< Terug

Utopie en rebellie

Het boek Numeri laat zich lezen als een boek voor na de ballingschap. Aan de ene kant biedt het een utopie, een hoopvol perspectief voor de opbouw van de gemeenschap na de crisis. Aan de andere kant is het een ‘boetespiegel’, een profetische oproep om niet in de oude fouten te vervallen, nu men na de ballingschap opnieuw begint.

Aarnoud Jobsen is emeritus predikant, docent Oude Testament en studieleider cursus Theologische Verdieping te Goes.

Hoopvol perspectief na de ballingschap

Het boek Numeri biedt in de eerste tien hoofdstukken een hoopvol perspectief voor de tijd na de ballingschap. Dan is het geleidelijk aan weer mogelijk dat er gebouwd wordt: aan de muren van de stad, aan de tempel die nog in puin ligt, aan een daarbij passende cultus en vooral aan een gezamenlijke mentaliteit en identiteit: een volk zijn dat de crisis van de ballingschap heeft overleefd, dat moed en kracht ontleent aan de woorden van de Tora, waaraan de naam van Mozes is verbonden. Een volk bestaande uit twaalf stammen. Die twaalf stammen zijn na de ballingschap weliswaar eerder fictie dan werkelijkheid, maar ze maken deel uit van een theologisch herstelprogramma. Herstel voor Israël en Juda als één onverdeeld volk. Eén volk dat als voorbeeld kan dienen voor andere volken, een volk waaraan God zich nadrukkelijk wil verbinden. Een God die met dit volk op weg gaat, de eeuwen door en ook in de toekomst.

Die twaalf stammen maken deel uit van een theologisch herstelprogramma waaraan God zich nadrukkelijk wil verbinden.

Onderweg als vernieuwde gemeenschap

De locatie van het begin van het boek Numeri is niet Jeruzalem, ook niet Babel, maar de omgeving van de Sinaï, die zich zo halverwege Egypte en het ‘Beloofde Land’ bevindt. De eerste zin van het boek Numeri luidt letterlijk vertaald: ‘en de Heer sprak tot Mozes (1) in de woestijn Sinaï (2), in de tent van de ontmoeting (3) op de eerste van de tweede maand in het tweede jaar (4) van hun uittrekken uit het land Egypte (5), zeggende: …’. De cijfers tussen haakjes geven vijf belangrijke thema’s weer die in het boek Numeri voorkomen: allereerst de uitzonderlijke relatie tussen de Heer en Mozes, waarin Mozes uniek blijkt te zijn. De Heer spreekt tot Mozes van ‘mond tot mond’; de organisatie van de vernieuwde gemeenschap vindt plaats volgens het principe ‘naar de mond van de Heer, in de hand van Mozes’.

De woestijn Sinaï verwijst naar de Tien Woorden, zoals beschreven in Exodus 19 en 20, woorden die de kern van de Tora vormen en waaraan de uit Egypte bevrijde slaven zich met hart en ziel verbinden: ‘wij zullen doen en horen’. De Heer ziet zijn volk als een volk van priesters (Exodus 19,5-6). Een heilig ideaal dat vooral in de eerste tien hoofdstukken van het boek Numeri bijna statutair aan de orde komt. De tent van de ontmoeting, die een onderdeel is van ‘de woning’, in vertalingen gangbaarder als ‘tabernakel’, is de plaats waar de Heer en Mozes samenspreken en leiding geven aan de tocht door de woestijn. Het volk kan bij de ingang van deze ontmoetingstent samenkomen om zo door Mozes, meestal vergezeld van Aäron, beslissende opdrachten te ontvangen.

De tijdsaanduiding duidt op het belang van de uittochtervaring, de bevrijding uit de slavernij onder hachelijke omstandigheden, de herinnering ook aan wonderlijke momenten van goddelijke redding, zoals die in het boek Exodus zijn beschreven. De herinnering daaraan wordt geactualiseerd door de viering van het Pesachfeest. De eerste viering daarvan wordt dan ook in het negende hoofdstuk van het boek Numeri beschreven. Het land Egypte blijft in de loop van het boek Numeri een belangrijke rol spelen in de herinnering van het volk, niet alleen als pijnlijke herinnering, maar ook, bij dissidente groeperingen, als het land waar het leven in wezen goed was, een land dat te verkiezen is boven de onzekerheid van het leven in de woestijn op weg naar een onbekend land dat niemand ooit van dichtbij heeft gezien.

