< Terug

Vrede voor Jeruzalem?

Bij Jeremia 23,16-29, Liedboek 17:1.3.4.6.7, 1 Korintiërs 12,1-11 en Lucas 19,41-48

De liturgie begint bij Psalmen 55, een gebed in nood, om redding en ontsnapping aan belagers. Deze psalm is bekend geworden in de compositie Hör mein Bitten van Felix Mendelssohn-Bartholdy: de innige smeekbede, de razende vijanden en het verlangen ver weg te kunnen vliegen als een duif. Al vóór onze klacht in de intredezang, al vóór we God smeken ons te helpen wijst de antifoon de weg naar rust en vrede (Psalmen 55,17.23).

De hevige gemoedsbewegingen over de boze vijanden en het gebed om vreselijke straffen zijn overgeslagen, onberijmd en berijmd. Het laatste woord klinkt niet: ‘voor de vijanden de kuil der ontbinding, ik vestig mijn hoop op U’ (Psalmen 55,24). Wij ervaren niet zulke belagers en zulke druk, toch moesten we in de gemeente de hele psalm bidden. Als die woorden uit onze eigen mond komen, kunnen ze ons helpen in te voelen wat vervolging met mensen doet. We kunnen dan beter met hen en voor hen bidden.

De vijand verslagen

In de berijmde Gradualepsalm 17 (vs. 1.3.4.6.7) wordt ‘ik’ ook belaagd door vijanden. De nood is niet minder dan in Psalmen 55, de vijand even gevaarlijk. Toch spreekt uit het gebed meer vertrouwen op God en op een goede afloop. Het gebed vraagt minder heftige straffen voor de belager. Het slotakkoord is: ‘O blij vooruitzicht dat mij streelt (…).’
Het Hallelujavers vinden we in Psalmen 66,1-2 (onberijmd) – een onbekommerde lofzang voor God. De vijanden zijn verslagen, het leven is nieuw en goed geworden. Wie denkt nog aan de pijn van vroeger?

Blijde inkomst

De tocht van Jezus van Galilea naar Jeruzalem is bijna ten einde. Zittend op een veulen rijdt Hij naar de stad. Het lijkt wel de blijde inkomst van een nieuwe koning. Zijn leerlingen juichen Hem toe en prijzen God om zijn wonderdaden. De stoet stopt even op de top van de Olijfberg (Lucas 19,37): enkele farizeeën zijn het er niet mee eens. Jezus dient hen van repliek met een citaat uit Habakuk (2,11). Dan volgt onze lezing: twee taferelen. Eerst beziet Jezus Jeruzalem voor Hij de stad binnengaat (Lucas 19,41-44). Daarna is Hij in de stad, in de tempel (Lucas 19,45-48). In beide scènes sluit wat Hij zegt en doet aan bij de verkondiging van de profeten van Israël, ook bij hun apocalyptische beeldentaal.

Jeruzalem dat de profeten doodt

Net buiten de stad kijkt Jezus en begint te huilen. Hij ziet verwoesting en gruwelijke wreedheden tegen haar inwoners. Zijn weeklacht sluit aan bij weeklachten van vele profeten. We lazen hoe Jeremia (23,16-29) klaagt over de valse profeten achter wie heel Jeruzalem aan loopt, haar onheil tegemoet. Vervullen de farizeeën hier de rol van valse profeten? Ze willen dat Jezus de leerlingen het zwijgen oplegt; zij houden ‘de koning’ tegen en maken dat Jeruzalem niet weet wat vrede kan brengen. Door hun nadruk op de geboden is de stad blind en doof geworden voor de tijd van Gods ontferming.
Veel profeten weeklagen over Jeruzalem en Israël, in apocalyptisch aandoende beelden over verschrikking en verwoesting. Zo barst Elisa in tranen uit, als hij voorziet dat de Aramese koningsmoordenaar Hazaël niets heel zal laten van de Israëlieten en hun steden (2 Koningen 8,11-15). Het wrede lot van Jeruzalem is nu eens te wijten aan belagers, dan weer aan haar eigen ontrouw aan de Eeuwige. Toch wordt ook herstel in het vooruitzicht gesteld en straf voor de vijanden (bijv. Psalmen 137; Hosea 10,13vv.). Jezus klaagt over wat nog niet is gebeurd, als een profeet. Lucas schrijft zijn evangelie tussen 80 en 100, na de Joodse opstand in 70, de wreedheden tegen de bewoners en de verwoesting van Jeruzalem. Met zijn klacht herneemt en benadrukt Jezus vlak bij Jeruzalem zijn uitspraak in Lucas 13,33vv. over de stad die de profeten doodt en stenigt en over zijn wens haar kinderen bijeen te brengen zoals een hen haar kuikens hoedt onder haar vleugels. Bij Matteüs (23,37) zijn deze woorden het slot van Jezus’ weespreuken over farizeeën en schriftgeleerden in de tempel. ‘Maar jullie hebben het niet gewild,’ verwijt Jezus niet alleen de farizeeën, maar heel Jeruzalem. ‘Gezegend Hij die komt (…)’ geldt bij Lucas (13,35) voor de intocht, bij Matteüs (23,39) voor de parousie.

De tempel een rovershol

In de tempel gekomen komt Jezus meteen in actie tegen de handelaars (19,45vv.; vgl. Matteüs 21,12vv.; Marcus 11,15vv.; Johannes 2,14vv.): ‘Mijn huis moet een huis van gebed zijn’ (Jesaja 56,7), ‘maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt’ (Jeremia 7,11). Rond de eredienst en de offerrituelen bestond een complete economie; veel van de opbrengsten kwam ten goede aan de exploitatie van de tempel. Eerder hadden profeten er al op gezinspeeld dat men zijn heil zocht in offers, zonder zich in het dagelijks leven te houden aan de verbondsregels. De Eeuwige haat zulke losse godsdienstigheid (vgl. Jesaja 1,14-17; Hosea 6,6; Amos 5,21-24). Doen ze het in Lourdes eerbiediger? Daar is wel veel religieuze commercie, maar die is door een straat duidelijk gescheiden van de heiligdommen. Alleen offerkaarsen zijn in de heiligdommen zelf te koop – het heilige water uit de bron is gratis voor iedereen. Jezus heeft alle ruimte voor onderricht aan velen. Hij doet bij Lucas en Marcus geen wonderen. De tegenstanders zijn bang voor een opstand als ze Jezus aanpakken.

Ook in de gemeente te Korinte speelt de vraag: ‘Wat kan vrede brengen?’ Het antwoord: ‘Wat van de heilige Geest komt.’ Paulus maakt duidelijk onderscheid: ‘Vervloekt is Jezus’ komt niet van de heilige Geest, ‘Jezus is Heer’ altijd (1 Korintiërs 12,3). En verder? De Geest gebruikt de gaven en mogelijkheden die ieder heeft. De gemeente is als één lichaam met vele leden die elk hun eigen mogelijkheden, taken en taal hebben.

< Terug