< Terug

Tomas bij de Latijnen

Tomaslegenden uit de Legenda Aurea in de kathedraal van Saint-Étienne in Bourges. (beeld onbekend)
De Tomaslegenden uit de Legenda Aurea op een gebrandschilderd raam in de kathedraal van Saint-Étienne in Bourges. 13e eeuw. (beeld onbekend)

De Handelingen van Tomas, die de verkondiging en marteldood van de apostel beschrijven, kregen al spoedig het stempel ‘apocrief’ opgedrukt. Dat maakte ze niet minder populair, maar anders dan de bijbelse teksten werden ze niet in een onveranderlijke vorm doorgegeven: men voelde zich vrij te schrappen, toe te voegen en te herschrijven om het verhaal bij de tijd te brengen. We gaan dit hier na in een dubbele procedure: we vergelijken de oudste vorm met de Latijnse bewerkingen van enkele eeuwen daarna, en deze bewerkingen met de weergaven in de legendenverzamelingen van de dertiende eeuw.

Schrikt u niet, welwillende lezer, als we dit artikel beginnen met een meditatie over goed en kwaad. Stel, u heeft zich voorgenomen een tekst uit het verre verleden, uit de tijd nog van voor de uitvinding van de boekdrukkunst, in studie te nemen. Het kan zijn dat er maar één getuige van deze tekst, één handschrift, van deze tekst is overgebleven. Dat is dan het voorwerp van uw studie. Zijn er meer tekstgetuigen voorhanden, dan ontstaat er een probleem, want er zijn altijd verschillen tussen het ene en het andere handschrift, ook als de afschrijver, de kopiist, zijn uiterste best heeft gedaan, wat hij bijna altijd doet, om geen fouten te maken. U vergelijkt dan het ene handschrift met het andere en bepaalt in het geval van verschillen wat de beste lezing is. Uw doel is een tekst te bezitten die geheel en al, of althans zoveel mogelijk, identiek is met wat de auteur geschreven had; u moet kiezen tussen goed en kwaad, goede en slechte lezingen, goede en slechte handschriften.

Maar stel nu dat u niet de oorspronkelijke vorm van de tekst wilt bestuderen, maar de vormen waarin hij in de loop van de tijden is gelezen. Dat is een heel andere tak van sport, want nu zijn er ineens geen goede en slechte handschriften meer. Een handschrift dat afwijkt van de door u gereconstrueerde tekst is immers juist wat u zoekt: een vertegenwoordiger van een tekstvorm die in een bepaalde tijd is gebruikt. Dit geldt al voor geschriften die in principe een onaantastbare vorm hebben, of het nu Paulus’ brief aan de Galaten of de Aeneis van Vergilius is. Maar het geldt in veel sterkere mate voor geschriften die niet onaantastbaar waren, die konden worden overgeleverd met weglating of juist toevoeging van onderdelen of met herschrijving van passages. En daarmee zijn we gekomen bij de apocriefe Handelingen van Tomas, een geschrift dat precies aan deze kenmerken beantwoordt. In een korte schets zullen we de lotgevallen van dit werk in het Latijnstalige christendom nagaan. We onderscheiden drie stadia: de oudste tekstvorm uit de vroege derde eeuw, een tweetal Latijnse bewerkingen daarvan uit de zesde eeuw en de samenvattingen van die bewerkingen in de legendaria (verzamelingen van heiligenlegenden) uit de dertiende eeuw. We vergelijken die stadia met elkaar: het eerste met het tweede, en het tweede met het derde.

De oudste tekstvorm

De oudste tekstvorm, dat is gemakkelijk gezegd. We hebben vormen in Syrisch en Grieks, Latijn, Armeens, Georgisch, Ethiopisch, Koptisch en Arabisch, en al kunnen we de laatste zes als vertalingen buiten beschouwing laten, of de oorspronkelijke taal Syrisch of Grieks was, is sinds kort weer omstreden, evenals de plaats van ontstaan en de datering van het werk. Het Syrisch en het Grieks hebben kortere en langere tekstgetuigen en de oorspronkelijke auteur is al helemaal onbekend. De meest oorspronkelijke vorm, zo wordt algemeen aangenomen, is de vorm die het meest volledig is en die tevens het meest afwijkt van de visies van het latere christendom met zijn canon van bijbelboeken en zijn uitgewerkte orthodoxe leer. Die vorm vinden we in het Griekse handschrift dat in 1903 is uitgegeven door de Duitse geleerde Max Bonnet.

