< Terug

Verborgen en openbare zonden: over de grenzen van de kerkelijke tucht

JACQUES SCHENDERLING, Alphen aan den Rijn

1. Verkenning

1.1 ‘Verborgen’ en ‘openbare’ zonden

Calvijn introduceert in zijn beschouwing over de kerkelijke tucht in de Institutie vrijwel direct het onderscheid tussen ‘verborgen’ en ‘openbare’ zonden. Hij definieert deze begrippen niet exact, maar duidt wel aan wat hij bedoelt. Van een ‘verborgen’ zonde is alleen een beperkt aantal mensen op de hoogte. Een ‘openbare’ zonde is ‘niet slechts bij één of twee getuigen’ bekend, maar bij de hele of vrijwel de hele gemeente.1 Hoewel hij geen uitputtende opsomming geeft van de zonden die tot de laatste categorie behoren, geeft hij wel een aantal voorbeelden. Een reactie van de kerk acht hij beslist nodig tegenover ‘openbare overspelers, hoereerders, dieven, rovers, oproermakers, meinedigen, valse getuigen’, maar ook tegenover degenen die de kerkelijke vermaning voor lichtere vergrijpen naast zich neerleggen.

Het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden is door protes-tantse kerken van het gereformeerde type in een aantal gevallen overgenomen in de kerkorde. Een voorbeeld is de Dordtse Kerkorde van 1619 waarin dit onderscheid tot de basis van de kerkelijke tucht is gemaakt (art. 72-75).2 Toen deze kerkorde in 1816 werd vervangen voor het Algemeen Reglement keerde het onderscheid echter niet terug. Zo verdween het uit het kerkrecht en de kerkelijke praktijk van de Nederlandse Hervormde Kerk. In de voorbereiding op de nieuwe kerkorde van 1951 werd er wel uitvoerig gesproken over de vormgeving van de kerkelijke tucht, maar kwam deze klassieke onderscheiding niet ter sprake.3

De kerken die voortgekomen zijn uit de Afscheiding (1834) en de Do-leantie (1886) grepen echter terug op de aloude Dordtse Kerkorde. Daardoor werd ook het klassieke onderscheid tussen verborgen en openbarezonden weer actueel voor het kerkelijke leven van onder andere de Gereformeerde Kerken (synodaal, tot 1957), de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten, en de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt).

1.2 Theorie en praktijk

De onderscheiding tussen verborgen en openbare zonden is te herleiden op één grondgedachte, namelijk dat de kerk ergens een grens moet trekken. Natuurlijk bestaat de kerk uit zondaars en natuurlijk hoeft de kerk niet op elke overtreding te reageren, maar ze kan ook niet alles laten passeren. Als leden van de kerk ernstige misstappen begaan, brengen ze daarmee de hele gemeenschap in diskrediet en ondermijnen ze de gemeenschappelijke moraal. Dan moet de kerkgemeenschap reageren op het gedrag van deze leden om zelf geloofwaardig te blijven. Maar omdat de kerk geen onnodige ophef wil veroorzaken, maakt ze daarbij een onderscheid tussen zonden die reeds openlijk besproken worden en zonden die vooralsnog nauwelijks bekend zijn. De kerkgemeenschap trekt dus een grens, maar ze is tegelijk terughoudend daarin door op twee niveaus te reageren, namelijk óf persoonlijk óf publiekelijk.

Hoe aannemelijk dit ook klinkt, de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Dat is onder andere terug te zien in de commentaren op de gereformeerde kerkorde(n) die in de loop der tijd verschenen zijn. Als voorbeeld kan het commentaar van de Gereformeerdsynodale predikant Jansen genoemd worden dat in 1952 verscheen. Hij laat waarschuwende woorden horen over de toepassing van tucht: ‘Het onderzoek moet in stilte, voorzichtig, bescheiden, waardig en vooral onpartijdig geschieden’. De kerkenraad mag over de beschuldiging ‘niet met derden spreken’ en ‘vooral niet op losse geruchten en vermoedens afgaan’. En het doel van het onderzoek mag nooit zijn om een verborgen zonde aan de overheid bekend te maken, zelfs niet als het om ‘diefstal, moord of doodslag’ gaat. Jansen signaleert verder dat de verklaringen van aanklager en aangeklaagde vaak ‘lijnrecht tegen elkander ingaan’, zodat de kerkenraad noodgedwongen zijn oordeel moet opschorten. Ook kan de kerkenraad afzien van een publieke schuldbelijdenis, als daardoor ‘de naam van de zondaar nog meer geschaad zou worden’.4

Jansen benadrukt het belang van zorgvuldigheid zó sterk, dat de vraag rijst of de tucht dan überhaupt nog wel te handhaven is. Van een goede waarheidsvinding kan bijvoorbeeld nauwelijks sprake zijn als er geen getuigen (derden) mogen worden gehoord.

