< Terug

Van crisis tot hoop

Ezechiël is een opmerkelijk mens, opgeleid tot priester, geroepen tot profeet. Zijn boek trekt de aandacht omdat het zich beweegt van crisis naar hoop en aan die hoop gestalte geeft in uitgebreide visioenen. Het wordt nooit saai in dit boek, want het spreekt in parabels en metaforen.
Zijn naam klinkt als een programma: moge God kracht geven

Aarnoud Jobsen is predikant in Goes. Van zijn hand verschenen diverse publicaties over het Oude Testament.

Inleiding op het boek Ezechiël

Ezechiël behoort tot de drie Grote Profeten in de Bijbel: Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Biografische elementen spelen in deze geschriften een grote rol. In de naam Ezechiël treffen we het werkwoord chzq aan: ‘krachtig zijn, kracht geven, bekrachtigen, sterken’. De naam Ezechiël kan dan vertaald worden als ‘Moge God kracht geven’. Die kracht heeft de profetische hoofdpersoon heel hard nodig. Hij behoort tot de eerste groep die door de Babyloniërs in 597 voor Christus is gedeporteerd. Tot deze groep behoren vooraanstaande inwoners van Jeruzalem en tot deze gedeporteerden richt Ezechiël ziEzechiël treedt jn profetische boodschap. Zijn naam klinkt daarbij als een programma: in de uiterst kwetsbare omstandigheden waarin de profeet en zijn eerste hoorders verkeren, moge God kracht geven.

Ezechiël treedt op als profeet, terwijl hij een intensieve opleiding heeft gevolgd om op dertigjarige leeftijd als priester te kunnen fungeren. Juist als hij die taak zou kunnen uitvoeren, wordt de weg daartoe afgesloten door zijn deportatie. In de eerste jaren van zijn profetische werkzaamheden spreekt hij beslist geen sussende of troostende woorden. De verbannen inwoners die met spanning afwachten hoe het verder met Jeruzalem zal gaan, worden niet gerustgesteld. Ezechiël roept op tot inkeer. Veel van zijn ernstige vermaningen eindigen met de oproep: ‘opdat jullie/zij weten dat ik de Heer ben’. Dat leidt tot een radicale heroriëntatie op de verbondenheid met de Heer met alle morele en ethische consequenties die daarbij passen.

Macht en Majesteit

Het boek Ezechiël begint na de datering en introductie van de profeet met een indringend visioen, dat ook bekendstaat als het ‘troonwagenvisioen’. Ezechiël wordt in dit visioen geroepen tot profeet. Het visioen vindt niet plaats in de tempel van Jeruzalem zoals Jesaja overkomt (Jesaja 6), maar juist ver buiten Jeruzalem, in Babel. Er is een zorgvuldige opbouw van de mensen engelachtige wezens, via het voertuig, naar de troon met de mensachtige gestalte, waarin uiteindelijk de heerlijkheid van de Heer zichtbaar wordt. Ezechiël is ver verwijderd van het heiligdom van Jeruzalem, waar hij als priester zou kunnen fungeren. Maar de Heer creëert in het visioen dat met mathematische precisie wordt beschreven, voor Ezechiël een nieuw heiligdom dat niet langer aan één plaats gebonden is. Het visioen vindt zijn bekroning in een stem die tot hem spreekt. Op die manier wordt de priester-profeet voorbereid op de bijzondere taak die hem wacht: in de ballingschap als spreekbuis van de Heer te fungeren, een taak enigszins vergelijkbaar met die van Mozes in de woestijn. Een taak die het uiterste vergt van de profeet, omdat de woorden van de Heer bijzonder hard aan kunnen komen, waarbij Ezechiël persoonlijk ook diep wordt geraakt. Wat de Heer vraagt, lijkt bovenmenselijk. Het visioen dat aan de ‘stem die spreekt’ voorafgaat, moet Ezechiël de overtuiging geven, dat de macht en de majesteit van de Heer hem ondersteunt.

