< Terug

Verheug je – God is barmhartig

Dertiende zondag van de zomer (Exodus 32:7-14 en Lucas 15:1-10)

Onze zondag belicht Gods barmhartigheid, verwijst dus naar de tweede zondag na Pasen, Misericordias Domini, ‘de Goedertierenheid des Heren’ (Psalmen 33:5b). In de oudtestamentische tekst laat de Eeuwige zich in zijn toorn aanspreken op zijn trouw en zijn imago voor de volken. Maar toorn is niet nodig als achtergrond van Gods barmhartigheid. De nieuwtestamentische tekst nodigt uit, zonder over Gods toorn te reppen, om te delen in Gods vreugde. Deze zondag legt dus ook verband met de vierde zondag in de Veertigdagentijd, Laetare, ‘Verheug je’ (Jesaja 66:10).

De afbakening van de oudtestamentische tekst maakt duidelijk dat het vandaag noch om het maken van het stierbeeld gaat, noch om het bijbehorende feest, en ook niet om de vernietiging van de eerste twee steenplaten met de Tien Woorden. Uitsluitend de dialoog tussen God en Mozes staat in de focus.

Mozes’ volk of Gods volk?

Het lijkt alsof de Eeuwige zich distantieert van de verantwoordelijkheid voor de exodus uit Egypte. Volgens zijn woorden heeft Mózes het volk doen opgaan uit Egypte (Exodus 32:7). Ook vermijdt Hij zich te associëren met het volk. ‘Jóuw volk’ noemt Hij het in het gesprek met Mozes (32:7), en op een duidelijk afkeurende toon: ‘dít volk’ (32:9). Maar Mozes laat de Eeuwige niet zo makkelijk op afstand gaan. Vasthoudend noemt hij Israël ‘úw volk dat Gíj hebt doen vertrekken uit het land Egypte’ (32:11). Het is niet alleen Mozes’ bescheidenheid en onbaatzuchtigheid die hem zo doen spreken. Hij staat niet toe dat de Eeuwige zich terugtrekt van zijn heilsdaad en de ingeslagen weg verlaat. Zelfs de Egyptenaren weten dat het vertrek in eerste instantie Gods werk was (32:12). Afstand nemen is niet geloofwaardig.

Wat in de dialoog tussen Mozes en de Eeuwige op een pingpongspel lijkt, heeft nog een andere dimensie. Ook Israël zegt dat Mozes hen uit Egypte heeft geleid (32:1), en tegelijkertijd weten zij dat er een goddelijke macht achter schuilt en deze willen zij graag zicht- en tastbaar hebben (32:4). Waar wij vaak zo graag onderscheid maken tussen Gods werk en menselijk toedoen, betekent een uitspraak als ‘Mozes heeft dit gedaan’ voor Israël niet het ontkennen van goddelijk handelen.

Perspectiefwissel

Als je iemands handelen wilt beïnvloeden, moet je hem aan een ander perspectief helpen. Des te meer wanneer deze gevangen zit in zijn emotie en hem een perspectiefwissel uit eigen kracht niet lukt. Mozes lijkt in dit gesprek met de – zeer menselijk reagerende – Eeuwige bijzonder bedreven op het gebied van psychologische gespreksvoering. ‘Ze hebben zich afgewend, ze hebben een beeld gemaakt, ze hebben het geofferd, ze hebben het aanbeden’ (32:8). God wil reageren op wat er gebeurd is; de motivatie voor zijn handelen ligt in het verleden. Mozes kijkt naar voren. Welke gevólgen zou de beoogde handelwijze hebben? Wat moet Egypte zeggen van een God die zijn volk uit de verdrukking haalt om het vervolgens te vernietigen (32:11-12)? En hij volgt een tweede strategie: de woedende herinneren aan wie Hij is, aan wat eigenlijk zijn principes zijn. Hij is de God van Abraham, Isaak en Jakob. Weegt de actuele ontrouw van het volk op tegen zijn aloude trouw aan beloften jegens zijn loyale dienaren? Nee toch!

Beste mopperaars

Volgens Lucas richt Jezus zich met de drie parabels van hoofdstuk 15 tot de ‘farizeeën en schriftgeleerden’. Zeker, vers 1 schetst als achtergrond dat tollenaars en zondaars Hem bleven opzoeken om naar Hem te luisteren. Zij komen in de parabels terug als verloren schaap, verloren drachme en verloren zoon, maar Jezus vertelt de parabels niet voor het schaap of de drachme. Zijn woorden zijn bestemd voor de farizeeën en schriftgeleerden, mensen dus die met hun vroomheid en studie God wilden eren en tegelijkertijd kritisch naar Jezus’ omgang met ‘tollenaars en zondaars’ keken. En niet alleen keken. Ze mopperden over Jezus’ maalgemeenschap met deze mensen. Niet dat ze Hem direct erop aanspraken, maar in gesprek met anderen spraken ze over ‘die man’, over ‘hij daar’ (15:2). Hoe Jezus hiervan weet heeft gekregen, laat Lucas in het midden. Jezus wendt zich direct tot hen, in beide parabels met dezelfde vraag: Welke man of welke vrouw zou niet zo handelen als in mijn verhaal? Deze vraag laat geen ruimte voor uiteenlopende antwoorden. Uiteraard zou elke man die honderd schapen bezit het éne verloren schaap zoeken, en uiteraard zou elke vrouw die tien drachmen bezit die éne verloren munt zoeken! De achterliggende gedachte is: als mensen zo vanzelfsprekend op zoek gaan naar wat waardevol voor hen is, hoeveel te meer dan God? Hebben jullie soms van God een minder hoge dunk dan van jullie medemensen?

Gedeelde vreugde

Beide parabels zijn een lesje over hoe God is, gericht tot mensen die er wel verstand van hebben, de schriftgeleerden door hun studie, de farizeeën door hun streven om God door een vrome levenswandel te bevallen. Maar, aldus de parabels, zij passen deze kennis niet toe op wat ze zien. Natuurlijk weten zij dat God barmhartig is, maar ze beseffen niet dat dat wat hen ergert, onderdeel uitmaakt van het vraagstuk ‘Hoe is God?’. Het is alsof Jezus tegen hen zegt: ‘Neem serieus wat je gelooft. Je zegt dat God barmhartig is. Pas deze theologische uitspraak toe op wat je ziet.’

Het grote thema van alle drie de parabels in Lucas 15 is de vreugde. Iemand die iets teruggevonden heeft waaraan hij gehecht is, kan deze vreugde niet voor zichzelf houden. Net als de herder, net als de vrouw, net als de vader nodigt hij anderen uit om in deze vreugde te delen. Laat je blij maken door wat God blij maakt, is de boodschap aan de farizeeën en schriftgeleerden.

Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.

< Terug