1.3 Recente ontwikkelingen

De juistheid van de observaties van Jansen werd het afgelopen jaar bevestigd door zaken die speelden in Amersfoort en Kruiningen. In beide gevallen ging het om kerken van het gereformeerde type en in beide gevallen was het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden de kardinale kwestie (zie verder paragraaf 4).

Ook buiten de gereformeerde traditie is recent het debat over kerkelijke tucht opnieuw op de agenda gezet door de pleidooien van onder andere Hauerwas en Kennedy. Zij verdedigen de stelling dat een kerk aan geloofwaardigheid wint, als ze morele eisen durft te stellen aan haar leden. Ook dan komt de vraag naar de scheiding tussen zonden met of zonder een publiek karakter weer aan de orde (zie verder paragraaf 5). Ook deze recente ontwikkelingen zijn dus een stimulans voor nader onderzoek.

1.4 Vraagstelling

Op grond van het voorafgaande kunnen we de volgende vragen formuleren:

1) Hoe is het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden ontstaan?

2) In welke historische omstandigheden is dit onderscheid daadwerkelijk toegepast? Welke problemen deden zich voor rond de implementatie?

3) Wat betekent de historische reflectie voor de toepassing van kerkelijke tucht in het heden? Welke actuele maatschappelijke omstandigheden zijn relevant?

2. ‘Fama’ en ‘Infamia’ in de Middeleeuwen

2.1 Visitatie

Het pontificaat van Innocentius III (1198-1216) is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het Christendom in Europa. Al kort na zijn aantreden zag Innocentius kans om de macht van de Heilige Stoel zó sterk te vergroten, dat Rome opnieuw het belangrijkste machtscentrum in Europa werd. Daarna gaf hij het startsein voor een diepgaande hervorming binnen de kerk. Het was zijn doel om het geestelijk leven op alle niveaus te vernieuwen. Tijdens het Vierde Lateraanse Concilie (1215) liet hij bepalingen goedkeuren waardoor onder andere de persoonlijk biecht werd ingevoerd en de rechtsspraak werd gereorganiseerd. Als onderdeel van zijn hervormings-programma wilde Innocentius ook grip krijgen op het vaak losbandige leven van de clerus.5

Om dat te bereiken gaf Innocentius de bisschoppen de opdracht om veel intensiever dan voorheen de parochies en de kloosters die bij ieder bisdom hoorden te visiteren. Bij deze visitaties moest de bisschop (of zijn vervanger) nagaan of er binnen de parochie ernstige misstanden waren, dat wil zeggen misstanden die een scandalum (ergernis, schandaal) hadden veroorzaakt onder de bevolking. Deze peccata publica of crimina publica corresponde-ren met de ‘openbare zonden’ uit de latere gereformeerde traditie. Omdat in deze periode (begin 13e eeuw) de geletterdheid nog zeer laag was, was de bisschop aangewezen op informatie die hem mondeling werd meegedeeld tijdens zijn rondreis langs alle parochies van zijn bisdom.6

Over zo’n rondreis moeten we overigens niet te makkelijk denken. Om een voorbeeld te geven: bisschop Richard Swinfield van Hereford bezocht in 1290 de parochies van zijn diocees in de periode tussen 9 april en 31 mei. Binnen dit tijdsbestek van 52 dagen legde hij 320 kilometer af. Hij reisde te paard omdat de wegen grotendeels onverhard waren, en hij liet zich bege-leiden door 30 ruiters omdat alleen reizen te gevaarlijk was. Tijdens deze reis bezocht hij 41 (!) parochies, wat betekent dat hij gemiddeld minder dan anderhalve dag ergens kon verblijven. De parochies stonden voor de taak om het grote reisgezelschap te voorzien van onderdak, maaltijden en voer voor de paarden.7

De bisschop moest vervolgens in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk informatie over de parochie zien te verzamelen. Daartoe riep hij een aantal getuigen op, meestal sleutelfiguren binnen de locale gemeenschap, die hem moesten inlichten over de fama (goede naam) of infamia (slechte naam) van met name de clerus. Van deze verhoren maakte een speciaal daarvoor aan-gestelde secretaris verslagen, die later ingezien konden worden om vast te stellen of er verbetering was opgetreden. Uit één van de bewaard gebleven processen-verbaal wil ik nu een wat uitvoeriger citaat geven om te laten zien hoe lastig het was om vast te stellen welke fama iemand had. Het gaat om een visitatie van aartsbisschop Walter Giffard van York aan de parochie van Selby in 1275. Bij Selby lag een beroemde abdij. Over de abt van dit klooster, Thomas de Whalley, waren klachten binnengekomen, blijkens het proces-verbaal van 8 augustus 1275:

De heer Walter, kapelaan van de parochie, verklaart onder ede dat Johannes, de broer van de abt, in opspraak is (diffamatus est). (…) Maar dat de overige monniken van de abdij een goede naam hebben (sunt bonae famae).

Thomas, een kapelaan, wordt onder ede gehoord. (…) Hij voegt eraan toe dat de abt in opspraak is (diffamatus est), zelfs bij zijn eigen medebroe-ders, vanwege een bepaalde vrouw.

