< Terug

Vies klusje

Bij Johannes 13,1-15

Mattias is een slaaf. Net als de rest van zijn familie. Hij is al elf, dus hij heeft eigen taken. Eén daarvan is ‘voetenwater halen’. Steeds als er mensen het huis binnen komen, moeten hun voeten gewassen worden. Meestal doet moeder dat, en tante helpt soms als er heel veel gasten zijn. Het is Mattias’ taak om te zorgen dat er dan genoeg water is om al die voeten schoon te krijgen.

Vandaag is er hoog bezoek: Jezus en zijn leerlingen blijven eten. Mattias staat een beetje te dromen als hij ineens aan tafel geroepen wordt. Jezus zelf roept hem!

‘Laat jij me maar eens zien waar Ik de kan en de kom kan vinden voor het voetenwater,’ zegt Jezus tegen Mattias. Mattias schrikt zich rot. Wil Jezus nu controleren of hij de spullen wel goed heeft opgeruimd? Waarom zou hij anders vragen waar alles staat…?

Een beetje gespannen loopt Mattias voor Jezus uit naar de kast. ‘Hier staat het, Heer,’ zegt hij verlegen.

Tot Mattias’ stomme verbazing pakt Jezus de kan en de kom op, en neemt Hij ze mee naar de tafel waar zijn leerlingen nog zitten. En Hij begint rustig de voeten van de leerlingen te wassen.
De tante en moeder van Mattias staan stomverbaasd te kijken. Dat is hun werk! Het is vies werk, al die zweetvoeten wassen, met die vieze nagels en dikke lagen eelt… Maar Jezus doet het gewoon. En Hij zegt dat zijn leerlingen dat voortaan ook moeten doen, net als Hij.

Dus eigenlijk zijn zij, de slaven, de mensen die het goede voorbeeld geven! En eigenlijk moeten alle mensen hun vieze werk doen, in plaats van de baas spelen.

Mattias is er helemaal van in de war. Dat is de wereld op zijn kop. Wie wast er nu de voeten van iemand anders, wie doet dat nou!

< Terug