< Terug

Tien melaatsen: niet één minder

Vierde zondag van de herfst (2 Koningen 5:14-17[1] en Lucas 17:11-19)

Om op de sabbat de voorgeschreven liturgie te mogen vieren in de synagoge, zijn er tien mensen nodig, en niet één minder. Wanneer er maar negen zijn, gaat de plechtigheid niet door en keert ieder naar huis terug om daar voor zichzelf de gebeden te doen. De Tien Woorden van God, gesproken en geschreven op de Sinaï, moeten door tien mannen gedragen worden, dat is voor iedere jood duidelijk.

In Genesis 18:16-33 vinden we beschreven hoe God met Abraham spreekt over de naderende verwoesting van Sodom en Gomorra. Onderweg dingt Abraham af: ‘Als er vijftig rechtvaardigen in die stad gevonden worden, vijfenveertig, dertig, twintig.’ Dan belooft God die steden te zullen sparen. Maar de uiterste grens voor Hem is tien. Ik ken een kleine joodse gemeente in onze stad waar men op iedere sabbat met angst en beven zit te wachten op de tiende man. Hij is erg oud, en zoals het een orthodoxe jood betaamt moet hij te voet komen, maar ook met zijn stok is de weg lang. Als hij over de drempel komt, zijn de andere negen opgelucht. Vandaag kan het doorgaan. Lucas als evangelist van de christengemeente interesseert zich voor de vorming van de geloofskern die de jonge kerk moet schragen. Daarom vinden wij bij hem niet het verhaal van de genezing van één melaatse (vgl. Marcus 1:40) dat getuigt van de kracht van de messiaanse vernieuwingsbeweging die weet dat voor God alles mogelijk is. Neen, Lucas spreekt over de genezing van de tien. Alle tien roepen ze naar de ene man uit Nazaret en deze dorre zieke gemeente wordt geheeld.

De Samaritaan vergeet de lofzang niet

De ontmoeting met de tien melaatsen is de ontmoeting met een gemeente die ten dode is opgeschreven. De solidariteit van Jezus met deze gemengde gemeenschap van Joden en Samaritanen is hun allen tot zegen. Samen roepen ze hun Kyrie eleison uit: ‘Jezus, Meester, heb medelijden met ons!’ (Lucas 17,13). Maar dat daarop een Gloria volgen moet, weet er slechts één, een Samaritaan. Het eerste teken van geloofsinterpretatie van wat er gebeurde, komt van een buitenstaander. Negen van de tien komen daar niet aan toe. Zij keren terug naar het leven van alledag en schieten weer wortel. Niet dat ze mondain waren. Waarschijnlijk waren ze heel vroom en kind aan huis in de tempel. Maar ook daar zijn ze snel vergeten. Dat is gruwelijk! Met God vechten, kwaad zijn, woedend zijn, protesteren, God aanklagen – het hele boek Job staat er vol van – het mag allemaal. Hem vergeten is echter een onvergeeflijke belediging van de Enige, een ramp voor jezelf en voor heel de wereld. Het leven wordt dan werkelijk plat en troosteloos. Die ene vreemdeling geeft vandaag het ware geloofsonderricht. Hij leert ons danken. De andere negen willen niet invallen als de lofzang wordt aangeheven. Ze willen geen sabbat vieren want wat is sabbat anders dan God verheerlijken en danken. Ze willen niet volbrengen wat God bevolen heeft voor de zevende dag.

Afgedaald en gereinigd in de Jordaan

Over de gehele oostlengte van het land van Kanaän stroomt de rivier de Jordaan zuidwaarts. Zij grenst het aloude land van belofte van leven af. Je moet door die rivier heen als je uit de woestijn komt om in het land van belofte, van brood en wijn, olijven en vijgen te komen. Die Jordaan is niet overal zo gemakkelijk doorwaadbaar als de joden ondervonden na de tocht van veertig jaren door de woestijn bij Jericho. Als Jezus in aantocht is, moet men weer helemaal ondergedompeld worden in dat water van de Jordaan. Deze rivier, de doodsrivier, laat ons geen illusies over het leven zelf. Zij zal in haar uitmonding precies zeggen waarheen het gaat: de Dode Zee. De Zoutzee waar eens Sodom en Gomorra lagen. Aan dat eindpunt van het leven zal Jezus ons in het vervolg van dit evangelie (Lucas 17:29) herinneren als Hij spreekt over het oordeel dat over de wereld komen zal. In 2 Koningen 5:14-17 én in Lucas 17 komt reinigingswater ter sprake, de Jordaan, de Dode Zee en ook nog het water van de zondvloed (Lucas 17:27). Naäman, de melaatse, heeft dat niet allemaal begrepen. Hij vond de rivieren van zijn land goed genoeg. Maar de Jordaan was daar om hem tot zeven keer terecht te wijzen.

‘Nu weet ik’

Voordat hij mocht weten hoe men gereinigd wordt, moest hij eerst leren zelf melaats te zijn, zichtbaar en ruikbaar met de dood rondlopen. Men moet de melaatsheid leren kennen als het gelaat dat is afgewend van Gods aangezicht. Naäman moest leren ach en wee te roepen met een pijn die uit het hart van de geschapen wereld komt. Hij moest door Gods leergang heen van het eerste verbond. De Jordaan moest hem dat leren, tot zevenmaal toe. Want de Jordaan omsluit het land waar God zijn dimensie trekt en waar Jezus Messias woont. Men daalt niet af naar de Jordaan zonder de geloofsbelijdenis: ‘Nu weet ik dat er geen God is in heel het land dan in Israël’ (2 Koningen 5:15). Jezus Messias draagt deze geloofsbelijdenis in zijn leven mee, door Samaria en Galilea op weg naar Jeruzalem (Lucas 17:11).

Deze exegese is opgesteld door Hein Jan van Ogtrop.


Voetnoot

[1] De (rooms-katholieke) auteur volgt voor wat betreft de eerste lezing de Ordo Lectionum Missae, en ook Th.J.M.Naastepad, Het scharlaken snoer, 37-43. Het Oecumenisch Leesrooster geeft als eerste lezing 2 Koningen 17:(5-7.)24.29-34. Zie over de symboliek van de melaatsheid ook: H.J. van Ogtrop, In het leerhuis van Marcus, 88vv.

< Terug