenschap met elkaar en de wereld uit beeld. Een grotere nadruk op holistische missie en het feit dat God ook werkt buiten de kerk in de wereld, zou waarschijnlijk helpend zijn om de eenzijdigheid die er nu in het kerkelijk leven geslopen is wat te corrigeren.

Kortom: hoewel de missio Dei-theologie een correctie kan bieden op een te eenzijdig spreken over de kerk, is het in de praktijk moeilijk complexe theologische denkbeelden werkelijk te laten aansluiten bij de praktijk van het kerkzijn.

Lessen vanuit de pioniersgemeenschap

Ik wil afsluiten met enkele lessen die vanuit mijn onderzoek naar kerkbeelden bij praktijken van missionaire gemeenschapsvorming getrokken kunnen worden voor kerkgemeenschappen die te kampen hebben met kerkverlating.

Ten eerste ben ik ervan overtuigd dat ook bestaande gemeenten en gemeenteleden veelal te abstract en te idealistisch denken en spreken over de kerk. Dit heeft tot gevolg dat de concrete dagelijkse praktijk van de gemeenschap, waarin mensen zich soms eenzaam voelen, depressief zijn of zich niet gezien weten, niet serieus genomen wordt. Dat maakt dat mensen al snel teleurgesteld afhaken als ze merken dat de gemeenschap niet voldoet aan datgene wat hen steeds voorgespiegeld wordt. Voor leiders in de gemeenschap is het de kunst juist ook pijn, verdriet en teleurstelling te verbinden aan Gods grote verhaal. Kerkelijke leiders doen er goed aan te benadrukken dat kerk-zijn geen ideaal is waar naartoe gewerkt moet worden, maar een teken, voorsmaak en instrument van het Koninkrijk. Mensen mogen op zoek gaan naar vonken van het Koninkrijk in de concrete gemeenschap om die vlammetjes van geloof aan te wakkeren. De kerk is niet pas kerk als er een groot vuur ontstaat.

Daarnaast is het belangrijk er oog voor te hebben dat mensen hun idealen vaak gebruiken om te stoppen met naar zichzelf te kijken. Idealen, ook kerkelijke, fungeren vaak als afleiding, als ontsnapping aan de broodnodige reflectie en kritische zelfanalyse die ook nodig is. Dit geldt voor zowel kerkleden die de kerk verlaten als voor kerkleden die achterblijven. Voor kerkverlaters geldt dat zij zich moeten afvragen of de kerkelijke idealen die men koestert niet maken dat men vrij makkelijk voorbijziet aan eigen tekortschieten en met de vinger wijst naar ‘al die anderen die geen echte gemeenschap zijn’. Voor achterblijvers geldt dat zij zich moeten afvragen of zij niet veel te gemakkelijk grote en idealistische begrippen plakken op kleine, kwetsbare, disfunctionele groepen, zonder kritisch te kijken wat er nu daadwerkelijk terecht komt van die grote idealen.

Ten slotte is het belangrijk om van pioniers te leren dat de gemeenschap niet de verzameling individuele gelovigen is die men er in evangelisch-protestantse gemeenten vaak van gemaakt heeft. Ik meen te zien dat velen kerkverlating ‘geen probleem’ vinden zolang het maar geen ‘geloofsverlating’ is. Ik snap de redenering, maar het zou interessant zijn om te kijken of we daarmee niet te makkelijk van de gemeenschap ‘maar’ een instrument hebben gemaakt.

Een van de pioniers in het onderzoek zei toen een aantal teamleden terugkeerden naar de kerkelijke gemeente waar ze uit afkomstig waren: ‘Het doet zo’n pijn! We hebben zoveel samen meegemaakt, dat het voelt of er familieleden geen contact meer met ons willen.’