Omstreden gezag van Mozes

De thema’s die in de eerste zin van het boek voorkomen, maken al duidelijk dat het niet vanzelfsprekend is dat het project gaat slagen. Voor veel mensen zal het te abstract, te ver van hun bed, te ver van hun persoonlijke belangen zijn, te onpraktisch en veel te theologisch. Voor hen is de unieke positie van Mozes omstreden: er is geen ‘democratische’ controle mogelijk op zijn leiderschap. Mozes’ leiderschap heeft in hun ogen totalitaire trekken. En welk ambt bekleedt Mozes? De Heer beschouwt hem als zijn ‘knecht’ bij uitstek en beschrijft hem als een zachtmoedige persoon (Numeri 12). Mozes zelf lijdt onder de last van zijn taak, zeker als de oppositie hem onder vuur neemt (Numeri 11). Aäron, de broer van Mozes, bekleedt het priesterlijke ambt. Ook dat ambt is niet onomstreden. De Levieten hebben immers ook hun eigen positie binnen de cultus en je mag verwachten dat ze hun stem willen laten horen en hun krachten willen bundelen. Hoe dat uit de hand loopt, lezen we in hoofdstuk 16.

De cultus centraal

Voordat de conflicten aan de orde komen in het boek Numeri, wordt eerst de organisatie van het bevrijde volk gedetailleerd geregeld en beschreven. De eerste tien hoofdstukken van het boek Numeri schetsen een rondom de ‘tent van de ontmoeting/samenkomst’ gegroepeerde samenleving. De twaalf stammen zijn in vier aparte afdelingen gegroepeerd naar de vier windstreken. Steeds drie stammen samen met Levitische onderafdelingen. De stammen hebben stamhoofden en alle mannelijke leden van de stammen in de leeftijd van twintig tot vijftig worden zorgvuldig geteld. Het gaat om de mannen die kunnen uittrekken in het leger. Dit militaire aspect speelt aanvankelijk geen rol. Het gaat om een strikte organisatie rondom de ‘woning van de Heer’. De cultus is primair. Het boek Numeri neemt er alle tijd voor. In vier lange en voor moderne lezers monotone hoofdstukken komen zo aan de orde: de eerste telling in de woestijn (Numeri 1), de opstelling van de stammen rondom de tent van de samenkomst (Numeri 2), de onderlinge verhouding van Levieten en priesters (Numeri 3), en de telling en taakverdeling van de Levieten (Numeri 4). Het volk dat onderweg is vormt een gemeenschap voor wie de cultus de kern van de samenleving vormt. De integriteit kan in gevaar komen door onreinheid, door ontrouw en jaloezie (Numeri 5).

Een lang intermezzo beschrijft de samenhang tussen ethiek en cultus. De kwetsbaarheid van vrouwen die verdacht worden van overspel komt aan de orde in een speciaal voorschrift: door een zorgvuldig onderzoek gevolgd door een voor moderne lezers bizar ritueel kan een einde gemaakt worden aan elke door jaloezie veroorzaakte verdachtmaking (5,11-31). Dat alleen de vrouw dit op het eerste gezicht vernederende ritueel ondergaat, is in latere rabbijnse geschriften van de nodige nuances voorzien. In de praktijk zal men zich wel meer keren bedenken voor men zijn vrouw aan dit ritueel onderwerpt.

De samenhang van cultus en ethiek

In hoofdstuk 5 staat dus allereerst de integriteit van de gemeenschap centraal. Die integriteit wordt bevorderd wanneer ieder zich gedraagt naar de voorschriften daarin gegeven. Niet elk lid van de gemeenschap wil zich zonder meer conformeren. Wie niet tot de groep van de Levieten behoort, krijgt geen bijzondere taak in de cultus. Toch zullen ook niet-Levieten zich geroepen voelen om zich in het bijzonder toe te wijden aan de Heer. Die toewijding komt tot uiting in het nazireaat dat in hoofdstuk 6 wordt beschreven. De voorschriften daarvoor moeten voorkomen dat men lichtzinnig een gelofte van bijzondere toewijding uitspreekt. Tegelijkertijd voorkomt men hiermee dat er allerlei wildgroei ontstaat op spiritueel gebied. De eenheid van de cultusgemeenschap blijft zo in stand. Zo’n gemeenschap is waardig om de priesterlijke zegen te ontvangen. Numeri 6,22-27 vormt het hoogtepunt in het verbonden zijn van de Heer met de gemeenschap door bemiddeling van de priesterlijke zegen.

De ‘woning’/tabernakel van de Heer kan nu worden ingewijd (Numeri 7). Dat gebeurt door zalving en heiliging, een ritueel dat Mozes uitvoert, gevolgd door het brengen van offergaven door de vorsten van Israël. Numeri 7,12-83 wordt dan een stapellied. Elke dag brengt de volgende stam in volgorde van anciënniteit exact dezelfde offergave. Dat gebeurt zo twaalf dagen achtereen. Hoewel dit stapellied voor moderne lezers als uiterst monotoon overkomt, heeft het de functie van een feestelijke proclamatie van alle stammen die op dezelfde wijze bij de inwijding van de woning betrokken zijn. De plaatsing van de kandelaar en de wijding van de Levieten bekronen de inwijding (Numeri 8). Israël is nu samengesmeed rondom de woning en de daarbij behorende cultus. Het feest van Pesach kan worden gevierd (Numeri 9,1-15).