De heer Gilbert van Lindsey, onder ede gehoord, verklaart evenals de vorige getuige dat de abt in opspraak is, maar de naam van de vrouw weet hij niet.

De heer Thomas van Eyton, een leek, verklaart onder ede dat de abt in opspraak is, maar hij weet niet om welke vrouw het gaat.

Simon, een leek, zoon van Dreir, verklaart onder ede dat hij van deze beschuldigingen niets weet.

Richard van Bela, leek, onder ede gehoord, stemt in met de vorige getuige, omdat hij van niets weet.

Radulph van Hull, onder ede gehoord, weet niets.

Richard Othendel, leek, onder ede gehoord, zegt dat de abt in opspraak is onder de monniken, omdat hij niet celibatair leeft (super incontinentia).

David ad Aulam, leek, onder ede gehoord, verklaart dat de abt in opspraak is, omdat hij vrouwen erop nahoudt in de hoeves van de abdij en in het dorp Selby. (…) Hij voegt eraan toe dat de abt een kind heeft verwekt bij de dochter van Walter Potman, en dat het kind ongeveer tien weken oud is.8

Hierna wordt het proces-verbaal abrupt afgebroken. De abt blijft in functie, maar de geruchten over wangedrag blijven de ronde doen. Als aartsbisschop William Wickwane, de opvolger van Giffard, in 1280 opnieuw Selby visi-teert, wordt hij overstelpt met klachten over de abt. Hij besluit dan ook om de abt per direct uit zijn functie te zetten.9

We zien aan het proces-verbaal hoe moeilijk het voor een bisschop is om vast te stellen of er sprake is van peccata publica (openbare zonden) waartegen hij kan optreden. Als het om het gedrag van de abt gaat, staken de stemmen. Vier getuigen verklaren dat ze van niets weten; vier anderen hebben kwade geruchten gehoord, maar ze kunnen geen namen noemen; slechts één getuige (de laatste) meent te weten om welke vrouw het gaat. Het is niet verwonderlijk dat de aartsbisschop op grond van deze stemverhouding niet tot actie kan overgaan. Het ideaal van Innocentius om via intensieve visitaties de kerk van onderop te hervormen bleek in de praktijk moeilijker te realiseren dan gedacht.

2.2 Verborgen en openbare zonden

Tucht handhaven blijkt dus moeilijk, zolang de kerk niet over een goed uitgerust apparaat beschikt om vast te stellen wat de waarheid is. Daar komt een ander dilemma bij: de kerk heeft niet alleen als taak om de discipline te handhaven, maar zij heeft ook als taak om zondaren te begeleiden op de weg van inkeer, boete en vergeving. In veel gevallen staat de eerste, disciplinaire opdracht, op gespannen voet met de tweede, pastorale. Het Vierde Lateraanse Concilie probeerde deze twee opdrachten duidelijker van elkaar te scheiden door de kerkelijke rechtspraak te onderscheiden van de persoonlijke biecht. Sindsdien kent men enerzijds het interne forum (Latijn voor ‘rechtbank’) van gewetensonderzoek en biecht, en anderzijds het externe forum van kerkelijke rechtbanken en formele procedures.10 Eerst iets meer over het forum internum.

Het Vierde Lateraanse Concilie verklaarde de biecht tot algemene plicht in de beroemde 21e canon ‘omnis utriusque sexus fidelis’ (iedere gelovige, man of vrouw). Vanaf deze tijd moest iedere gelovige ten minste eenmaal per jaar en bij voorkeur vóór Pasen persoonlijk alle zonden biechten bij de eigen priester. Deze persoonlijke biecht werd omgeven met de meest strikte geheimhoudingsplicht (het biechtzegel). Priesters die het geheim schenden worden in de canon bedreigd met ontzetting uit hun ambt (a sacerdotali officio deponendum).11 Bij de biecht gaat het om de occulta cordis (de verborgenheden van het hart), geheime zonden en zwakheden die afgeschermd moeten worden tegen de onbeschaamde blikken van buitenstaanders. Alleen de priester mag als vicaris Christi (plaatsvervanger van Christus) de gelovige helpen om alle zonden te belijden en om via de weg van berouw en boete de band met God te herstellen.12

Voor het eerlijk belijden van verborgen zonden tijdens de biecht is geheimhouding dus essentieel. Niet alle zonden beperken zich echter tot de ‘verborgenheden van het hart’, want sommige zonden komen opzettelijk of onopzettelijk in de volle openbaarheid. In dat geval moet de kerk wel reageren, want sommige zonden ‘kan de kerk niet zonder schandaal negeren of zonder gevaar dulden’ (sine scandalo dissimulari non possit vel sine periculo tolerari).13 De kerk neemt vanaf het Vierde Lateraans Concilie het feit dat een zonde in de openbaarheid is gekomen dus tot uitgangspunt voor het in gang zetten van een procedure voor het forum externum, de kerkelijke rechtbank. Zodra een zonde openbaar is geworden, is de weg van geheime boetedoening namelijk afgesloten, conform de stelregel: openbare zonden mogen niet met een geheime straf afgedaan worden (manifesta peccata non sunt occulta correctione purganda).14

