< Terug

U alleen, HEER, moet men aanbidden

Bij Baruch 6,1-6, Galaten 3,23-29 en Lucas 2,21

Boven hoofdstuk 6 van het apocriefe boek Baruch staat een opschrift dat verwijst naar de Babylonische ballingschap. De wederopbouw van de stad Jeruzalem en de tempel wordt in de voorafgaande hoofdstukken geplaatst in een apocalyptische toekomst. Maar in dit hoofdstuk wordt verondersteld dat die wederopbouw al heeft plaatsgevonden. Niet alleen hierom, maar ook vanwege het opschrift wordt dit hoofd- stuk ook beschouwd als Baruch 4 of, in de Septuaginta, als een zelfstandig apocrief boek getiteld ‘Brief van Jeremia’

De toewijzing van het schrijven van dit boek aan Jeremia of zijn dienaar Baruch is discutabel, want dat stuit op tegenstrijdigheden met betrekking tot het wegvoeren van het volk in ballingschap en de tijd van het verblijf van het volk aldaar. Voor Luther vormt dat echter geen reden om ‘Baruch IV’ in zijn vertaling achterwege te laten. De reden dat hij het toe- voegt aan de andere hoofdstukken van het boek Baruch: ‘weil er (Baruch) wider die Abgötterey so hart schreibet / und Moses gesetz furhelt’.1

Afgoderij en de wet van Mozes

De schrijver van dit joodse geschrift is vooral geïnteresseerd in zuiverheid, met name door het nationale karakter van de godsdienst te benadrukken. Alvorens de ballingen kunnen terugkeren naar Jeruzalem, worden zij opgeroepen om hervormingen door te voeren, wat neerkomt op het wegdoen van de goden die zij tijdens hun verblijf in Babel opgetild, rondgedragen en vereerd hadden zien worden. Die goden waren gemaakt van zilver, goud of hout en bedoeld om de heidense volken vrees aan te jagen (Baruch 6,3). Wat Luther met name aansprak in dit boek was de harde wijze waarop wordt afgerekend met die goden. De schrijver van het boek is inderdaad druk doende om die goden te vergelijken met de God van Israël tegen wie ze het moeten afleggen in trouw en kracht. Bespottelijk maakt hij ze: kijk die goden toch van zilver, goud of hout. ‘Om hun lichaam en hun hoofd vliegen nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, evenals ook de katers (…)’ (6,21; vert. P. Oussoren, Buiten de vesting, Vught 2008). Je zou verwachten dat de schrijver na deze harde afrekening flink uitpakt over de God van Israël, maar dat is niet zo. Tenzij je alle negatieve beschrijvingen over de goden omkeert in positieve en vervolgens daaruit opmaakt hoe anders de God van Israël is. Uit ‘Van de dood kunnen zij geen mens losrukken’ (6,35) kun je opmaken dat de God van Israël een mens kan losrukken van de dood. Net zo kan Hij ‘een zwakke redden van een sterke, een blinde genezen en laten zien, zich ontfermen over een weduwe en een wees goed doen’ (6,35-37, vert. Buiten de vesting). Je hoort hoe overduidelijk Baruch met zijn harde afschrijving van de goden bezig is de wet van Mozes als maatstaf te hanteren voor de beoordeling van die goden. Daar- bij komt hij tot de slotsom dat zulke goden bespottelijk zijn en een rechtschapen mens niet bespot wordt, omdat hij zulke goden niet heeft (6,72).

Meester en HEER

De vraag waarom op 1 januari – de achtste dag (het octaaf) van Kerst, de feestdag van de Naamgeving en besnijdenis van de Heer – Baruch 6,1-6 op het Evangelisch-Lutherse Leesrooster staat, is niet makkelijk te beantwoorden. Is het de harde afwijzing van afgoden of de wet van Mozes die de kerk op Nieuwjaarsdag de gemeente voorhoudt? Wellicht is vers 5 het aanknopingspunt. Daarin klinkt de waarschuwing om je niet aan te passen aan de menigte die vreemde goden aanbidt. En als je ziet dat de menigte dat doet, zeg dan bij jezelf: ‘Aan U moet men zich onderwerpen, meester!’ Het Griekse woord despota is de aanspreekvorm (mannelijk singularis) van despotès, dat zo- wel ‘heer’ als ‘meester’ kan betekenen, en wordt bij de Grieken vooral voor de goden gebruikt. In Baruch 6,5 wordt dit godenwoord gereserveerd voor God ter onderscheid van de goden van zilver, goud of hout. De vertaling van despota met ‘HEER’ (het tetragrammaton) is daarom op zijn plaats (vgl. WV 1995). De vertaling van de vierletterige Godsnaam op andere bijbelplaat- sen in de Septuaginta met despota staat dit toe (Genesis 15,8; Jona 4,3; Jeremia 15,11; Spreuken 29,25; Daniël 9,8). Door op de feestdag van de Naamgeving en besnijdenis van de Heer te lezen dat we God het beste kunnen aanroepen met de Naam ‘HEER’, ter onderscheid van de goden van de heidense volken, is wel zo passend. Waar de Naam van God die je aanroept voor staat, kun je lezen in Baruch 5,4: Vrede-in-gerechtigheid en Glorie-in-godsvrucht (Gr.: eirènè dikaiosúnès kai doxa theosebeias, vert. Buiten de vesting).

Evenals in de profetenlezing wordt in de epistellezing van deze feestdag, Galaten 3,23-29, het belang van de wet van Mozes benadrukt. Met de komst van Christus is de wet niet afgeschaft. De wet heeft zijn functie als opvoeder ‘in Christus’ (Gr.: paidagoogos eis Christon – 3,24). Voor een goed verstaan van de wet is het van belang om wat van eis Christon wordt gezegd in vers 24 en 27 aan elkaar te verbinden. Dat de wet zijn functie behoudt voor hen die geloven in Christus kan namelijk worden begrepen uit de doop. Immers, ook zij die gedoopt worden eis Christon zijn – als het goed is – in een voorstadium van hun doop ‘in Christus opgevoed’ als geloofsleerling. Eis Christon kan beter niet worden vertaald als ‘één met Christus’ (Nieuwe Bijbelvertaling) omdat een tekst als Didachè 9,5 aangeeft dat hiermee bedoeld kan zijn ‘gedoopt in de Naam des Heren’.2 Dat valt op deze Naamgevingsdag uiteraard te beamen!

< Terug