< Terug

Twee dochters

Bij Marcus 5,22-43

De twee verhalen in Marcus 5 bieden een scala aan aanknopingspunten voor exegese. Het Griekse woordje gar is een van die aanknopingspunten. Het is het woordje waar het evangelie mee eindigt (Marcus 16,8), en dat binnen de verhaalstructuur ervan vaker wordt gebruikt om de aandacht van de lezer te vangen: ‘want (Gr.: gar) ze was twaalf jaar oud’ (Marcus 5,42). De Nieuwe Bijbelvertaling kiest ervoor om het woordje weg te laten, en dat is jammer, maar ook begrijpelijk.

Op het eerste gezicht lijkt het woordje overbodig, een distractie. En zo wordt het ook door veel exegeten en bijbelvertalers beschouwd. Een vergissing. Want wat heeft het feit dat het meisje twaalf jaar is van doen met het feit dat ze opstaat en weer gaat lopen nadat ze eerst is doodverklaard? Op het eerste gezicht niets! Echter, als het woordje gar inderdaad een rol speelt in de verhaalstructuur van het evangelie en in zekere zin het laatste woord heeft, dan heeft de schrijver het misschien opzettelijk zo haaks in de tekst gezet om onze aandacht te vangen. Let op, ze was twaalf jaar!

‘Want ze was twaalf jaar oud’

De aanduiding voor het meisje verandert in het verhaal: ze groeit. Van ‘klein dochtertje’ (Marcus 5,23) via ‘dochter’ (Marcus 5,35) en ‘kind’ (Marcus 5,39-40) naar ‘meisje’ (Marcus 5,41-42), en uiteindelijk, al is het impliciet, ‘vrouw’. Want ze is twaalf, de leeftijd waarop meisjes volwassen en vruchtbaar worden, trouwen en kinderen krijgen, waarop ze deel van de volwassenenwereld worden en hun aandeel kunnen gaan leveren in de gemeenschap. Een leeftijd waarop ze gereed is om voor vol te worden aangezien.
Ook in het verhaal van de andere vrouw speelt het getal twaalf een rol. Deze vrouw is twaalf jaar ziek geweest. Ook háár profiel ontwikkelt zich in het verhaal. Waar het meisje van dochtertje vrouw wordt, wordt deze vrouw een dochter. Onrein en onaanraakbaar loopt zij aan het begin van het verhaal met de dood in de schoenen. Twaalf jaar bloedverlies zal zijn tol hebben geëist. Uitgedokterd en tot de bedelstaf gebracht is zij niet langer deel van de gemeenschap, iemand die een aandeel kan leveren. Gemeden en uitgestoten is ze iemand met wie niemand te maken wil hebben. Haar onreinheid is besmettelijk, een lichte aanraking is genoeg om deze over te dragen. Niemand zal bij haar in de buurt hebben willen komen. In haar contact met andere mensen moet ze een waarschuwing laten horen en ervoor zorgen dat iedereen tijd genoeg heeft om uit te wijken.

‘Want als ik zijn kleed maar kan aanraken’

Het vergt moed om je door een dichte drom mensen naar Jezus toe te dringen. De vrouw had zich gemakkelijk de woede van de menigte op de hals kunnen halen. Kennen ze haar? Geven ze haar de ruimte? Het staat er niet. Volgens de tekst bereikt ze Jezus in het gedrang, en strekt haar hand uit. Want – en daar is dat woordje gar weer – zegt ze tot zichzelf: als ik zijn kleed maar kan aanraken, dan zal ik gered worden (Marcus 5,28). Hoop geeft haar het vermogen het onmogelijke voor mogelijk te houden: redding, genezing en terugkeer naar het leven. Ook háár verhaal is dus een verhaal van opstanding, van terugkeer naar het leven; niet doordat Jezus iets voor haar doet, maar doordat zij in geloof contact maakt met zijn kracht.
Over Jezus’ mantel valt te speculeren. Waren het de gebedskwasten – de symbolen van wet en geloof die elke joodse man bij zich draagt – waarnaar ze reikte, of moeten we terugdenken aan de met kracht geladen mantel van Elia en andere profeten?
Haar opzet om ongemerkt wat van Jezus’ genezende krachten af te tappen, wordt door Jezus opgemerkt. Is het haar geloof of haar onreinheid die Hem raakt? Is het de genezing of de besmetting die kracht kost? Door haar aanraking openbaar te maken, steekt Jezus over naar haar kant: Hij stelt niet alleen haar bloot, Hij stelt ook zichzelf bloot. Hij laat iedereen weten dat Hij nu ook onrein, onaanraakbaar, is geworden. Hij noemt haar ‘dochter’ (5,34). Zijn woorden spreken de buitengeslotene aan en nodigen haar binnen. Niet langer een bloedvloeiende, onreine vrouw, maar een dochter die aangeraakt is. Jezus wenst haar vrede toe en blijvende genezing. Er is meer nodig dan fysieke, biologische genezing: er is vrede nodig en de verzekering dat ze een hele en geheelde toekomst met vertrouwen tegemoet kan gaan. Waar ze helemaal dochter zal kunnen zijn en volledig zal kunnen meedraaien en bijdragen in de wereld om haar heen.

Geloof en hoop overwinnen de dood

Haar verhaal eindigt wanneer Jaïrus, de man die om genezing van zijn dochtertje kwam vragen, slecht nieuws ontvangt. Zijn dochtertje is overleden. Jaïrus betekent ‘lichtdrager’, en op dat moment gaat het licht uit, voor haar en voor hem. Jezus is te laat. De dood heeft het gewonnen van hoop en geloof. Door de ene dochter te helpen heeft Jezus de andere dochter moeten laten gaan. Het lijkt erop dat er meer ellende, meer doodsheid is dan Jezus aankan.
Blijf geloven, zegt Jezus, laat de hoop niet los. De dood mag hebben ingebroken, maar dat is niet waar haar verhaal, mijn verhaal eindigt. Ze staat op, zoals Jezus zal opstaan. De dood wint het niet van het geloof en de hoop van de vader. Zoals de dood het niet heeft gewonnen van het geloof en de hoop van de andere dochter. Zoals de dood het niet zal winnen van de levenwekkende, heelmakende krachten die in Jezus belichaamd zijn.

Twee dochters van de twaalf stammen vinden na twaalf jaar genezing en herstel, door het geloof van een lichtdrager en de hoop en het vertrouwen van een onaanraakbare. Twee dochters vinden de weg terug naar een vruchtbaar en heel gemaakt leven.

Bij Marcus 5:22-43

< Terug