< Terug

Waar de Eeuwige aanwezig is

Bij Exodus 34:27-35, 1 Korintiërs 13:1-13 en Lucas 9:28-36

Eens te meer maakt Paulus het ons niet makkelijk om het goed te doen in het geloof. De meest indrukwekkende spirituele belevenissen en gaven kunnen hun waarde verliezen. Niet eens het martelaarschap garandeert dat ik een goede christen ben. En dat krijgen we in dezelfde dienst te horen als twee van de meest ingrijpende ontmoetingen: die van Mozes met God op de Sinai, en Jezus’ gedaanteverandering.

Wanneer het uiteindelijk alleen om onszelf gaat, om het gelijk hebben, om het liefdeloze wedijveren op het gebied van spiritualiteit, dan zijn onze vormen van geloofsuiting waardeloos, hoe indrukwekkend onze spirituele persoonlijkheid ook mag zijn. Waar je je mee bezighoudt, waaraan je je tijd besteed, met wie je omgaat – het doet iets met je. Des te meer als het om een bijzondere ervaring gaat. Mozes had veertig dagen en veertig nachten gevast, geen water gedronken, geen brood gegeten, geen mensen gezien. Op de Sinai was hij alleen met de Eeuwige. Met het woord van de Eeuwige. Dit uitsluitende contact, de afwezigheid van elke andere invloed, had iets met hem gedaan. Exodus 34 zegt niet hoe het gebeurd was, vertelt alleen wat er vanuit het perspectief van de toeschouwer waar te nemen viel: Mozes’ gezicht glansde. Zozeer dat Mozes het na de verkondiging van het woord van de Eeuwige moest bedekken. Het ongehinderde zicht op de weerkaatsing van de heerlijkheid van de Eeuwige was voor anderen niet vol te houden.

Wel of geen doek?

Althans in het dagelijkse leven. Maar telkens wanneer Mozes uitsluitend in gezelschap van de Eeuwige verbleef in de tent der ontmoeting, alleen met diens woord, gebeurde dit zonder tussenkomst van een belemmerend weefsel. Het woord mocht Mozes rechtstreeks en ongehinderd raken. En evenzo rechtstreeks en ongehinderd nam het woord van de Eeuwige zijn weg van Mozes naar het volk. De weerslag van de ontmoeting met de heerlijkheid van de Eeuwige lag ook op de verkondiging van diens woord. De doek en de glans op Mozes’ gezicht bleven de lezers van Exodus 34 intrigeren. Grote gevolgen voor de iconografie van Mozes had een foutieve lezing van de Hebreeuwse medeklinkers qrn: Mozes zou met horens (niet met glans) op zijn gezicht afgedaald zijn van de Sinai – en zo werd en wordt hij veelvoudig afgebeeld, niet alleen door Michelangelo. Volgens Paulus
zou de doek voorkomen dat het volk merkte hoe de glans op Mozes’ gezicht weer verdween (2 Korintiërs 3:13). En kennelijk lag er in zijn tijd in (bepaalde?) synagogen tijdens de lezing van de Tora een doek op de ’aron haqodesj (= heilige ark), de kast waarin de Torarollen werden opgeborgen (2 Korintiërs 3:14). Wilde men uitdrukking geven aan een gevoel van afstand van de tijd van Mozes? En vandaag? De dominee of ouderling die tijdens de dienst het woord leest, is niet Mozes. De tekst en zijn receptie nodigen uit om – helaas buiten het bestek van de 950 mij toegestane woorden – na te denken over de liturgische functie en pneumatologische lading van het in onze diensten gelezen en gepreekte woord.

Want dat zeggen de wet en de profeten

Telkens weer werd het korte verhaal van de gedaanteverandering in de tweede en derde eeuw herschreven en kreeg het nieuwe interpretaties in de buitenbijbelse literatuur, met de meest uiteenlopende vraagstellingen die de tekst (nog steeds) oproept. Wie is Jezus? Wat vertelden Mozes en Elia? Wat is hun identiteit en wat is het lot van de andere gelovigen van het oude verbond? Als geen ander staat Mozes symbool voor de Tora. En Elia opent de reeks van de bijbelse profeten. Wanneer je de verhaallijn wegneemt, dan staat er wat één van de vroegchristelijke basisovertuigingen was: de Tora en de profeten wijzen op het lot van Jezus. Mozes, de Tora, zou op de rol van Jezus als Pesachlam kunnen wijzen en daarmee Jezus’ dood voorspellen. En Elia zou kunnen wijzen op de opwekking van de zoon van de weduwe, voorafschaduwing van Jezus’ opwekking uit de
dood, of op zijn eigen tenhemelopneming als aanduiding van wat er met Jezus zou gebeuren.

Duurzaamheid

Wie de lading van het zogenaamde hooglied der liefde ook maar enigszins wil aanvoelen, moet deze tekst lezen tegen de achtergrond van de hele eerste brief aan de Korintiërs. Opnieuw spreekt Paulus in 1 Korintiërs 13:1-3 alle groepen in Korinte aan: de extatische gemeenteleden die ‘in tongen spreken’, de leraren en apostelen die de profetische gave hebben en die de geheimen van het geloof doorgronden en degenen die zelfs bereid zijn tot lichamelijke zelfopoffering – allemaal zijn ze verkeerd bezig als de liefde niet hun drijfveer is. Zonder liefde is de glossolalie niets dan een langaanhoudend, snerpend geluid, niet anders dan bij het gebruik van instrumenten in de cultussen van Dionysos en Cybele. Zonder liefde betekent je ‘positie’ van leraar of apostel niets. En een martelaarsdood zonder liefde heeft geen enkel nut. Want in de liefde gaat het niet om jezelf; liefde is juist afzien van jezelf. Opvallend genoeg specificeert Paulus de liefde niet; het schijnt niet uit te maken of je de liefde voor God of de naastenliefde als vertrekpunt neemt.
Paulus’ perspectief strekt verder. Wat is duurzaam? Wat blijft? De gemeentestructuren van zijn tijd en de spirituele belevenissen waarop sommige Korintiërs hun identiteit baseren, zullen er ooit niet meer zijn. Ook onze kerkelijke structuren niet. Hoe weloverwogen en juist een theologische uitspraak mag zijn, ons inzicht is in dit leven een onvolmaakte, vage weerkaatsing van Gods werkelijkheid. Weerkaatsing blijft weerkaatsing, dat vermag ook de beste Korintische spiegel – en die waren van kwaliteit – niet te verhelpen. Duurzaam zijn alleen geloof, hoop en liefde; boven alles de liefde. Want zij is het die alles hoopt en alles gelooft.

Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.

< Terug