De volgende vraag is dan natuurlijk welk criterium gebruikt kan worden om de grens aan te geven tussen ‘verborgen’ en ‘openbare’ zonden. Om deze grens te markeren wordt vanaf het begin van de 13e eeuw het begrip fama verheven tot juridische terminus technicus. Vanaf deze tijd is het enkele feit dat er rond een bepaalde persoon een mala fama (kwaad gerucht) bestaat voor een rechter voldoende reden om een formeel juridisch onderzoek (inquisitio) te starten.15 Uiteraard moet de rechter daarbij niet afgaan op kwaadwillende of kwaadsprekende getuigen, maar alleen op betrouwbare en eerlijke mensen (non quidem a malevolis et maledicis, sed a providis et honestis). En daarnaast moet een bepaalde beschuldiging niet een enkele keer, maar herhaaldelijk geuit worden.16 Ondanks deze waarborgen bleek de interpretatie van het begrip fama in de praktijk echter zeer lastig te zijn.

2.3 Praktische problemen

De toepassing van het begrip fama was vanaf het begin omgeven door allerlei problemen en onduidelijkheden. We hebben aan de casus rond de abt van Selby al gezien, dat in veel gevallen het horen van getuigen geen eenduidig beeld opleverde. Daarnaast bestond het reële gevaar dat haatdragende personen opzettelijk valse geruchten in omloop brachten om iemand in diskrediet te brengen. Soms leidde dat tot beschuldigingen, die niet waargemaakt konden worden maar die wel veel ellende aanrichtten.

Om zichzelf te verweren kon de beschuldigde voor de rechtbank een eed van onschuld (purgatio) afleggen. Daarin stond hij (zij) nog sterker, als hij een aantal bekenden wist te vinden om zijn eed te ondersteunen (compurgatio). Zodra hij zijn naam op deze manier van alle blaam gezuiverd had, kon hij bovendien een proces wegens smaad (diffamatio) aanspannen tegen degenen die hem beschuldigd hadden. In de latere Middeleeuwen hadden de kerkelijke rechtbanken in Engeland de handen vol aan het afhandelen van zulke smaadprocessen. Vaak ging het daarbij om beschuldigingen van overspel waarbij de bewijsvoering gezien de aard van het delict vrijwel altijd een probleem was. Ook ging het vaak om uit de hand gelopen burenruzies of ordinaire scheldpartijen.17

Dit alles leidde overigens tot een sterke juridisering van het kerkelijke leven. Deze tendens werd ook zichtbaar in de biechtpraktijk, die steeds meer een formeel karakter kreeg. De oorspronkelijke bedoeling van Innocentius III, het bevorderen van het geestelijke leven in de kerk, verdween steeds meer uit het zicht. De Reformatie van de 16e eeuw kan gezien worden als een hernieuwde poging om de kerk te bepalen bij haar oorspronkelijke roeping. Daarbij kwam de vraag naar een geloofwaardige wijze om tucht uit te oefenen opnieuw aan de orde.

3. Calvijn en het Consistoire

De kerkenraad van Genève onder leiding van Calvijn (1541-1564) heeft op het Reformatorische erf ongetwijfeld de meest gedecideerde poging ondernomen om de kerkelijke tucht in de praktijk gestalte te geven. Vergelijkbare pogingen van Bucer in Straatsburg (1539-1546) en van de Lutheraan Johannes Brenz in Zuid-Duitsland (1522-1570) liepen op een mislukking uit – ook in hun eigen ogen.18 Bucer herintroduceerde al vroeg (1534) het aan de tra-ditie ontleende onderscheid tussen geheime en algemeen bekende zonden.19 Omdat Calvijn in Straatsburg kennis heeft kunnen nemen van de ideeën van Bucer, staat de gereformeerde traditie op dit punt in verbinding met de mid-deleeuwse kerkelijke rechtspraktijk.

De kerkenraad van Genève en Calvijn wilden vanaf 1541 meer grip krijgen op het in hun ogen vaak losbandige en zondige leven van de inwoners van de stad. In praktische zin probeerden zij dit doel te bereiken via het Consistoire, een bestuurlijk lichaam dat resorteerde onder de burgerlijke overheid, maar waarin predikanten onder leiding van Calvijn grote invloed uitoefenden. Het Consistoire vergaderde elke week om tuchtzaken te bespreken en getuigen te horen.20

Tijdens de zittingen van het Consistoire werden aantekeningen gemaakt door een speciaal daartoe aangestelde secretaris. Deze aantekeningen zijn bewaard gebleven en intussen gedeeltelijk toegankelijk gemaakt voor onder- zoek. Deze verslagen geven een fascinerend inzicht in het kerkelijke leven in een vroegmoderne Europese stad als Genève. Wij beperken ons in het kader van dit artikel tot één vraag, namelijk: langs welke weg probeerde het Consistoire vast te stellen welke zonden een openbaar karakter hadden en welke niet?