Het bestaat uit veertien onderdelen: dertien praxeis (handelingen) en een beschrijving van Tomas’ marteldood. De inhoud kan men globaal in drieën delen. Een eerste afdeling, praxeis 1-2, handelt over Tomas als architect van een (naar later blijkt) hemels paleis voor koning Gundaforus van Indië, met een intermezzo in het verhaal van zijn optreden bij een bruiloft in Andrapolis. Vervolgens, praxeis 3-6, is er een reeks van op zichzelf staande verhalen: over een sprekende draak, een sprekend ezelsveulen, een demonuitdrijving en (onder meer) een beschrijving van de straffen van de hel. De derde afdeling vertelt van een aantal mannen en vrouwen die door de prediking van Tomas bekeerd worden of zich juist hardnekkig tegen hem verzetten, praxeis 7-13, en sluit af met het verslag van Tomas’ marteldood. In deze tekstvorm is Tomas veel aan het woord in lange gebeden en predikingen en tevens in twee liederen: het Lied van de dochter van het licht in de eerste praxis en de Hymne van de parel in de negende. De tekst bevat elementen die vreemd zijn aan de canonieke evangeliën: Tomas wordt de broer van Jezus genoemd en als alternatieve naam heeft hij niet alleen, zoals in het Johannesevangelie, Didymus, maar ook Judas. Het encratisme (de strenge kuisheid en afwijzing van het huwelijk) wordt bij Tomas het centrale thema van de verkondiging. De theologische grondgedachten van de Handelingen van Tomas verschillen aanzienlijk van de christelijke leer die in de late oudheid overheersend werd, met name in het westerse, dus Latijnstalige christendom.

Latijnse versies (zesde eeuw)

De christenen in het Latijnstalige westen waren natuurlijk even geïnteresseerd in de apostel Tomas als hun oosterse geloofsgenoten en aangezien ze niet over eigen informatie beschikten, produceerden ze al spoedig Latijnse bewerkingen van het Griekse origineel. Twee daarvan zijn bewaard gebleven, de Passio sancti Thomae apostoli, ‘Het lijden van de heilige apostel Tomas’ en de Miracula beati Thomae apostoli ‘De wonderen van de zalige apostel Tomas’. Ze zijn in een groot aantal handschriften tot ons gekomen, de Passio in meer dan 130, de Miracula toch nog altijd in zo’n 30 handschriften. De oudste handschriften die bewaard zijn gebleven dateren uit de achtste eeuw, maar de ontstaanstijd van de teksten valt zeker twee eeuwen eerder. We weten niet welke Griekse tekstvorm de bewerkers voor zich hadden, maar wat in hun tijd ongewoon was geworden laten ze meestal weg. Zo wordt de andere naam van Tomas, Judas, in hun teksten niet meer gebruikt, sprekende dieren komen er niet meer voor, en de beide liederen van Tomas worden niet meer geciteerd. Maar tussen beide bewerkingen bestaan ook grote verschillen.

Het encratisme wordt bij Tomas het centrale thema van de verkondiging.

De Miracula-tekst stelt zichzelf voor als uittreksel van ‘een boek dat door sommigen niet wordt aanvaard’, waarmee kennelijk het Griekse apocrief wordt bedoeld. Van de veertien onderdelen van het Grieks zijn er twaalf gehandhaafd; alleen praxeis 3 en 4 zijn weggelaten. De beschrijving van de gebeurtenissen volgt het Grieks ook daar waar de Passio eigen wegen gaat. Zo verschijnt in hoofdstuk 11 zowel in het Grieks als in de Miracula Jezus aan het bruidspaar in de gedaante van Tomas; in de Passio is het Tomas zelf die verschijnt. En terwijl Tomas in het Grieks en in de Miracula uiteindelijk door soldaten met lansen gedood wordt, wordt hij in de Passio door de tempelpriester, in een heel andere situatie, met een zwaard doorstoken. Meermalen zijn de Miracula in overeenstemming gebracht met de kerkelijke instellingen waaraan de bewerker gewend was. Zo laat de vader van het bruidspaar na zijn aanvankelijke woede op Tomas zich niet alleen in diens leer onderrichten, maar laat hij zich dopen en tot diaken wijden. En de verzegeling met olie die koning Gundaforus en zijn broer Gad in het Grieks ondergaan is in de Miracula onmiskenbaar een doop met water geworden.

