< Terug

Verrijzenis en nieuwe schepping

Bij Johannes 20,1-18 en Jesaja 25,6-9

Het ‘paasevangelie’ volgens Johannes – het hele Johannesevangelie is een paasevangelie – is een dramatisch verhaal. Het speelt met motieven uit het scheppingsverhaal en kent ook een bijzondere omgang met het opstandingsgeloof. Het eerste kan de verrijzenis van Jezus in een bredere horizon plaatsen, het tweede kan aanknopingspunten bieden voor de omgang met dit geloof nu.

Deze lezing is bedoeld voor de eucharistieviering van de eerste zondag van Pasen. Welke dag staat er meer in het teken van die verlossende gemeenschap rondom Jezus, die sterker is dan zelfs de dood? Vergelijk ook het feestmaal in Jesaja 25,6-9. Deze viering ligt in veel gemeentes in het verlengde van de viering van de Paaswake. Deze nachtelijke liturgie staat sterk in het teken van een breed verstaan van wat verrijzenis inhoudt: een nieuwe exodus, een nieuwe schepping. De verrijzenis van Je- zus hoort binnen dat kader thuis.

Het Woord dat schiep en herschept

Johannes 20,1-18 neemt de schepping op door de eerste dag en het aanvankelijke duister te onderstrepen. De precieze omstandigheden waaronder Maria naar het graf gaat, krijgen namelijk veel aandacht: Tèi de miai toon sabbatoon Maria hè Magdalènè erchetai prooi skotias eti ousès (…) (Johannes 20,1). De tekst geeft aanleiding om een verband te leggen met de eerste dag van de schepping. De combinatie van de eerste dag en het donker zijn laat zich goed verbinden met de eerste scheppingsdag en de duisternis in Genesis 1,3-5. In Marcus 16,2 is het net omgekeerd, want nét licht. Dit verband plaatst het ‘wonder’ van Jezus’ verrijzenis in het bredere kader waar het thuishoort: meer dan het handelen van God aan een (gelukkig) individu gaat het om de inauguratie van de verlossing van de gehele schepping, verstaan als herschepping, en wel uit de klauwen van de dood; zie ook Jesaja 25,8. Deze herschepping is ook het bredere kader waarbinnen allerlei effecten van Jezus’ dood en verrijzenis (vergeving van zonden, verslaan van de dood) het beste verstaan worden. Wie in hoofdstuk 20 de proloog van het Johannesevangelie met zijn kosmische dimensies nog in de oren heeft, hoeft dit ook niet te verbazen: het Woord dat ‘in den beginne’ schiep is in Jezus en in zijn verrijzenis ook het Woord dat herschept.

Stap voor stap

Veel ruimte krijgt in de perikoop de gang naar het graf en het gaandeweg bekijken ervan door Petrus en de leerling die Jezus liefhad. Als tekst zit het mooi in elkaar en als lezer word je meegenomen in de beweging van de twee leerlingen. Wat er precies achter hun haast zit? Vermoedelijk angst vanwege grafroof, gezien wat Maria tegen hen zegt: ‘Ze hebben de Heer uit het graf gehaald en wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd!’ (Johannes 20,2). Wie die ‘ze’ precies zijn, laat het verhaal open, maar de schok is wel helder. Het verhaal loopt echter een stuk langzamer dan Petrus en de geliefde leerling: het verteltempo ligt laag omdat de lezer allerlei details te horen krijgt. Dit heeft effect: het verhoogt de spanning, het vergroot ook de mogelijkheden – die te benutten zijn bij het verkondigende voorlezen van dit evangelie! – tot inleving in de twee omdat je vrijwel stap voor stap wordt meegenomen. De lezer ervaart hoe zij lopen en vooral hoe zij stap voor stap zien. Het verhaal kent aan het begin ook een zien, namelijk het niet zien van Maria: ze ziet de steen die van het graf is weggerold (Johannes 20,1). Verder ziet Maria niet, wel trekt ze haar conclusies. De lezer ziet dus ook niets meer dan dit en moet zich ook afvragen wat er aan de hand is. Na de ‘wedloop’ – in de Middeleeuwen vaak nagespeeld in het kader van passiespelen – ziet de geliefde leerling eerst iets in Johannes 20,5, namelijk de linnen windsels. Meer ziet hij niet – en de lezer dus ook niet – omdat hij niet naar binnen gaat.

Zien en geloven

Een volgend zien komt in Johannes 20,6, waar Petrus – en met hem de lezer – het graf binnengaat en hetzelfde ziet als de andere leerling: de windsels die daar liggen. In Johannes 20,7 ziet Petrus nog meer: de netjes opgevouwen zweetdoek die Jezus’ gezicht bedekt had en die niet bij de rest van de doeken ligt. De andere leerling komt dan achter Petrus aan, ‘ziet’ en gelooft. Wat hij ziet is naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde als wat Petrus ziet, al- leen hij ‘kijkt’ verder dan zijn neus lang is en trekt er een conclusie uit: Jezus is verrezen. Dat zegt Johannes niet met zoveel woorden, maar gezien het vervolg van het verhaal moet het dat wel zijn: daarin gaat het over verschillende verschijningen van Jezus, aan Maria en aan de leerlingen, die steeds de werkelijkheid van de verrijzenis voor ogen voeren. Dit inzicht van de geliefde leerling zal zijn bevestiging vinden in de vroegchristelijke interpretatie van de Schriften (Johannes 20,9). In Johannes 20,10 gaan de leerlingen weer naar huis en daarna wisselt de focus naar Maria bij het graf (Johannes 20,11-18).

Voor de prediking biedt de nadruk op de het bredere kader van de verrijzenis mogelijkheden om naar breedte en diepte te peilen. Dat heeft als keerzijde natuurlijk een verstaan van de mens als één onderdeel van de te verlossen en vernieuwen schepping, niet als de enige te redden diersoort. De leerweg – letterlijk – van Maria, de geliefde leerling en Petrus biedt mogelijkheden voor bezinning op geloof dat net zo veel met overtuiging als met zoekend kijken en tastend verstaan te maken heeft. De ontdekkingen van de drie gaan stap voor stap, niet iedereen ziet hetzelfde in wat ze zien, en er zal nog een hele weg van schriftlezing en verdere ervaringen met de Verrezene voor nodig zijn om het geloof van de geliefde leerling ook voor anderen, zoals Tomas, toegankelijk te maken.

Bij Johannes 20:1-18 en Jesaja 25:6-9

< Terug