Wie leest in Ezechiël krijgt een stort vloed van schokkende beelden en uitspraken te verwerken

Mensenzoon

Ezechiël krijgt een bijzondere titel. Hij wordt door de Heer bij het doorgeven van nieuwe woorden steeds aangesproken als ‘mensenzoon’. Die aanspreking heeft een gelaagde betekenis. De tegenstelling tussen de majesteit van de Heer zoals die in het troonwagenvisioen tot uiting komt en de kwetsbare positie van de profeet is de eerste laag. De aanspreking zal hem ook steeds herinneren aan zijn bijzondere roeping. De aanspreking legitimeert de profeet en fungeert als titel. Het Hebreeuwse woord bèn dat met ‘zoon’ is vertaald, kan ook betekenen ‘behorend tot’. Dan betekent de aanspreking in feite ‘mens’. De ‘mens’ is geroepen tot humaniteit tegenover de corruptie, de afgoderij en het geweld die de samenleving verzieken.

Daadprofetie

Wie verder leest in Ezechiël krijgt een stortvloed van schokkende beelden en uitspraken te verwerken. Daarbij zet de profeet alle mogelijke middelen in. In Ezechiël 4 maakt hij een maquette van Jeruzalem, waarmee hij de belegering van de stad uitbeeldt. Het gruwelijke lot dat de inwoners zullen ondergaan, beschrijft hij met het dreigende refrein: ‘het zwaard, de honger en de pest’. Op initiatief van de Heer vereenzelvigt hij zich eerst met een Babylonische generaal. Daarna wordt hij vastgebonden om toe te zien op de uitgebeelde belegering van de stad. De profeet wordt daarbij zelf slachtoffer en draagt de straf voor het onrecht van het huis Israël. Gedurende meer dan een jaar onderwerpt hij zich aan een hongerrantsoen in uiterst vernederende omstandigheden. Wanneer hij bij deze ‘performance’ de opdracht krijgt zijn eten te bereiden op een vuur van menselijke uitwerpselen, protesteert hij bij de Heer. De Heer staat hem toe deze laatste opdracht niet uit te voeren. Als priester is hij al tot en met vernederd.

In hoofdstuk 5 gaat de uitbeelding van het oordeel verder. De opdracht die hij krijgt om zijn hoofd-en baardhaar af te scheren is een ultiem teken van vernedering. Het vervolg heeft iets van een theatraal cynisme. Hij moet zijn haar nauwkeurig wegen op een geijkte weegschaal en dit vervolgens met uiterste precisie verdelen. Een derde deel van het haar verbrandt hij in de vlam die midden in de maquette van de stad brandt. De aankondiging is duidelijk. Een groot deel van de inwoners van de stad zal omkomen wanneer deze stad bij de aanstaande belegering in brand staat.

Het einde komt

Hoofdstukken lang gaat het zo verder. Eerst kondigt de profeet het oordeel aan over de bergen en heuvels van Israël. Het lot van Jeruzalem treft ook het gehele omliggende land (Ezechiël 6). Hierop volgt een oordeelslied. Als refrein klinkt ‘het einde komt’, gecombineerd met ‘de dag’ (7). Hoofdstuk 8 biedt achtergrond. Ezechiël krijgt inzicht in vormen van afgoderij en minachting van de Heer zoals die zich juist in en rondom de tempel van Jeruzalem afspelen.

De woede van de Heer gericht tegen de inwoners van Jeruzalem wordt in schrille kleuren beschreven (9). Zes mannen zullen de vernietiging voltrekken. Alleen degenen bij wie een teken is aangebracht omdat zij juist hebben geleden onder de afgoderij, blijven gespaard. Ezechiël uit zijn verbijstering in een noodkreet, waarop de Heer afwijzend reageert. Door zijn tegenspraak wordt de positie van Ezechiël als integere profeet geaccentueerd. Hij is daardoor te vergelijken met anderen die eerder de Heer hebben tegengesproken: Abraham en Mozes, ook in een situatie waarin een radicaal oordeel voorkomt.

