< Terug

Vuile handen

Bij Deuteronomium 10,12-21, Psalmen 15 en Marcus 7,1-23

‘Dit zijn de woorden (…)’ Zo begint het bijbelboek waaruit de eerste lezing van vandaag is genomen. In onze bijbels heet het boek Deuteronomium, ‘tweede maal de wetgeving’, daarmee verwijzend naar de eerste keer: de verbondssluiting bij de Sinai. In een lange monoloog houdt Mozes hier, aan het eind van de omzwervingen in de woestijn, die richtlijn weer voor aan een nieuwe generatie.

Het Hebreeuwse woord tora betekent ‘richtlijn’, naar de richting die de leider van een nomadenstam met zijn staf aangaf naar nieuwe weidegronden. Maar dit is dé richtlijn, zowel voor Israël als volk als voor ieder individu afzonderlijk, die bindend aanduidt waar het goed is. Er wordt in de tekst dan ook voortdurend overgegaan van enkelvoud naar meervoud. Jozua zal het later nog eens herhalen, nadat de Israëlieten onder zijn leiding de Jordaan zijn overgestoken en het land zijn binnengegaan. En eeuwen daarna, bij de terugkeer uit de ballingschap in Babel, zal het boek opnieuw aan het volk worden voorgehouden. Ook weer bij een nieuw begin.

Elf kardinale principes uit de Tora

Deuteronomium 10,12-13 bevat de essentie van de Tora: ‘Heb ontzag voor de Eeuwige en het zal u goed gaan.’ Daarmee sluit de perikoop ook af en met de toevoeging ‘wees Hem toegedaan’ (Deuteronomium 10,20 – Nieuwe Bijbelvertaling). Volgens de joodse geleerde Maimonides is dat ontzag niet gebaseerd op angst. Het wordt een levenshouding door het naleven van de geboden met liefde voor de medemens als basis. Zoals de Eeuwige is ten aanzien van vreemdeling, weduwe en wees, zo moeten ook wij, geschapen naar Gods beeld, doen (Deuteronomium 10,17-19). Vandaag nog.
Volgens de joodse wijzen geeft de dichter ons in Psalmen 15 elf kardinale principes, als invulling van de voorschriften van de Tora en als antwoord op de vraag waarmee de psalm begint. Het zijn regels voor onderling gedrag. In onze dagen met krantenberichten over vluchtelingenstromen, moordpartijen, graaigedrag ten koste van zwakken, Paradise Papers: pijnlijk om mee te worden geconfronteerd. Wanneer je voldoet aan de elf principes, opgesomd in de psalm, mag je ‘wonen in de tent van de Eeuwige’. Zou ik daar terechtkunnen?

Tradities van mensen

Als je Marcus 7,1-23 leest, zou je bijna denken dat Paulus aan het woord is (vgl. Romeinen 14,20). Alleen is de context hier exclusief joods, terwijl die bij Paulus iedereen insluit, joden en heidenen. Maar als je doorleest, blijkt dat Marcus hier en in het hiernavolgende gesprek met de Kanaänitische vrouw al duidelijk maakt hoe belangrijk Jezus’ onderricht zal zijn voor iedereen. Jezus is nog steeds in Galilea, en het is veelzeggend dat er farizeeën en schriftgeleerden helemaal uit Jeruzalem zijn gekomen om Hem in het oog te houden (Marcus 7,1). Een incidentje over ongewassen handen is de aanleiding voor dit gesprek.
De kwestie van het handen wassen wordt in een terzijde uitgelegd als een van de tradities van de ‘ouden’, waaraan álle Joden zich zouden houden (Marcus 7,3). Maar het is twijfelachtig of het al een voorschrift was in Jezus’ tijd. Dat zou pas dateren van na 60 n.Chr. Op de aantijging van de farizeeën dat zijn leerlingen eten met ongewassen handen, reageert Jezus met een citaat uit Jesaja (29,13). Daarin vallen twee tegenstellingen op: die tussen lippen en hart, die later terugkomt; en die tussen de voorschriften van de Eeuwige en die van mensen. En veelzeggend vervangt Jezus in zijn antwoord – ironisch ingeleid met ‘mooi’ – ‘traditie van mensen’ door ‘jullie traditie’ (Marc. 7,9). Ter illustratie geeft Hij als voorbeeld hoe iemand het voorschrift van ‘korban’ (= offergave aan de tempel, Hebr.: qarban) misbruikt door zijn bezit aan de tempel te schenken. Het kan dan niet meer ten gunste van zijn ouders worden aangewend en zo wordt het gebod van de Tora om je ouders te eren buitenspel gezet door een ‘traditie van mensen’. Na de verwoesting van de tempel verdween de ‘korban’-praktijk. Rabbi Ben Zakkai (1e eeuw n.Chr.) treurde daar niet om, want, zei hij: ‘Er is een andere manier om verzoening te krijgen: door daden van liefdevolle vriendelijkheid’ (vgl. Hosea 6,6). Of volgens rabbi Eleazar ben Azariah (1e eeuw n.Chr.): ‘Goede werken doen uit liefde is groter dan het offer van alle offers’ (vgl. Spreuken 21,3).

Onreinheid die voortkomt uit het hart

Na zijn les aan het adres van de farizeeën en schriftgeleerden richt Jezus zich weer tot de menigte met twee opdrachten: naar Hem te luisteren en tot inzicht te komen (Marcus 7,14). Hij sluit af met een dubbelzinnige metafoor waarop geen reactie komt vanuit het publiek.
De leerlingen zitten ermee. In besloten kring vragen zij Jezus om uitleg. Is het zo vreemd, dat zij de pointe gemist hebben? De discussie die begon over ongewassen handen, eindigt ermee dat Jezus alle eten rein verklaart, omdat voedsel alleen dient tot instandhouding van het lichaam, het lichaam ook weer verlaat en niets te maken heeft met het ‘hart’ – al kan lekker eten ook gulzigheid, hebberigheid aanwakkeren. Dat is één van de twaalf zaken die Jezus benoemt als onreinheid uit het hart van mensen (Marcus 7,22). De eerste elf hebben allemaal een zeker verband met de Decaloog en zijn tegenhangers van de elf beginselen uit Psalmen 15. Elke betrokkenheid van een mens daarbij is ‘onverstand’ (Gr.: aphrosunè), en dat maakt pas echt vuile handen.

Vuile handen. Hebben wij in onze tijd ook niet zoiets als een ‘korban’-praktijk? Offers brengen aan de god mammon zoals in de tempel van grote ondernemingen, om niet te hoeven voldoen aan verplichtingen ten aanzien van ‘weduwe, wees en bijwonende vreemdeling’? Geld wegsluizen ten eigen bate, dat dan niet kan worden besteed aan ouderenzorg, aan steun voor minderbedeelden of aan onderwijs? In hoeverre zijn we leerlingen die het nog steeds niet hebben begrepen?

Bij Deuteronomium 10:12-21, Psalmen 15 en Marcus 7:1-23

< Terug