Zoals op grond van de middeleeuwse jurisprudentie te verwachten viel, was vooral het vaststellen van de juiste feiten en de toedracht vaak een probleem. We geven daarvan één voorbeeld.21 In mei 1546 werd een dienst-meisje, Jeanne, opgeroepen om te getuigen in een zaak die speelde rond haar meesteres. Deze was beschuldigd van overspel en Jeanne moest vertellen wat ze ervan wist. Familieleden en vrienden van haar meesteres waren reeds opgeroepen, maar zij wilden of konden de geruchten over overspel niet bevestigen. Veel hing dus af van het getuigenis van Jeanne. Tijdens de ondervraging gaf ze aanvankelijk ontwijkende antwoorden aan het Consistoire, maar uiteindelijk gaf ze toe dat zowel haar meesteres als de minnaar van haar meesteres haar onder druk hadden gezet om te liegen. Vervolgens verstrekte ze het Consistoire verschillende details die de geruchten beves-tigden. Daarmee bracht ze haar meesteres ernstig in diskrediet en mogelijk in levensgevaar, omdat in bepaalde gevallen voor overspel de doodstraf werd opgelegd.22

Aan dit voorbeeld is te zien, hoe moeilijk het was om in de praktijk vast te stellen of er sprake is van een openbare zonde. Als de direct betrokkenen ervoor kozen de feiten te verzwijgen, lag manipulatie van afhankelijke getuigen (zoals dienstmeisjes) op de loer. En omdat het Consistoire geen andere opsporingsmiddelen kon inzetten dan het horen van getuigen, bleef het moeilijk om het beginsel van rechtgelijkheid voor alle burgers te handhaven.23

4. Recente casuïstiek

Op grond van het historisch overzicht kunnen we tussentijds concluderen dat handhaving van de tucht de kerk voor twee structurele problemen plaatst: (1) de waarheidsvinding, omdat de kerk geen eigen opsporingsapparaat heeft; (2) het bepalen van de grens tussen de pastorale en disciplinerende opdracht van de kerk. Deze observaties zijn ook van toepassing op twee recente zaken in Amersfoort en Kruiningen. Eerst een korte weergave van de zaak-Amersfoort.

In het najaar van 2016 maakt de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Amersfoort-Oost bekend, dat een kerklid van deze gemeente in 1986 twaalf of mogelijk zelfs zestien minderjarige jongens zou hebben misbruikt. De toenmalige predikant en enkele ambtsdragers zouden dit geweten hebben, maar de zaak verzwegen hebben. In 2016 werd de geheel vernieuwde kerken-raad daarover via een tip op de hoogte gesteld. Deze stelde een onderzoeks-commissie in die na enkele maanden vaststelde dat in drie gevallen sprake was geweest van misbruik. De toenmalige predikant was door de dader zelf indertijd op de hoogte gesteld van twee daarvan. Volgens de commissie had hij daarop adequaat gereageerd ‘binnen de toenmalige kerkordelijke kaders’. Hij had de bekentenis van de dader afgehandeld als een ‘verborgen zonde’. Daarom had hij de misstap niet gemeld aan de voltallige kerkenraad en evenmin aangifte gedaan. Hij had wel pastorale hulp aangeboden en verleend aan de slachtoffers en de dader. Naar het oordeel van de commissie had hij daarmee voldoende zorgvuldig gehandeld.24

Volgens de huidige maatstaven heeft een voorganger die misbruik signaleert in bepaalde gevallen de morele plicht het beroepsgeheim te doorbreken en aangifte te doen.25 In deze casus zou dat het geval zijn geweest, omdat de slachtoffers minderjarig waren. Ook hadden slachtoffers de gelegenheid moeten krijgen om zich te melden. De categorie van de ‘verborgen zonden’ en de pastorale zorgplicht tegenover gemeenteleden kunnen dus met elkaar op gespannen voet staan.

In de Zaak-Kruiningen gaat het primair om de waarheidsvinding. De kerkenraad van de Gereformeerde Gemeente te Kruiningen nam eind 2016 een tuchtmaatregel tegen een ouddiaken. De ouddiaken had in een persoonlijk gesprek met de plaatselijke predikant kritiek geleverd op diens functioneren. Hij verweet hem ‘solistisch optreden en intimiderend gedrag’. Na het stroef verlopen gesprek legde de diaken zijn ambt neer. Direct daarna werd hij door de predikant telefonisch beschuldigd van het plegen van overspel en kort daarop ontzegde de kerkenraad hem de toegang tot het avondmaal. De ouddiaken spande vervolgens bij de rechtbank van Middelburg een kort geding aan tegen deze tuchtmaatregel. In mei 2017 stelde de burgerlijke rechter de ouddiaken in het gelijk, omdat de kerkenraad de regels van de eigen kerkorde inzake ‘verborgen zonden’ niet correct had toegepast. De Kerkorde schrijft namelijk voor dat er conform Mattheüs 18 eerst gesprekken met de ouddiaken en een grondig onderzoek hadden moeten plaatsvinden voordat men tot censuur overging. De kerkenraad had dit verzuimd en werd daarom in het ongelijk gesteld.26

Het belangrijkste ethische probleem is hier, dat onduidelijk is waarop de beschuldiging van overspel gebaseerd was. Als de oud-diaken zelf de informatiebron was, had dit als ‘verborgen zonde’ behandeld moeten worden en geheim moeten blijven. Als de informatie van derden kwam, zoals tijdens de rechtszitting gesuggereerd werd, had de kerkenraad eerst grondig onderzoek moeten doen voordat ze een tuchtmaatregel nam, conform de eigen regels.

