< Terug

Vertrouwen op God

Bij Habakuk 3:1-3.16-19 en Lucas 17:1-10

De lezingen voor deze zondag zijn niet eenvoudig te begrijpen. De vertaling van de Habakuklezing is ingewikkeld; er is een grote bandbreedte aan vertalingen van te vinden. Daarom let ik in deze bijdrage meer op de grote lijnen dan op de details. Ook de Lucastekst is moeilijk, omdat deze bestaat uit een aantal schijnbaar onsamenhangende teksten. Toch is in beide perikopen het vertrouwen op God het dragende thema.

Het boek Habakuk is maar kort en begint aangrijpend: met een schreeuw naar God. ‘Hoe lang nog moet ik om hulp roepen, en U luistert niet?’ (1,2) De profeet vraagt zich af hoe lang het onrecht nog kan duren in zijn land zonder dat God ingrijpt. Een vraag die door de eeuwen heen niets aan actualiteit verloren heeft. Er komt toch een antwoord van God, in de vorm van het volk van de Chaldeeën (1,6), dat orde op zaken zal gaan stellen. Habakuk roept zijn volk op erop te vertrouwen, dat Gods hand achter deze politieke of militaire gebeurtenissen verborgen is. De historische context van de beschreven gebeurtenissen is niet duidelijk.

Toch zal ik juichen in de Heer

In hoofdstuk 3 zien we een profeet die zich innerlijk schrap zet. Je ziet hem bijna voor je: in elkaar gedoken, rillend van spanning, maar ook hoopvol wachtend tot alles voorbij zal zijn. God komt zijn volk redden, profeteert Habakuk. Dat zal met veel ‘tumult’ gepaard gaan, maar dat is noodzakelijk. Habakuk heeft een boodschap van God ontvangen en begrepen en hij vreest, huivert van respect, voor Gods daden. Hij weet wat God in het verleden voor zijn volk heeft gedaan en hoopt dat God ook nu zal optreden en zijn volk bevrijden (Hab. 3,2).

Habakuk bezingt Gods glorie (3,3vv.). ‘God komt uit Teman en uit de bergen van Paran.’ De stad Teman en het woestijngebied Paran liggen zuidelijk van Israël. Teman staat bekend om de wijsheid van zijn inwoners (zie Jer. 49,7, Ob. 1,8-9 – Teman ligt in het land Edom – en Job 2,11). Paran behoort tot het woestijngebied waarin Israël na de uittocht uit Egypte rondtrok. Dat God van de bergen komt is een citaat uit Deuteronomium 33,2, waarin Mozes Israël op de grens van het beloofde land zegent. De profeet herinnert eraan, met hoeveel macht en geweld God in het verleden opgetreden is (Hab. 3,3-15). En nu zal, hoopt hij, hetzelfde gebeuren. Met angst en beven wacht hij af (3,16). Daarmee zal het land niet meteen op orde zijn. Maar hoe het er ook uitziet (3,17): toch zal Habakuk God loven, want Hij zal zijn volk redden. Het boek, dat met een wanhopige aanklacht tegen God begon, eindigt zo met een lofzang op God.

Struikelblokken

Waar in Habakuk dus opgeroepen wordt om vol vertrouwen, maar toch relatief passief de redding af te wachten, is dat bij de Lucasperikoop anders. Dit tekstgedeelte bestaat uit losse teksten, waarin moeilijk een samenhang te vinden is. Ook hier gaat het om geloven en vertrouwen op God, maar er wordt van de hoorders een actievere houding verwacht dan bij Habakuk.

Het gaat niet om afwachten wat er gebeurt, maar om actief handelen en goed opletten wat je doet. De houding ten opzichte van de medemensen is bepalend.

Het begint raadselachtig: ‘Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val gebracht worden’ (Luc. 17,1 – NBV), letterlijk: ‘Het is onmogelijk dat er geen struikelblokken komen’. Het Griekse woord skandalon betekent: ‘val’, ‘oorzaak van zonde’, ‘aanstoot’. Iets waardoor je valt, hoe dan ook. Wat hier bedoeld wordt, blijkt uit het vervolg (17,3-4), waar staat dat je ‘je broeder’ vergeven moet als hij tegen je zondigt. Het gaat dus over het samenleven in de christelijke gemeente. Er zijn struikelblokken, mensen zondigen tegen elkaar. Dat is onvermijdelijk. Maar let goed op je eigen handelen, zodat jij er niet de oorzaak van bent dat een ander ten val komt. Besef dat je een grote verantwoordelijkheid hebt ten opzichte van ‘deze kleinen’ (17,2). ‘Klein’ betekent hier vooral: kwetsbaar.

Vergeef je broeders

Je moet je vergevingsgezind opstellen tegenover de anderen in de gemeente, je ‘broeders’. Als iemand tegen je zondigt, hoeft je dit niet te accepteren. Je mag de ander aan een ‘beoordelingsgesprek’ onderwerpen – het Griekse woord epitimao wordt in het Nieuwe Testament uitsluitend negatief gebruikt: streng toespreken of bestraffen. Je spreekt de ander er dus op aan, wanneer die tegen jou zondigt. Maar als die dit dan ter harte neemt en berouw toont, moet je hem vergeven, hoe vaak dit ook gebeurt (17,4).

Dit is een van de weinige bijbelteksten waar sprake is van mensen die tegen elkaar zondigen in plaats van tegen God. Maar het zondigen tegen God, letterlijk het missen van je doel, uit zich ook in de omgang met de naaste. Of je veel of weinig geloof hebt, doet niet ter zake. Geloof is helemaal niet meetbaar. Het gaat niet om de hoeveelheid, maar om wat je doet met je geloof. Een moerbeiboom wortelt erg diep en is dus erg moeilijk te ontwortelen (17,5-6).

Lucas 17,7-10 vormt een gelijkenis, waarin de volgelingen van Jezus wordt voorgehouden dat zij zich niets hoeven aan te matigen omdat ze hard werken. Ze stellen hun leven in dienst van God, maar dat is normaal. Daarvoor hoeven ze geen erkenning of dankbaarheid te verwachten. De NBV heeft het Griekse woord achreios (= nutteloos, waardeloos) in vers 10 wegvertaald. Wij zijn ‘nutteloze knechten’ staat er – niet in die zin dat we geen waarde hebben, maar in die zin dat het nooit genoeg is, wat we doen. Er is altijd nog meer te doen, we schieten altijd tekort. Maar we doen wat we kunnen – dat is wat volgelingen van Jezus te doen staat.

< Terug