Discussie

Hoofdstuk 10 beschrijft de voorbereidingen voor het ‘vertrek’ van de Heer uit de tempel van Jeruzalem. Daarop volgt de metafoor van ‘de pot en het vlees’. De arrogantie van degenen die zich veilig achten in Jeruzalem, komt daarin tot uiting. Voor de elite is de stad een veilige plek, de ‘pot’ waar zij het ‘vlees’ zijn (11).

Voor wie twijfelen aan de profetische zeggingskracht en het effect daarvan, beeldt Ezechiël een overhaaste vlucht uit Jeruzalem uit. Hij eet ‘zijn brood met beving’. Met het spreekwoord ‘de dagen zijn lang en verloren gaat elk visioen’ relativeren de toehoorders van Ezechiël zijn oordeelsprofetie. Op zijn beurt verklaart de Heer dat dit spreekwoord niet geldig is. Het profetische visioen kan niet langer worden afgedaan als fictie. Daarop stelt Ezechiël vormen van misbruik van profetie en magie expliciet aan de orde (12-13).

Voorbeeldig gedrag

Als de oudsten de Heer willen raadplegen, wordt duidelijk dat hun toewijding aan de afgoderij een struikelblok vormt (Ezechiël 14). Alleen door integer gedrag kan men ontkomen aan de toorn van de Heer (14,12-23). Het lijkt erop dat hier voor het eerst iets van hoop doorklinkt. Daarbij becommentarieert Ezechiël het theologische concept dat uitzonderlijke personages hun volk kunnen redden van een godsgericht. Hij noemt hierbij Noach, Job en Daniël, personages die ook een rol spelen in de verhaaltradities buiten Israël. Hun gedrag is voorbeeldig. Wie hun voorbeeld volgt, kan deel uit gaan maken van een ‘rest’ die ontkomt. In het geheel van Ezechiël 1-24 is dit een hoopvol accent in een verder zo grimmige tekst.

Een persoonlijke keuze

In de volgende hoofdstukken maakt Ezechiël gebruik van parabels en metaforen: de parabel van de wijnstok (15), de breed uitgesponnen en schokkende metafoor van Jeruzalem als ontrouwe echtgenote van de Heer (16) en die van de adelaars en de wijnstok (17). Hoofdstuk 18 neemt een bijzondere positie in. Langzamerhand biedt Ezechiël een nieuw perspectief: dat van de persoonlijke verantwoordelijkheid en van de mogelijkheid om zelf te kiezen voor een integere levensstijl. Hij becommentarieert hierbij een spreekwoord: ‘vaders eten onrijpe druiven en de tanden van de zonen worden stomp’. Kinderen kunnen geen uitvluchten zoeken in het gedrag van hun ouders. Het omgekeerde geldt ook: als kind van een rechtvaardige ouder betekent dat niet dat je automatisch ook voor de goede weg zult kiezen. Namens de Heer wijst Ezechiël elke vorm van theologisch determinisme af. Dit is een belangrijk gegeven in het boek Ezechiël. Er is geen collectieve schuld en ook geen collectieve verdienste. Elke mens moet zelf de juiste keuze maken. In hoofdstuk 33 komt dit thema terug.