5 Kerkelijk tucht bij Hauerwas en Kennedy

In het voorafgaande hebben we gezien dat Calvijn en degenen die in zijn voetspoor willen treden, het gemeenteleven willen heiligen door grenzen te stellen. Ongepast gedrag van gemeenteleden moet worden benoemd, eerst in de privésfeer en daarna zo nodig publiekelijk. Deze traditie verdedigt dus het standpunt, dat de gemeente van Christus bepaald gedrag niet kan accepteren zonder zelf haar geloofwaardigheid te verliezen. Dit standpunt is opnieuw naar voren gebracht door Stanley Hauwerwas en enkele medestanders; in Nederland zijn dat onder andere James Kennedy en Henk Bakker.

Hauerwas heeft een duidelijke visie op de kerk: ‘In de kerk wordt het verhaal van God zo geleefd dat het koninkrijk zichtbaar wordt’. Als ze haar roeping serieus neemt, wordt de kerk vanzelf een contrastgemeenschap. Daarmee bedoelt Hauerwas dat de kerk temidden van en in contrast met de haar omringende cultuur laat zien hoe God het leven bedoeld heeft.27 Kennedy formuleert het zo: ‘Het gaat om het bieden van een voorbeeld van een menselijke samenleving die beter en hoopvoller is dan de wereld waarin we leven’.28

De gemeente kan uiteraard alleen een contrastgemeenschap genoemd worden als alle of vrijwel alle leden van de gemeente bepaalde morele standaarden hoog houden. ‘Wat de kerk is, blijkt uiteindelijk uit het karakter van de mensen die de kerk vormen’, aldus Hauerwas.29 De kerk moet dus op een of andere manier de tucht handhaven: ‘Therefore the church cannot avoid the importance of mutual upbuilding and correction.’30 Heel concreet wordt Hauerwas echter nergens. Kennedy is op dit punt wat duidelijker; hij spreekt over ‘toezicht op de morele grenzen van de gemeenschap’. En hij stelt: ‘Tucht, ook in de traditionele betekenis van de term, is soms noodzakelijk en de kerk is niet de enige instelling die dat heeft ontdekt’.31

Op grond van deze beknopte weergave van de ideeën van Hauerwas en Kennedy wordt duidelijk dat ook de leiding van een contrastgemeenschap bij het handhaven van de tucht uitkomt bij de klassieke onderscheiding tussen verborgen en openbare zonden. Op enig moment moet ze zich immers afvragen: ‘Maken we van het gedrag van gemeentelid X. een punt of niet? En benaderen we hem (haar) dan eerst persoonlijk of stellen we zijn gedrag direct publiekelijk aan de orde?’. Hauerwas signaleert zelf dat zijn kerkmodel juist op dit punt steeds moeilijker praktisch te implementeren is: ‘Als een kerk een lid discipline wil bijbrengen, kan die persoon gewoon opstappen en een andere kerk zoeken’.32 Kortom, het individualisme in de samenleving maakt het steeds moeilijker om een contrastgemeenschap te realiseren.

6. Slotbeschouwing

In het historisch overzicht hebben we gezien dat het onderscheid tussen verborgen en openbare zonden ontwikkeld werd in het kader van de grote gees-telijke vernieuwingsbeweging in de 13e eeuw. Via Bucer en Calvijn werd het geïntroduceerd in de gereformeerde traditie. Vanaf het begin stuitte men bij de implementatie op twee problemen: (1) de waarheidsvinding; (2) de spanning tussen de pastorale en disciplinerende opdracht van de kerk.

In de moderne maatschappelijke context is handhaving van de tucht nog veel moeilijker geworden. Ter ondersteuning van deze stelling signaleren we drie ontwikkelingen.

(a) Aartsbisschop Giffard en Calvijn deden hun werk in relatief kleine, gesloten gemeenschappen met een grote sociale controle. Binnen deze gemeenschappen bestond een verregaande consensus over moreel gewenst en ongewenst gedrag die stevig verankerd was in de kerkelijke leer. Bij de handhaving van de tucht konden ze verwijzen naar deze eenheidsmoraal. In onze samenleving is er in de kerk steeds minder sprake van een eenheidsmoraal. Ook binnen de orthodox-gereformeerde kerken wordt tegenwoordig verschillend gedacht over onderwerpen als geboortebeperking, homoseksualiteit, echtscheiding en samenwonen, de vrouw in het ambt, en het gebruik van alcohol.33 Van een eenduidige visie op deze punten is geen sprake meer en daardoor wordt het steeds moeilijker om de tucht te handhaven. Bovendien komt ‘de wereld’ via het internet, de televisie en het onderwijs de gezinnen binnen. Dat beinvloedt met name de opvattingen van de jongeren.