De Passio wijkt veel verder af van het Grieks. Dit geschrift laat zeven van de twaalf praxeis weg, waardoor er een heldere tweedeling ontstaat: de paleisbouw gebaseerd op praxeis 1-2 en de geschiedenis van de mannen en vrouwen in hun contact met de apostel (praxeis 9-12). Het vertoont meer herzieningen dan de Miracula. Zo krijgt Tomas Indië als zendingsgebied, maar die beslissing valt niet meer in Jeruzalem, maar meteen in de havenstad Caesarea. En vooral treffen we herhaaldelijk toevoegingen aan: Koning Gundaforus wil niet zomaar een paleis bouwen, maar het moet een paleis in Romeinse stijl zijn. De bruidegom in Andrapolis (hier Andronopolis genoemd) krijgt een palmtak met dadels; als het bruidspaar daarvan eet valt het in slaap en krijgt de droom waarin Tomas verschijnt. Het bruidspaar kiest dankzij de woorden van Tomas voor een huwelijk in onthouding, maar wat ontbreekt in het Grieks en in de Miracula is dat de bruidegom later bisschop wordt en de bruid martelares. De tekst voert een extra personage in: Sintice, vriendin van Migdonia. Er is sprake van een melaatse, die door het gebed van Tomas wordt genezen. De hoofdstukken 51-60 zijn in beide teksten gelijkluidend. De laatste zes daarvan hebben geen tegenhanger in de Griekse tekst. Ze beschrijven een offerplechtigheid in de tempel van de Zonnegod. Tomas’ tegenstanders willen hem de god laten aanbidden, maar daar komt niets van terecht: Tomas dwingt de demon die in het afgodsbeeld schuilt, dit te vernietigen. In de Passio doodt daarop, zoals gezegd, de tempelpriester Tomas met het zwaard, waarna het verhaal ten einde komt, maar in de Miracula slaat hij hem alleen maar en volgt nog een aantal verwikkelingen, totdat de apostel aan het eind door soldaten wordt doorstoken, zoals in het Grieks: opnieuw een aanwijzing dat de Miracula-tekst dichter bij het Grieks blijft.

St. Tomaskruis. (beeld Mathen Payyappilly Palakkappilly)
St. Tomaskruis. (beeld Mathen Payyappilly Palakkappilly)

Legendaria (dertiende eeuw)

Zowel de Passioals de Miracula-tekst bleef de eeuwen door gelezen worden. Maar vroeg in de dertiende eeuw gebeurt er iets nieuws mee. Het is de ontstaanstijd van de grote bedelorden: de dominicanen en franciscanen, die zich gaan toeleggen op de prediking. Ze zijn niet verbonden aan een bepaalde parochie, maar reizen rond en preken over de heiligen op de dag van hun feest in de liturgische kalender. Over een heilige diende niet gefantaseerd te worden, maar zijn of haar leven en sterven moest verteld worden volgens de beschikbare bronnen, en dat waren voor apostelen zoals Petrus, Paulus en Johannes, maar ook voor Tomas de apocriefe Handelingen van apostelen. Deze teksten waren te vinden in dikke kostbare codices, die zich slecht leenden voor gebruik op reis. Daarom ging men over op vervaardigen van handzame samenvattingen van de oude documenten, en zo zijn ook de Handelingen van Tomas in deze verzamelingen opgenomen. Uit de dertiende eeuw zijn de belangrijkste het legendarium van Jean de Mailly, dat van Bartholomeüs van Trente en dat van Jacobus de Voragine, alle drie dominicanen, de eerste werkzaam in Frankrijk, de andere twee in Italië.

Wat in hun tijd ongewoon was geworden laten ze meestal weg.

Kennis van Grieks, laat staan van de Oosterse talen, was in deze tijd in het Westen niet te verwachten. De bewerkers van de Tomas-geschiedenis waren dus aangewezen op de beide Latijnse versies, de Passio en de Miracula, of althans op één van beide. Ze spreken zich niet uit over hun keuze, maar het is duidelijk dat de legendaria gebaseerd zijn op de Passio. Dat hoeft geen bewuste keuze geweest te zijn. De Passio was nu eenmaal in veel meer handschriften beschikbaar dan de Miracula, en de Passio-handschriften stammen in meerderheid uit Italië, terwijl die van de Miracula overwegend in Frankrijk en de Duitse landen verbreid waren.

Nu rijst echter een andere vraag: waarom verschillen de drie legendaria onderling? Stammen ze niet ongeveer uit dezelfde tijd en zijn de samenstellers geen lid van dezelfde orde, die van de dominicanen, die veel onderlinge contacten hadden alleen al door hun internationale kapittels en door het feit dat ze, anders dan de monnikenorden, gemakkelijk van klooster konden veranderen? Opnieuw moeten we vergelijken, nu tussen de drie legendaria.

Jean de Mailly produceerde zijn legendarium eerst in de jaren 1225-1230 en in verbeterde versie in 1243. In de editie van laatstgenoemde versie omvat het hoofdstuk over Tomas 169 regels. Typerend voor Jean is dat hij alle eigennamen behalve Gundoforus en uiteraard Tomas weglaat. En nadat hij in twee derde van de tekst het verhaal zoals hij dat las in de Passio in het kort heeft naverteld, voegt hij drie wetenswaardigheden over de apostel toe die noch uit de Griekse Handelingen van Tomas noch uit de Passio komen: een uitvoerige uiteenzetting over Tomas’ graf in Indië en niet, zoals hij vlak daarvoor had verteld, in Edessa, een korte samenvatting van Tomas’ leven en sterven ontleend aan Isidorus van Sevilla en een verhaal over een vereerder van Tomas, voor wie de apostel het onrecht, hem aangedaan door een demon, ongedaan maakt.

