< Terug

Velen zijn geroepen, Een is uitverkoren

Bij Jesaja 25,1-9 en Matteüs 22,1-14

Twee bestaande gelijkenissen heeft Matteüs gebruikt in zijn versie van het koninklijk bruiloftsmaal (22,1-14). Eerst vertelt hij op zijn eigen manier de gelijkenis van het bruiloftsmaal, de feestelijke maaltijd. Hierover horen we ook in de profetenlezing van Jesaja 25,6-9. Deze gelijkenis wordt door Lucas verteld en vertaald in zijn gelijkenis van de verontschuldigingen (Luc. 14,15-24). Maar Matteüs voegt nog een bestaande rabbijnse gelijkenis toe: die van de feestkleren, de bruiloftskleren.

Om God te kunnen ontmoeten, moet je je wel voorbereiden, zegt deze gelijkenis. De feestelijke kleren zijn het beeld van je goede, rechtvaardige daden, van je oefening in rechtvaardig leven volgens de Tora. In je bruiloftskleding laat je zien dat je je goed hebt voorbereid op de ontmoeting met de Eeuwige. Over vergelijkbare rabbijnse gelijkenissen is meer te lezen in Strack en Billerbeck (I, p. 878 vv.).

De uitnodigende partij

Opmerkelijk is de manier waarop de uitnodigende partij van het koninklijk bruiloftsmaal wordt beschreven: ‘Het Koninkrijk der hemelen wordt vergeleken met een mens, een koning’ (Mat. 22,2, eigen vertaling uit het Grieks). Dezelfde opmerkelijke beschrijving zagen we in Matteüs 18,23, waar het gaat om de afrekening van ‘een mens, een koning’ met zijn slaven. Hier gaat het om een mens, een koning, die een bruiloftsfeest geeft voor zijn zoon. Het woord ‘mens’ zullen we aan het eind van de gelijkenis nog eens terugzien (22,11). Matteüs gebruikt het woord ‘mens’ steeds in gelijkenissen om de gelijkenis met de Eeuwige weer te geven (13,24; 13,45; 20,1).

Jezus vertelt deze parabel in en aan de stad Jeruzalem. Die stad wordt als bruid van de Eeuwige beschreven in Jesaja 54,1-8 en in Jesaja 62,1-5. In deze parabel wordt de bruid niet genoemd, maar op de achtergrond is Jeruzalem aanwezig. De bruidegom is de zoon, voor wie de bruiloft wordt gegeven. Bedoelt Matteüs hier de bruiloft tussen de bruid Jeruzalem en de zoon Jezus? Het lijkt erop.

De weigering van de gasten

De eerste groep gasten (‘geroepenen, gevraagden’, Mat. 22,3) willen gewoon niet op de roeping ingaan. De tweede groep krijgt een uitgebreide beschrijving van het feestmaal: ‘mijn stieren en het geslachte, vetgemeste en alles is gereedgemaakt’ (22,4, eigen vertaling). Dit doet een beetje denken aan het feestmaal in Jesaja 25,6. Maar ‘zij bekommerden zich er niet om en gingen weg’ (22,5, eigen vertaling): de een naar zijn ‘akker’, de ander naar zijn ‘zaken’. Niet alleen zijn sommigen te druk met hun eigen dingen. De overgeblevenen ‘beschimpen’ en ‘doden’ de knechten van de koning (22,6). In plaats van een bruiloftsfeest te vieren, wordt er gescholden en gemoord. Hier wordt verwezen naar het lot van de profeten (Mat. 23,37).

De woede van de koning

Het loopt niet goed af met de moordenaars en met hun stad. De koning stuurt zelfs een leger op ze af, zo boos is hij. Deze woede roept Matteüs 18,34 in herinnering. De gevolgen voor de genodigden en hun stad doen denken aan alle keren dat de stad Jeruzalem is verwoest door grote legers en de inwoners zijn gedeporteerd. Vermoedelijk denkt Matteüs ook aan de verwoesting van Jeruzalem rond het jaar 70. Zie ook Jesaja 65,12, waar onderscheid wordt gemaakt tussen wie delen in het heil en wie geen toekomst hebben. Wie niet gehoord heeft naar de roepende stem, heeft zichzelf buitenspel gezet.

De woede van de koning krijgt niet het laatste woord, want hij laat nu mensen van de hoeken van de straten bijeenhalen – hier klinkt het Griekse woord synagein, dat ook in ‘synagoge’ zit – om het bruiloftsfeest toch te laten doorgaan. Bij het uitnodigen wordt nu ook geen onderscheid meer gemaakt, want ‘slechten en goeden’ (Mat. 22,10) mogen aanliggen.

De mens zonder bruiloftskleed

Als de koning ten slotte gaat kijken wie er allemaal aanliggen, ziet hij ‘een mens’ (22,11) die niet gekleed is in een bruiloftskleed. Is dat zo vreemd? Deze gasten – slechten en goeden – zijn meegenomen van de hoeken van de straten. Wie heeft zich kunnen voorbereiden op deze uitnodiging? Wie had er al een bruiloftskleed aangetrokken? Zou het bruiloftskleed aan al die genodigden misschien bij de ingang zijn uitgereikt? In de rabbijnse literatuur wordt het beeld van de schone en witte kleding gebruikt voor wie geestelijk voorbereid en gereinigd God tegemoet gaat. Deze ene ‘mens’ (22,11) valt op, omdat hij blijkbaar de kleding die hem is aangereikt, niet heeft aangetrokken. Zonder bruiloftskleed verpest hij de feestelijke sfeer. ‘Vriend, hoe ben je hier binnengekomen?’ wordt aan de ‘mens’ gevraagd (22,12). Het woord ‘vriend’ (Gr.: hetairos) wordt in Matteüs 26,50 bij de gevangenneming van Jezus gebruikt voor Judas. Bij deze ‘vriend’ kan men dus aan Judas denken, die het feest van Jezus niet als feestganger meevierde. Het woord ‘vriend’ wordt in Matteüs vaker gebruikt voor wie niet willen meevieren (11,16) of meedoen (20,13). Men kan de gelijkenis ook christologisch uitleggen. Jezus is dan de ‘mens zonder feestkleed’. In zijn lijden heeft Hij de plaats ingenomen van de gedode knechten en van de onwillige geroepenen. Het woord ‘mens’ hoorden we immers niet alleen bij deze ‘mens’ zonder bruiloftskleed (22,11) klinken, maar ook bij ‘de mens, de koning’ die de bruiloft geeft (22,2). De bruiloft zal gevierd worden, maar niet zonder aan de slachtoffers en aan de onwilligen te denken. In de mens zonder bruiloftskleed zien we allebei: daders en slachtoffers. De ‘buitenste duisternis’ (22,13) heeft Jezus met hen willen delen.

Over de lezing uit Jesaja

Het tweede deel van de profetenlezing (Jes. 25,6-9) past mooi bij Matteüs 22,1-14. In de heftige woorden die hieraan voorafgaan (25,1-5) wordt benadrukt hoe de Eeuwige ‘sterkte is geweest voor de geringe’ en ‘sterkte voor de arme, toen hij benauwd was’ (Jes. 25,4, NBG ’51).

< Terug