Niemand zegt dat familie-zijn altijd makkelijk en mooi is, integendeel. Er zijn families disfunctioneel en veel families kennen buitenbeentjes of zwarte schapen, maar familie blijft een aansprekende metafoor voor kerk-zijn. Wanneer iemand teleurgesteld is in zijn familieleden en ze nooit meer wil zien, blijft deze persoon onderdeel van de familie en dat is lastig, zowel voor de achtergebleven familieleden als degene die teleurgesteld afscheid neemt.

De belangrijkste les die we kunnen trekken uit pionierservaringen rondom gemeenschapszin is: neem falen, verdriet en gemis van gemeenschapszin serieus. Niet door er een ideaal tegenover te zetten, maar door te proberen om juist te midden van deze concrete ervaringen op zoek te gaan naar Gods verhaal. En door samen op zoek te gaan naar vonken van het Koninkrijk, naar momenten van gezamenlijkheid en delen van hoop en geloof.

Annemiek (drs. A.M.) de Jonge is opleidingsmanager van de opleidingen Theologie van Hogeschool Viaa en onderzoeker bij het Praktijkcentrum. Zij is bezig met het afronden van een proefschrift binnen de Missionaire ecclesiologie.

Noot

[1] Zie bijvoorbeeld: Stefan Paas, Missional Christian Communities in Conditions of Marginality, unpublished, p. 3; of Lesslie Newbigin, ‘Mission to Six Continents’. In: Harold Fey (ed.), The Ecumenical Advance: A History of the Ecumenical Movement, Volume 2, 1948-1968, London: SPCK 1970, pp. 171-197.

Literatuur

Bauman, Z. (2001). Community: Seeking Safety in an Insecure World. Cambridge: Polity Press.

Bevans, S.B. & Schroeder, R.P. (2004). Constants in Context: A Theology of Mission for Today. Maryknoll: Orbis Books.

Bosch, D.J. (2000). Transforming Mission: Paradigm Shifts in Theology of Mission. (20th Anniversary Edition). Maryknoll: Orbis Books.

Branson, M.L. & Warnes, N. (eds) (2014). Starting Missional Churches: Life with God in the Neighborhood. Downers Grove: InterVarsity Press.

Dijkstra-Algra, N. & Stoppels, S. (2017). Back to Basics. Zeven cruciale vragen rond missionair kerk-zijn. Zoetermeer: Boekencentrum.

Engelsviken, T. (2003). Missio Dei: The Understanding and Misunderstanding of a Theological Concept in European Churches and Missiology. International Review of Mission, 481-497.

Drost, D. (2019). Diaspora as Mission: John Howard Yoder, Jeremiah 29, and the Shape and Mission of the Church. (PhD-dissertation). Amsterdam: Vrije Universiteit.

Flett, J.G. (2014). A Theology of missio Dei. Theology in Scotland (1), 69-78.

Healy, N.M. (2000). Church, World and the Christian Life: Practical-Prophetic Ecclesiology. Cambridge: Cambridge University Press.

Newbigin, L. (1970). Mission to Six Continents. In: Harold Fey (ed.) (1970). The Ecumenical Advance: A History of the Ecumenical Movement, Volume 2, 1948-1968. London: SPCK, 171-197.

Paas, S. & Schoemaker, M. (2018). Crisis and Resilience among Church Planters in Europe. Mission Studies 35.

Paas, S. (2019). Pilgrims and Priests: Christian Mission in a Post-Christian Society. London: SCM Press.

Stoppels, S. (2019). Heil zien in missionaire initiatieven. Een zoektocht naar de theologie achter nieuwe vormen van geloofsgemeenschap. (Lectorale Rede). Zingeving in nieuwe (geloofs)gemeenschappen. Ede: Christelijke Hogeschool Ede.

Verheij, A. (2019, 25 oktober). Alain Verheij over kerkverlating: ‘We zijn ons kapitaal aan het verkwanselen’. Geraadpleegd op 11 juni 2020: https://www.lazarus.nl/artikel/2019/10/alain-verheij-over-kerkverlating-we-zijn-ons-kapitaal-aan-het-verkwanselen

< Terug