Alleen door een goddelijk gericht kan de Heer orde op zaken stellen en het gezag van Mozes en Aäron herstellen.

Niets staat het vertrek naar het Beloofde Land in de weg, waarbij de Heer steeds duidelijke signalen geeft door wolk en vuur om verder te trekken, en wanneer de wolk rust boven de woning, is er alle ruimte voor de eredienst (Numeri 9,15-23). Dit lijkt de ideale situatie. Trompetten en speciale signaalarticulaties op deze instrumenten begeleiden het vertrek (Numeri 10,1-10); de instrumenten worden ook ingeschakeld zodra er strijd gevoerd moet worden. Het vertrek vindt ordelijk plaats (Numeri 10,11-28). Geheel zeker is Mozes niet van zijn zaak. Hij schakelt zijn zwager in als gids (Numeri 10,29-34). Het eerste hoofddeel van Numeri wordt vervolgens afgesloten met een lofprijzing waarin Mozes zijn vertrouwen in de bescherming van de Heer uitspreekt (Numeri 10,35-36).

Rebellie als keerzijde van de utopie

Het utopisch ideaal van een hecht verbonden integere gemeenschap houdt geen stand. Er is een scherpe cesuur tussen het tiende en het elfde hoofdstuk. Het volk rebelleert, de Heer bestraft het volk en het volk schreeuwt zijn angst uit tegenover Mozes, die vervolgens tot de Heer bidt. Door de voorbede van Mozes eindigt de bestraffing. Dit alles in drie verzen, bijna in een staccatostijl (Numeri 11,1-3). Ze vormen de proloog van de rebelliecyclus binnen het boek Numeri (hoofdstuk 11 t/m 20). Zo statisch als de eerste tien hoofdstukken van Numeri overkomen, zo dynamisch is dit gedeelte. Er komen niet alleen rebelliemomenten voor, er volgen nieuwe cultische voorschriften die voor een deel correcties zijn op eerdere afspraken.

In het eerste rebellieverhaal is Mozes alle gezag en vertrouwen kwijtgeraakt. De last die op hem drukt is te zwaar. De Heer komt daaraan tegemoet door de ‘geest van Mozes’ te laten rusten op zeventig van de oudsten van de stammen van Israël. De roep terug te keren naar Egypte klinkt als een volstrekt gebrek aan vertrouwen in de goede afloop van de woestijnreis. Het gezag van Mozes en dat van zijn profetische taak wordt ook aangevochten door Mirjam (Numeri 12), het verkennen van het Beloofde Land loopt uit op een propagandastrijd tussen een meerderheid van tien verkenners die de missie als totaal onmogelijk beschouwen en twee verkenners die hun vertrouwen blijven uiten. Het gezag van Mozes en Aäron wordt verder aangetast en de rebellie loopt uit op een revolte als het volk Mozes en Aäron wil stenigen (Numeri 14,10). De Heer moet het met vuur voor hen opnemen. Het volk stort zich in een militair avontuur, nadat de Heer de woestijnperiode met veertig jaar heeft verlengd als straf voor de revolte. De anarchie lijkt compleet.

Na deze crisismomenten stelt de Heer opnieuw de norm voor de identiteit van het volk: het moet een heilig volk zijn, zoals de Heer heilig is (Numeri 15). Mannen moeten de uiterlijke tekenen van deze heiligheid aan hun kleding aanbrengen.