(b) Het individualisme in de samenleving is sterk toegenomen en ook in de kerken binnengedrongen. Mensen leven niet langer in één, relatief gesloten levenssfeer, maar maken deel uit van talloze netwerken waarbij ze verschillende maatschappelijke rollen vervullen. Ook trouwe gemeente-leden accepteren inmenging in hun privéleven minder gemakkelijk dan vroeger. Ook is hun houding tegenover de leiding van een gemeente veranderd; van een echte gezagsverhouding is vaak geen sprake meer. Dit maakt het voor de kerkleiding bijna onmogelijk om mensen aan te spreken op hun gedrag. Bovendien is de kans groot dat mensen hun kerklidmaatschap opzeggen als de interventie van de kerkleiding hen niet bevalt, zoals Hauerwas ook al signaleert. Het is niet verwonderlijk dat de meeste grotere kerken (de zogenaamde volkskerken) nauwelijks nog gebruik maken van het instrument van de kerkelijke tucht.

(c) In bepaalde gevallen stelt de burgerlijke overheid eisen aan de kerk als organisatie, die de speelruimte van de kerk beperken, ook op het terrein van de tuchtuitoefening. De privacywetgeving beperkt de mogelijkheid van de kerk om zelf informatie over personen te verzamelen. De overheid bepaalt mede hoe meldingen van seksueel misbruik afgehandeld moeten worden. En burgers hebben de mogelijkheid om de toepassing van kerkelijke regels te laten toetsen door de burgerlijke rechter, zoals ook blijkt uit de zaak-Kruiningen. Dit alles betekent dat de kerkleiding niet geheel vrij is in het bepalen van de grens tusssen verborgen en openbare zonden en in het uitoefenen van de tucht.

Op grond van deze observaties en de eerdere opmerkingen over de praktische problemen rond de implementatie, kunnen we concluderen dat het voor kerken bijna onmogelijk geworden is om de tucht daadwerkelijk te handhaven. De weg van formele tuchtoefening en het opleggen van straffen brengt vaak zoveel schade teweeg aan de gemeente, dat deze weg voor de kerkleiding praktisch afgesloten is. Wanneer de kerk de tucht toch wil handhaven, zal ze zich in de praktijk steeds vaker richten op informatie die afkomstig is van de burgerlijke overheid. Ik geef daarvan twee voorbeelden:

(1) als de kerk iemand wil aanstellen in een vertrouwensfunctie of in het jeugdwerk, zal ze steeds vaker een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verplicht stellen om te voorkomen dat ze zelf beschuldigd wordt van nalatigheid;

(2) als de burgerlijke overheid iemand daadwerkelijk veroordeeld heeft voor een ernstig vergrijp (bijvoorbeeld seksueel misbruik), zal de kerk deze persoon veelal ontheffen uit alle kerkelijke functies.34

Hoewel de speelruimte van de kerkleiding om tucht uit te oefenen dus zeer beperkt is, hoeft de kerk het ideaal van een geloofsgemeenschap waarin de leden elkaar aanspreken op hun gedrag niet geheel los te laten. De leiding van de gemeente heeft nog steeds de opdracht om de leden te bepalen bij de noodzaak om te leven als leesbare brieven van Christus (2 Kor. 3:2-3). Maar steeds vaker zal zij daarbij het pastorale model moeten hanteren in plaats van het disciplinaire. Tucht is het stellen van grenzen. Maar in de moderne westerse samenleving heeft de kerkelijke tucht nu zelf haar grens bereikt.

1 J. Calvijn, Institutie, vert. A. Sizoo, Delft: Meinema z.j., IV,12,4-6; J. Plomp, De kerkelijke tucht bij Calvijn (diss.), Kampen: Kok, 1969, 89-136.

2 C. Hooier, Oude Kerkordeningen der Nederlandsche Hervormde gemeenten, Zaltbommel: Noman 1865, 423-459.

3 H. Oostenbrink-Evers, Beginselen en achtergrond van de Kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk, Zoetermeer: Boekencentrum 2000, 204-210.

4 Joh. Jansen, Korte verklaring van de Kerkorde der Gereformeerde Kerken, derde druk, Kampen: Kok, 1952, 317-318, 322.

5 J.C. Moore, Pope Innocent III (1160/61-1216). To Root Up and to Plant, Leiden: Brill, 2003.

6 I. Forrest, ‘The Transformation of Visitation in thirteenth-century England’, Past and Present 221 (2013), 3-38.

7 J.H.R. Moorman, Church Life in England in the 13th Century, Cambridge: Cambridge UP, 1955, 185-191.

8 The Register of Walter Giffard, Lord Archbishop of York, 1266-1279. London: Surtees Society, 1904, 324-326 (mijn vertaling, JS).