In de kookpot

Het oordeel krijgt gestalte, eerst in een klaaglied over de vorsten van Israël (Ezechiël 19). Dan schetst Ezechiël het bredere perspectief in een geschiedenis van de Heer met zijn volk met de thematiek van bevrijding, oordeel en perspectief op herstel (20). Het oordeel klinkt vervolgens heftig door in een zwaardlied (21). Na een veroordeling van misdaad en afgoderij (22) volgt een aanstootgevende parabel over voortdurende ontrouw, met als hoofdpersonen Ohola en Oholiba, de gepersonifieerde steden Samaria en Jeruzalem (23). Dan blijkt dat de stad Jeruzalem niet meer te redden is (24). In dit laatste, collageachtige hoofdstuk komt de sprekende parabel voor van de kookpot. Bijzonder is dan dat de persoonlijke situatie van Ezechiël aan de orde komt. Wanneer de vrouw van Ezechiël sterft, verbiedt de Heer hem te rouwen. Zoals Ezechiël niet mocht rouwen, zo zullen degenen die deel uitmaken van de eerste groep ballingen niet mogen rouwen over de vernietiging van de stad Jeruzalem.

Er is geen collectieve schuld en ook geen collectieve verdienste

De ene God

Met hoofdstuk 24 wordt het eerste gedeelte van het boek Ezechiël afgesloten. Speelden in het eerste gedeelte van Ezechiël de thema’s van oordeel en gericht een grote rol, nu gaat het perspectief verschuiven. Na de val van Jeruzalem komt er nieuwe hoop voor de ballingen in Babel. Voor dat herstel lijkt een lange weg nodig te zijn. In theologisch opzicht moet er ‘orde op zaken’ worden gesteld. Hoe kan het dat de Heer zo hard oordeelt over Jeruzalem en Israël? Hoe kan het dat de Heer een vreemde macht als Babel kennelijk als instrument voor het gericht tegen zijn volk gebruikt?

Uit het vervolg blijkt dat de Heer de ene God is die de gebeurtenissen in de wereld regisseert. Zo betreft zijn oordeel niet alleen Jeruzalem en Israël, maar moeten ook de omliggende volken rekenschap afleggen van hun lafhartige en arrogante politiek. De ‘kleine’ volken in de onmiddellijke omgeving van Israël worden daarbij als eerste genoemd: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen (Ezechiël 25). Hun macht is kennelijk gering vergeleken met die van de zee-en handelsmacht van Tyrus, aan welke stad een hele cyclus is gewijd: hoofdstuk 26-28. Opmerkelijk is in deze cyclus het gebruik van stijlmiddelen als parodie, ironie en sarcasme. Aan het slot komt Sidon aan de orde. Een tweede grote cyclus is die over Egypte. Ook hier sarcasme, parabels en liederen (29-32). Aan het eind van deze cyclus worden Assyrië, Elam en Mesech-Tubal genoemd en, opmerkelijk genoeg, ook Edom en Sidon die al eerder zijn genoemd. De ondergang van de volken is totaal. In Ezechiël 32,22 en de daaropvolgende verzen komt de sfeer van immense gewelddadigheid al naar voren zoals die later voorkomt in de huiveringwekkende hoofdstukken 38-39 over de totale oorlog met Gog van Magog.

Ezechiël 33 stelt opnieuw aan de orde dat Ezechiël als wachter over Israël is aangesteld. Zijn taak is het het volk op indringende wijze te waarschuwen. Het motief van individuele verantwoordelijkheid en de keuze integer te leven komt in dit hoofdstuk terug, waarbij de argumenten uit hoofdstuk 18 herhaald worden.

Herders

In hoofdstuk 34 komt de metafoor van de herder en de schapen voor. De slechte herders hebben slecht voor de schapen gezorgd. Daarom neemt de Heer zelf het herderschap over de kudde op zich, waarbij Hij het opneemt voor verwaarloosde en verzwakte schapen en afrekent met de schapen die geprofiteerd hebben van de wijze waarop de slechte herders hebben gefungeerd. In het tweede deel van dit hoofdstuk komt het perspectief van de goede herder naar voren. Deze herder stemt overeen met de ideale David. Aan een leider volgens dit profiel kan het volk hoop ontlenen.

De thematiek van het oordeel over de volken komt opnieuw aan de orde in hoofdstuk 35. Nu betreft het Edom, het ‘broedervolk’ van Israël, welk volk misbruik wilde maken van de verzwakking van Israël.