Machtsstrijd

Een dissidente minderheid van Levitische priesters uit de onderafdeling van Korach gaat dan juist op dit thema van heiligheid verder. Hun heiligheid en hun cultische vaardigheden zijn zo veel intenser in kracht dan die van Mozes en Aäron. Er tekent zich steeds meer een machtsstrijd af, waarbij Mozes en Aäron gemarginaliseerd raken. Alleen door een goddelijk gericht kan de Heer orde op zaken stellen en het gezag van Mozes en Aäron herstellen (Numeri 16,1–17,15). Er komen aanpassingen in de verhouding en taakomschrijvingen tussen de priesters en de Levieten, die van dat moment af een ondergeschikte rol gaan spelen binnen de cultus (Numeri 18). De cultische voorschriften worden verscherpt; er komen aanwijzingen bij hoe men moet omgaan met de aantasting van de integriteit door het aanraken van doden – er zijn inmiddels veel doden gevallen tijdens de crisis van de rebellie. Een bijzonder ritueel betreft dat van de rode koe, die in het ‘ontzondigen’ een rol moet gaan spelen (Numeri 19). Dan volgt een nieuwe crisis, die niet alleen het volk maar ook Mozes en Aäron in het bijzonder aangrijpt: de dood van Mirjam. Wanneer dan de volgende reeks verwijten over een gebrek aan water Mozes en Aäron diep treft, gaan Mozes en Aäron over hun grenzen heen en negeren ze de aanwijzing van de Heer om te spreken tot de rots, zodat er water tevoorschijn komt. Mozes en Aäron stellen zich op tegenover het volk. Door te slaan op de rots versterkt Mozes zijn autoriteit en die van Aäron. Er komt water tevoorschijn, maar niet op de voorwaarden van de Heer (Numeri 20,2-13). Mozes en Aäron zijn een speelbal geworden in het machtsspel met een rebellerend volk. Door hun handelen hebben ze hun autoriteit ten opzichte van het volk misschien gewonnen, maar het gaat ten koste van hun integriteit. Ze zijn dader en slachtoffer tegelijk. Een tragisch dieptepunt in het boek Numeri. Er lukt dan ook niets meer. Edom, het volk dat ten zuiden van het Beloofde Land woont en een doortocht zou moeten verlenen langs de kortste weg, weigert. Pijnlijk omdat Edom de ‘broer’ is van Israël, zoals Esau de tweelingbroer is van Jakob. Het pijnlijk gebrek aan solidariteit weerspiegelt verschillende profetische teksten uit de tijd rondom de ballingschap, met name in het boekje Obadja. Aäron sterft.

Mozes moet de Tora aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, die mede door de ontrouw van het volk zijn ontstaan.

De rebelliecyclus van Numeri 11–20 past in het genre van profetische geschiedschrijving, dat een theologisch antwoord geeft op de vraag waarom Juda de crisis heeft meegemaakt die zijn dieptepunt vond in de verovering van de onaantastbaar geachte stad, de verwoesting van de tempel en de ballingschap, die op het eerste gezicht de ellende compleet lijkt te maken.

Contact met andere volken, grenzen aan de solidariteit

Het derde deel van het boek Numeri heeft een diffuus karakter (hoofdstuk 21–36). De verhouding met andere volken komt aan de orde. Israël lijkt in militair opzicht oppermachtig te zijn (Numeri 21 en 31). Daarom schakelt een angstige koning Bileam in, de grootste profeet onder de volken, de ‘Mozes’ van de volken ten oosten van de Jordaan, met zijn magische kracht. De Bileamcyclus lijkt een satire en tegelijkertijd wordt daarin de suprematie van de God van Israël bevestigd (Numeri 22–24).

Wat de koning van Moab niet voor elkaar krijgt, lukt de aantrekkelijke cultus van Moab, de vruchtbaarheidsfeesten van Baäl. De vrouwen van Moab gaan zich daaraan te buiten samen met de mannen van Israël. Het accentueert de totale mislukking van het woestijnproject. Het volk gedraagt zich verre van heilig vlak bij de grens van de Jordaan (Numeri 25).

De onderlinge solidariteit tussen de stammen wordt doorbroken, wanneer 2½ stam economische voorspoed voor zichzelf opeist door met hun kudden te mogen wonen in het veroverde gebied buiten de grenzen van het land, ten oosten van de Jordaan (Numeri 32).

Een lichtpunt in dit derde deel waarin ook crisis en goddelijk oordeel belangrijke thema’s vormen, is het optreden van de dochters van Selofchad, die hun vaderlijk erfdeel opeisen, ook al gaat dat tegen de regels van de Tora in. Mozes moet de Tora aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, die mede door de ontrouw van het volk zijn ontstaan (Numeri 27 en 36).

Het boek Numeri draagt bij aan een nieuw leven na de crisis. Enerzijds opent het de utopie van een uitgebalanceerde, integere gemeenschap rondom de tempel, anderzijds waarschuwt het voor de oude fouten die de nieuwe gemeenschap zullen bedreigen, en doet dat met profetische scherpte.

Literatuur

• Aarnoud Jobsen, Krisis en Hoop: Een exegetisch-theologisch onderzoek naar de achtergronden en tendensen van de rebelliecylsus in Numeri 11:1-20:13 (dissertatie; Kampen: Mondiss, 1987).

• Aarnoud Jobsen, Bileam: Profeet tussen Israël en de volken (Kampen: Kok, 1991).

• Aarnoud Jobsen, Numeri 1 (Kampen: Kok, 2008); Numeri 2 (Kampen: Kok, 2010).

< Terug