< Terug

Twee keer dromen: Gods woord staat vast

Bij Genesis 41,1-(27)36

Dromen

In het boek Genesis spelen dromen een opvallende rol. Wie zijn die dromers en wat is de functie van hun dromen? Welke relatie met God wordt erin gelegd? De bekendste dromer én dromenduider in Genesis is Jozef.

De eerste dromer is Abimelech, koning van Gerar. Abraham, als vreemdeling in Gerar, heeft van Sara gezegd dat ze zijn zuster is en Abimelech heeft haar laten weghalen, maar God spreekt in een droom tot hem, zodat hij haar aan Abraham teruggeeft. Het woord ‘droom’ (Hebr.: chalom) komt hier twee keer voor (Genesis 20,3.6): God heeft aan twee mensen – Abraham en Sara – een zoon en een land beloofd (Genesis 17,16; 18,10).

De tweede dromer, Jakob, droomt twee keer: eerst tijdens zijn vlucht uit het Beloofde Land Kanaän. God hernieuwt erin zijn belofte aan Abraham en Isaak en voorzegt Jakob dat hij zal terugkeren naar Kanaän (Genesis 28,10-22). In een tweede droom tijdens zijn verblijf bij zijn oom en schoonvader Laban draagt God hem op om terug te keren (Genesis 31,11.13). Als Laban Jakob achterna is gegaan, droomt ook hij: dat God hem opdraagt om ‘met Jakob niet ten goede of ten kwade te spreken’ (Genesis 31,24).

Zo grijpt God in de geschiedenis in, telkens wanneer de vervulling van zijn belofte aan de aartsvaders en -moeders gevaar loopt.

Meesterdromer Jozef

In de Jozefgeschiedenis komen drie keer twee dromen voor. De eerste twee droomt Jozef als hij zeventien jaar is. Hij vertelt ze aan zijn broers, die hem haten omdat hun vader Jakob/Israël Jozef meer liefheeft dan hen. In de ene droom is Jozef met zijn broers schoven aan het binden op het veld en blijft zijn schoof opgericht, terwijl die van zijn broers zich voor de zijne buigen. In de andere ziet hij zon, maan en elf sterren zich voor hem buigen. Zijn broers en vader leggen de dromen uit als arrogante machtsdromen en zijn jaloers en boos op hem. Zijn broers willen hem doden, maar gooien hem in een put. Hij wordt verkocht aan Midjanitische kooplieden, die hem in Egypte verkopen aan Potifar, een hoveling van Farao.

Het woord ‘dromen’ komt hier dertien keer voor: elf keer waar Jozef zijn dromen over twaalf schoven en dertien hemellichamen vertelt (Genesis 37,5-11). De twaalfde en dertiende keer hebben zijn broers een aanslag op hem beraamd en zeggen: ‘Zie: die meesterdromer komt eraan!’ (Genesis 37,19), en spottend: ‘We zullen zien wat er worden zal van zijn dromen’ (Genesis 37,20).

Brood en wijn

De volgende twee dromen hoort Jozef in Egypte in de gevangenis van twee medegevangenen: de opperschenker en de opperbakker van Farao. Ze hebben een bijna identieke droom gehad, die ze niet kunnen duiden. ‘Zijn duidingen niet aan God? Vertelt me toch!’ zegt Jozef (Genesis 40,8). De opperschenker vertelt dat hij een wijnstok zag met drie ranken met druiventrossen, dat hij de druiven uitperste in de drinkbeker van Farao en hij deze Farao in de hand gaf. Jozef duidt de drie ranken als drie dagen, waarbinnen Farao het hoofd van de opperschenker zal verheffen: hij zal hem herstellen in zijn ambt. De opperbakker zag in zijn droom drie manden met witbrood op zijn hoofd en in de hoogste mand allerlei eten van Farao en het gevogelte dat eruit at. Jozef duidt de drie manden opnieuw als drie dagen, waarbinnen Farao het hoofd van de opperbakker zal verheffen: hij zal hem ophangen aan een boom, waarna het gevogelte van zijn vlees zal eten. Aldus geschiedt.

Het woord ‘dromen’ komt hier negen keer voor: drie ranken, drie dagen, drie manden. Elementen uit dit verhaal – wijn, brood, drie dagen, de verheffing aan een boom – komen terug in het verhaal van het Laatste Avondmaal en het lijden en sterven van Messias Jezus.

De Naam

De laatste twee dromen droomt Farao, over zeven vette en zeven magere stieren, en zeven volle en zeven magere aren. Niemand kan ze duiden, totdat de opperschenker zich Jozef in de gevangenis herinnert en Farao hem laat halen. Jozef duidt ze als zeven jaren overvloed die over het land zullen komen en daarna zeven jaren hongersnood. Hij raadt Farao aan om tijdens de jaren van overvloed voorraden aan te leggen voor de jaren van hongersnood. Farao stelt hem daartoe als onderkoning over Egypte aan en geeft hem een nieuwe naam: Tsafnat Pa’neach, wat volgens de rabbijnen betekent: ‘hij die openbaart wat verborgen is’ en volgens de Vulgaat: Salvator mundi (= verlosser van de wereld).1 Opnieuw klinkt hierin een verwijzing naar de Messias door.

Het woord ‘dromen’ komt hier zeventien keer voor. Zeventien is de leeftijd waarop Jozef door zijn broers werd verkocht, maar ook de getalswaarde van het Hebreeuwse tetragrammaton van de Godsnaam JHWH.

Ten slotte komen ook de eerste twee dromen die Jozef droomde, uit. Zijn broers zijn naar Egypte gekomen vanwege de hongersnood waardoor ook Kanaän is getroffen, en buigen zich voor hem, tot vijf keer toe (Genesis 42,6; 43,28; 44,14). Jakob/Israël zal daarna nog zeventien jaar met zijn familie in Egypte leven.

In de zes Jozefdromen spreekt God niet. Het is Jozef die de eerste twee dromen vertelt en de andere vier duidt. Hij legt ook uit waarom de dromen in tweetallen optreden: ‘En wat betreft de herhaling van de droom aan Farao, tweemaal: vast staat het woord bij God, God haast zich het te doen’ (Genesis 41,32). Het leven van Jozef, van zijn vader en broers én van Egypte wordt door deze zes dromen gered. Jozef legt dit zo uit aan zijn broers: ‘(…) weest niet bekommerd (…) want God heeft mij gezonden voor uw aangezicht tot behoud van leven’ (Genesis 45,5). Zo kan dankzij meesterdromer Jozef de wording van Israël en daarmee de heilsgeschiedenis in Egypte doorgaan.

< Terug