Bartholomeüs van Trente stelde zijn legendarium samen in 1245 en liet in 1254 een verbeterde versie verschijnen. Hoewel hij nog een inleiding over de persoon van de apostel aan zijn verhaal laat voorafgaan, bestaat zijn Tomas-hoofdstuk maar uit 66 regels. Hij is dan ook een meester in het vliegensvlug vertellen. Toch heeft hij elementen die bij de anderen ontbreken, zoals meteen in het begin de vermelding van het verdelen van de missiegebieden onder de verschillende apostelen, en aansluitend de mededeling dat het Caesarea waar de Heer aan Tomas verscheen het Caesarea in Cappadocië (in het binnenland van het huidige Turkije) was in plaats van de Palestijnse havenstad. Het ziet ernaar uit dat hij geen kennis had van het werk van Jean de Mailly; zijn woordkeus is anders en hij kiest soms andere details om in zijn verhaal op te nemen dan zijn Franse voorganger. We moeten ons dus de internationale contacten binnen de orde ook weer niet te intensief voorstellen.

De derde legendariumschrijver, Jacobus de Voragine, schreef zijn door anderen zo genoemde Legenda aurea (‘Gulden legende’) in de jaren 1263-1266. Het omvat 234 regels. Anders dan Bartholomeüs heeft hij duidelijk wel geprofiteerd van het werk van Jean de Mailly. Maar dat was hem kennelijk niet genoeg. Het is op verschillende plaatsen duidelijk dat hij zelfstandig opnieuw de Passio heeft geraadpleegd. En het verhaal van de wijnschenker die Tomas in het gezicht slaat en daarvoor, laat ons zeggen onder auspiciën van Tomas, gruwelijk moet boeten, onderbreekt hij met een uitgebreid citaat uit Augustinus, die bijna 900 jaar vóór hem een rechtvaardiging van Tomas’ optreden had gegeven. En hij heeft meer extra’s: voorafgaand aan het verhaal een verklaring van de naam Tomas en verder de mededeling van Isidorus van Sevilla die al bij Jean de Mailly voorkwam, maar hier in complete vorm geciteerd, een mededeling over het overbrengen van Tomas’ stoffelijk overschot naar Edessa en een informatie van (Pseudo-)Chrysostomus: Tomas zou bij zijn reis naar het oosten de drie wijzen die de pasgeboren Jezus hadden bezocht alsnog gedoopt hebben.

Overzien we nu het verslag van Tomas’ handelingen vanaf de oorspronkelijke Griekse tekst tot en met de beschrijvingen in de legendaria, dan vallen vier dingen op. Van de karakteristieke theologische elementen van de Griekse tekst zoals het tweelingschap van Christus en Tomas of de verzegeling met olie zijn in de Miracula nog sporen over, maar in de Passio en dus ook in de legendaria zijn ze verdwenen. Het encratisme van het Griekse origineel daarentegen handhaaft zich zowel in de vierde als in de dertiende eeuw. De canonieke evangeliën krijgen een onaantastbaar gezag. En de kerkelijke geloofsleer, hiërarchie en liturgie zijn vanzelfsprekendheden geworden. De beide vergelijkingen leverden een heel verschillend beeld op: de grote veranderingen doen zich voor in de overgang van het eerste stadium naar het tweede, maar het derde stadium weerspiegelt in verkorte vorm getrouwelijk het tweede.

Ton Hilhorst is ouduniversitair hoofddocent aan de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Literatuur

W. Schneemelcher (red.), Neutestamentliche Apokryphen II (Tübingen: Mohr Siebeck 1989).

F. Bovon en P. Geoltrain (red.), Écrits apocryphes chrétiens I (Parijs: Editions Gallimar 1997).

B. Gleede, Studien zu den griechisch-lateinischen Übersetzungen parabiblischer Literatur unter besonderer Berücksichtigung der apostolischen Väter (Leiden – Boston: Brill 2016), 161-171.

Tekstuitgaven

Griekse Handelingen van Thomas door M. Bonnet 1959 (= 1903).

Passio en Miracula door Kl. Zelzer 1977.

Jean de Mailly door G.P. Maggioni 2013.

Bartholomeüs van Trente door E. Paoli 2001.

Jacobus de Voragine door G.P. Maggioni 2007 en B.W. Häuptli 2014.


< Terug