De dorre dood

In hoofdstuk 36 spreekt de Heer in het verlengde van het oordeel over de omliggende volken zijn solidariteit ten opzichte van Israël uit. In het tweede deel van het hoofdstuk legt de Heer opnieuw uit waarom Hij zo heftig reageerde op het onrecht dat in Israël voorkomt. De profetische oordeelsprediking had als doel dat Israël tot inkeer kwam en totaal anders ging leven. De Heer wacht niet langer op dit moment waarop Israël zelf tot inkeer komt, maar herstelt het aanzien van zijn Naam door een einde te maken aan de ballingschap. Het hoofdstuk eindigt met een aankondiging van volledig herstel voor Jeruzalem.

Het herstel van Israël komt treffend tot uiting in het meest geciteerde hoofdstuk uit Ezechiël, dat over het dal van de dorre doodsbeenderen, waarin de Heer de beenderen weer tot leven laat komen. Zo draait de Heer als het ware de film terug: de film van het vernederende oordeel tot een volkomen herstel van Israël. De toonzetting van het boek Ezechiël is nu totaal anders. De radicale beelden van hoop in dit hoofdstuk lijken een compensatie voor de radicaliteit van het oordeel in het eerste deel van het boek Ezechiël. Als dan het Zuiden (Juda) en het Noorden (Efraïm/Israël) door de Heer verenigd worden, wordt de hoop totaal, in het tweede deel van hoofdstuk 37.

In Ezechiël 38-39 komt de totaliteit van het oorlogsgeweld in een chaotische wereld tot uiting in de profetie tegen Gog van Magog. De afrekening met dit niets ontziende geweld vindt plaats in het gebied van Israël. Deze twee hoofdstukken vormen een laatste oprisping van gewelddadige teksten, nu niet bedoeld als waarschuwing voor Israël maar als bemoediging.

De Heer is daar

Het slotgedeelte van het boek Ezechiël, de hoofdstukken 40-48, bestaat uit een blauwdruk voor het herstel van Jeruzalem. De tempel neemt daarin de centrale rol in. Het leiderschap ligt in handen van integere priesters. Architectuur en ethiek gaan in deze hoofdstukken samen, totdat de apotheose volgt van de tempelbeek in hoofdstuk 47, welk water zo geneeskrachtig is dat zelfs de Dode Zee tot leven komt. De grenzen van het land worden opnieuw bepaald, de stammen krijgen hun gebied toegewezen. Symmetrie in volmaakte zin komt tot uiting in de laatste zes verzen. Alles klopt dan. De stad heet voortaan: ‘De Heer is daar!’

Ten slotte

Het boek Ezechiël lijkt in theologische zin een duidelijk perspectief te bieden: van de meest ingrijpende crisis tot de alles omvattende hoop. De vertelde tijd betreft een periode van twintig jaar: de tijd waarin een priester dienst mag doen. Ezechiël was zo’n priester die tot profeet uitgeroepen werd. Als profeet trad hij zijn hoorders uiterst radicaal tegemoet. Zijn oordeelsprofetie is totaal. Bij het kantelen van het perspectief naar de hoop voor de ballingen, verandert zijn theologie en zijn toonzetting. Het is in het kader van dit overzichtsartikel een onbegonnen zaak een precieze datering aan te geven. Elementen uit een latere (?) apocalyptische theologie zijn in het tweede deel duidelijk aanwezig. Aan bijbelse teksten is lang gewerkt. Nieuwe situaties leiden tot redactionele ingrepen in de tekst. Zelfs de gedachte dat het personage van Ezechiël vooral fictioneel is, is niet uit te sluiten. De zeggingskracht van het boek wordt er niet minder om.

Literatuur

• Aarnoud Jobsen schreef in de reeks Verklaring van de Hebreeuwse Bijbel het eerste deel van een commentaar op het boek Ezechiël (Kampen, 2014). Aan het vervolg wordt nu gewerkt.

< Terug