< Terug

Vreemdelingen zijn de eersten

Bij Jesaja 60,1-6, Psalmen 72, Efeziërs 3,1-12 en Matteüs 2,1-12

Voor Epifanie staan op het Luthers leesrooster dezelfde lezingen die elk jaar op het Gemeenschappelijk leesrooster staan, zodat er in dit num- mer van De Eerste Dag twee verschillende exegeses van deze lezingen te vinden zijn. Het is duidelijk dat deze schriftlezingen op elkaar zijn afgestemd en bij elkaar zijn uitgekozen, gebaseerd op een liturgische traditie van eeuwen.

Duidelijk is dat het verhaal van de wijzen (Matteüs 2,1-12) daarin vandaag leidend is. Maar de andere lezingen bepalen de bril waardoor we naar het verhaal kijken. Die brillen moeten we allereerst maar eens opzetten.

Koningen met geschenken

De juichende Trito-Jesaja (Jesaja 56-66) vertelt van de mensen van het verbond, die het woord van de Eeuwige in hun hart hebben (Jesaja 59), die mogen oplichten omdat Gods licht over hen is gaan stralen. En dat de volken daarom overal vandaan naar Jeruzalem zullen komen. Vers 3 spreekt van koningen die komen. Hier en in Psalmen 72,10 komen de koningen met geschenken, en in Jesaja 60,6 letterlijk met wierook en goud; en deze ‘bril’ heeft het gebeuren in Matteüs 2 zodanig gekleurd dat we in de kerk het feest van 6 januari Driekoningen hebben genoemd, hoewel er maar twee koningen in het geding zijn – maar daarover straks. Ook Psalmen 72 zet ons op het spoor van de koning naar Gods hart, die aanbeden en geëerd wordt, ook door andere koningen (Psalmen 72,11).

De heidenen mede-erfgenamen

Paulus heeft als bijnaam de apostel der heidenen. In zijn brief aan de gemeente in Efeze, die behoorlijk multicultureel is, noemt hij dat met nadruk. Het is zijn taak, maar het is ook iets om je over te verwonderen, dat het heil niet alleen voor Joden is, maar dat allen erbij mogen horen, zoals we lezen in vers 6 van dit derde hoofdstuk.

Twee koningen

Matteüs wil schrijven over een koning die anders is dan alle andere koningen. In het geboorteverhaal van Jezus laat hij dat al zien. Het gaat om Betlehem, waar ook koning David vandaan komt. Dat koningschap van David kleurt het koningschap waarover de evangelist ons wil vertellen. Matteüs moet Jesaja gekend hebben als hij vertelt dat aan ‘vreemdelingen’ een licht is opgegaan: Jesaja 60 begint er immers mee. Vreemdelingen komen, magiërs uit een ander land en van een ander geloof, die de toekomst lezen in de sterren; geen koningen dus!

Ja, er komen wel koningen voor in dit verhaal. Twee koningen zijn er: koning Herodes en de Koning der Joden. Het is opvallend hoeveel termen uit het eind van het evangelie, waar het ook gaat over de Koning der Joden, de evangelist verstopt heeft in dit verhaal. Zoals die overpriesters en schriftgeleerden die in beide verhalen ten tonele worden gevoerd. Hier moeten ze de Schriften openen (Matteüs 2,4). Want hoewel vreemdelingen de eersten zijn die komen om de Koning der Joden te aanbidden, kan de toekomst van Israël niet uit de sterren, maar slechts uit de Schrift worden gelezen. Koning Herodes is ontsteld en Jeruza lem met hem. Ook dat lezen we bij Jesaja 60, dat het volk zal ‘stralen en opschrikken’ (Jesaja 60,5 – Naardense Bijbel).
Maar er is nog iets om van te schrikken: er is een koning te veel. Als we doorlezen in Matteüs 2 zullen we zien hoe bloedig dat afloopt, maar dat kenden we ook al uit het Eerste Testament. Saul en David verdragen elkaar niet als koningen – ook hier blijkt er een koning te veel te zijn.

De ster bevestigt de Schriften

Matteüs wijst ons op nog een gevaar. Herodes roept de wijzen in het geheim, in stilte (Matteüs 2,7). Dat is het tweede grote risico dat Jezus loopt: dat Jezus in stilte zal worden omgebracht. Het eerste risico was dat Jozef in stilte van Maria wilde scheiden (Matteüs 1,19): een geheime geboorte en een geheime dood maken zijn koningschap onmogelijk. Openlijk moet Hij zijn opdracht – God met ons (Immanuel) – vervullen. Daar zal Matteüs een evangelie lang over vertellen. De ster kan de weg wel verder wijzen, nu de Schriften zijn opengegaan. De ster bevestigt de Schriften, niet andersom: je leest in de Bijbel niet wat in de sterren geschreven staat. Maar het zijn wel de vreemdelingen die ons op het spoor zetten. Die ons leren door hun vragen op zoek te gaan in de Schriften.

Het is een groot geheim, zegt Paulus, dat die vreemdelingen erbij horen (Efeziërs 3,3-6). Daar kun je niet omheen. Jezus is het stralende middelpunt op deze zondag van zijn Epifanie, zijn verschijnen (Gr.: epiphaneia; vgl. 2 Timoteüs1,10). De Schriften vertellen daarvan en iedereen mag erin delen.

< Terug