< Terug

Tussen droom en werkelijkheid

Bij Daniël 3,34-45, 1 Korintiërs 15,1-10 en Lucas 18,9-14

Vandaag gaan de lezingen over verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken: wat voor de één een nachtmerrie is en uitzichtloos, kan voor de ander een droom zijn. Het is maar hoe je het bekijkt.

‘Dromen zijn bedrog,’ zong Marco Borsato. Maar dat geldt niet voor de bijbelse dromen van koning Nebukadnessar. Zijn dromen voorspellen de werkelijkheid. En dat weet hij, alleen kan hijzelf niet goed duiden wélke werkelijkheid. Daarvoor heeft hij wijzen nodig. Als die zijn dromen niet kunnen verklaren, veroordeelt hij hen ter dood (Daniël 2,12). Uiteindelijk weet Daniël na een goddelijk visioen de droom van het grote beeld te verklaren. Net als later de droom van de boom in Daniël 4.

Maar tussen die twee dromen speelt zich iets bijzonders af. De wijzen die Nebukadnessars droom niet konden verklaren, worden jaloers op Daniël. Door hun toedoen worden daarom de drie vrienden van Daniël in de brandoven geworpen. Voor Nebukadnessars ogen ontstaat opnieuw een schouwspel dat ver weg is van alle werkelijkheid: de drie mannen bewegen in het vuur. Het lijkt opnieuw een droom…

Heel andere vers-telling

Na deze verbazing in Daniël 3,24 gaan de bijbelvertalingen verschillende kanten op. Lees je de NBV (2004) of NBG ’51, dan deel je in de verbazing van Nebukadnessar en volgt de vrijlating van de drie mannen uit de oven. Maar het leesrooster van vandaag gaat ervan uit dat je een andere bijbelvertaling leest. Bijvoorbeeld de Willibrordvertaling uit 1995, want daar is vanaf vers 3,25 een apocrief gedeelte ingevoegd. Dat is niet meteen helder uit het leesrooster, en kan snel voor verwarring zorgen. Voor je het weet denk je dat het weer een geval is van een verschillende vers-telling tussen de Hebreeuwse Bijbel en de vertaling, en ga je ervan uit dat de droom van de boom uit Daniël 4 bedoeld is. Dat blijkt niet het geval te zijn. In een noot bij het leesrooster wordt verwezen naar het ‘Luthers dagboek’. Maar dit zal bij de meeste lezers van De Eerste Dag niet in de kast staan. Dan is het zoeken geblazen naar wat dan met de perikoop van vandaag, Daniël 3,34-45, bedoeld wordt. Het blijkt te gaan om een toevoeging aan Daniël, afkomstig uit de Septuagint. Te vinden als Toevoegingen aan Daniël A 1,11-22 in de NBV met deuterocanonieke boeken (p. 251-252). Of als Daniël 3,34-45 in de Willibrordvertaling. De perikoop van vandaag laat duidelijker dan op andere zondagen zien dat in de loop van de geschiedenis de verschillende tradities verschillende keuzes hebben gemaakt in hun bijbelvertalingen. Misschien is het daarom alleen al goed om deze zondag dit gedeelte wel te lezen. Om gemeenteleden ervan bewust te maken dat bijbelvertalen keuzes maken is. Niet alleen keuzes in woorden en zinsconstructies, maar zelfs in welke gedeelten je wel, en welke je niet opneemt in je Bijbel.

Vertrouwen op omkering

Wat je dan leest in Daniël 3,34-45, is een gedeelte van het gebed van Azarja, een van de vrienden van Daniël die in de oven is. Vurig bidt hij tot God een smeekgebed, vol nederigheid. En vol vertrouwen. Ieder ander mens zou gezegd hebben dat het een droom is dat je kunt ontsnappen uit de nachtmerrie van de oven. Maar Azarja bidt vol vertrouwen dat een omkering van hun uitzichtloze situatie mogelijk is. Als God het wil.

God is genadig

Ommekeer uit een uitzichtloze situatie is geen droom. Daarop hamert Paulus met alles wat in hem is in 1 Korintiërs 15. Hij wil de mensen die hij aanschrijft met deze brief ervan verzekeren dat Jezus daadwerkelijk is gestorven én opgestaan, en daarmee een enorme ommekeer heeft betekend voor hen. Deze samenvatting van het christelijk geloof was al vroeg in het christendom bekend, en komt bijvoorbeeld terug in Romeinen 4,25 en Handelingen 3,15. De lijst van getuigen zet Paulus’ pleidooi kracht bij. Als overtreffende trap vertelt hij dan dat het getuigenis ook hemzelf geraakt heeft, ‘misbaksel dat ik was’ (15,8). Het Griekse woord ektrooma (= misgeboorte) wordt in de Septuagint gebruikt voor iemand in een zeer ellendige positie, bijvoorbeeld Mirjam in Numeri 12,12. Paulus wil hiermee aangeven: ook hij was in zo’n ellendige positie dat er geen verwachting voor hem was, maar zelfs hij ervoer dat Jezus is gestorven en opgestaan. Dankzij Gods genade. Dat is voor Paulus waar het uiteindelijk om gaat. God heeft hem in werkelijkheid iets gegeven waarvan hij bij wijze van spreken nooit had durven dromen: genade.

Wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden

Op die genade durft de tollenaar in Lucas 18 nauwelijks te vertrouwen, je zou kunnen zeggen ‘niet eens van te dromen’, bang als hij is dat dromen bedrog zijn. De farizeeër daarentegen is ervan overtuigd dat wat hij ziet de werkelijkheid is. En hij droomt nergens van, omdat hij denkt te weten hoe het zit. Jezus laat zien dat ook hier geldt dat er van Godswege een omkering is. Dat het menselijk perspectief op de dingen compleet anders kan zijn dan hoe God het ziet en wil. Jezus zet de farizeeën hier overigens niet als totale groep weg, maar gebruikt de farizeeër als voorbeeld voor ‘sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten’ (Lucas 18,9). Daarmee houdt Hij allereerst zijn leerlingen een spiegel voor, dus de mensen heel direct om Hem heen. Misschien klonk deze gelijkenis wel als een boze droom, voelden ze zich aangesproken. Of dachten ze dat het juist ver van hen weg gebeurde. Maar Jezus laat keer op keer zien dat Gods wegen niet ver zijn, dat zijn werkelijkheid en genade geen droom zijn, maar hier en nu steeds weer werkelijkheid worden. Gods dromen zijn nooit bedrog.

< Terug