9 The register of William Wickwane, Lord Archbishop of York, 1279-1285. London : Surtees Society, 1907, 22-25.

10 J. Goering, ‘The Internal Forum and the Literature of Penance and Confession’, Traditio, 59 (2004), 175-227.

11 N.P. Tanner (ed.), Decrees of the Ecumenical Councils, vol. 1, London: Sheed & Ward, 1990, 245.

12 P. von Moos, ‘Occulta cordis. Contrôle de soi et confession au Moyen Âge ’, 1, Médiévales 29 (1995), 131-140; id., 2, in: Médiévales 30 (1996), 117-137.

13 Corpus Iuris Canonici (= CIC), X, 5,1,24; ed. E. Friedberg, vol. 2, Graz: Akademische Druckund Verlagsanstalt, 1959, 746.

14 CIC, X, 5,38,1; ed. Friedberg, vol. 2, 884.

15 J. Théry, ‘Fama: l’opinion publique comme preuve judiciaire’, in: B. Lemesle (ed.), La preuve en justice de l’Antiquité à nos jours, Rennes: PU Rennes, 2003, 119-147; T. Fenster, e.a. (ed.), Fama. The Politics of Talk and Reputation in Medieval Europe. Ithaca (NY): Cornell University Press 2003.

16 CIC, X, 5,1,24, ed. Friedberg, vol. 2, 746.

17 R.H. Helmholz, ‘Canonical Defamation in Medieval England’, The American Journal of Legal History 15 (1971), 255-268; id., ‘Crime, Compurgation and the Courts of the Medieval Church’, Law and History Review, 1 (1983), 1-26; L.R. Poos, ‘Sex, Lies, and the Church Courts of Pre-Reformation England’, The Journal of Interdisciplinary History 25 (1995), 585-607.

18 J.M. Estes, ‘Johannes Brenz and the Problem of Ecclesiastical Discipline’, Church History 41 (1972), 464-479; A. Nelson Burnett, The Yoke of Christ: Martin Bucer and Christian Discipline. Kirksville (Miss.): Sixteenth Century Journal Publ., 1994.

19 Burnett, Yoke of Christ, 82-83; 160-161.

20 R.M. Kingdon, ‘Calvin and the Establishment of Consistory Discipline in Geneva’, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 70 (1990) 158-172.

21 K. Spierling, ‘Putting ‘God’s Honor First’: Truth, Lies, and Servants in Reformation Geneva’, Church History and Religious Culture, 92 (2012) 85-103.

22 R.M. Kingdon, Adultery and Divorce in Calvin’s Geneva, Cambridge (Mass.): Harvard UP, 1995, 116-142.

23 Voor andere voorbeelden zie: R.M. Kingdon, Adultery and Divorce, 1995; S.M. Manetsch, ‘Pastoral Care East of Eden. The Consistory of Geneva 1568-82’, Church History 75 (2006), 274-313.

24 Nederlands Dagblad, 03-10-2016; 08-10-2016; 20-02-2017; 21-02-2017.

25 J. Schenderling, Beroepsethiek voor pastores. Budel: Damon 2010, 151-171.

26 Nederlands Dagblad, 14-04-2017; Reformatorisch Dagblad, 02-05-2017.

27 S. Hauerwas, A Community of Character. Toward a Constructive Christian Social Ethic. Notre Dame (Ind.): University of Notre Dame Press, 1981, 84; id., The Peaceable Kingdom. A Primer in Christian Ethics. London: SCM Press, 1983, 100; id., Een robuuste kerk. De christelijke gemeente in een postchristelijke samenleving. Zoetermeer: Boekencentrum, 2010, 22, 106, 186. J. Kennedy, Stad op een berg. De publieke rol van protestantse kerken. Zoetermeer: Boekencentrum, 2010, 122-151; H. Bakker, Gunnende kerk. Kompas voor een waardegestuurde gemeente-ethiek. Kampen: Brevier, 2012, 66, 160.

28 Kennedy, Stad op een berg, 135.

29 Hauerwas, Robuuste kerk, 119.

30 Hauerwas, Peaceable Kingdom, 109.

31 Kennedy, Stad op een berg, 140-141.

32 T. Hobson, ‘Against Hauerwas’, New Blackfriars 88 (2007), 300-312 (310).

33 C.S.L. Janse, De refozuil onder vuur, Apeldoorn: Labarum Academic, 2015; G. Dekker, Zie hoe alles hier verandert. Het verloop van de gereformeerden. Utrecht: Kok, 2016.

34 Dit is nu reeds de praktijk in de Rooms-Katholieke Kerk, zie: J. Schenderling, ‘Van zwijgcultuur naar zerotolerancebeleid. De reactie van kerkelijke autoriteiten op seksueel misbruik’, Religie en Samenleving 12 (2017), 5-21.

< Terug