< Terug

Waar is ‘het passende’ gebleven?

Onlangs hebben de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) op hun generale synode alle ambten voor vrouwen opengesteld. Dat zorgt voor nogal wat beroering binnen het kerkverband. Maar ook de band met de buitenlandse zusterkerken komt met dit besluit flink onder druk te staan. De discussie is verhit en tegelijk complex omdat ze raakt aan de omgang met de Schrift. Met name de vraag hoe de Schrift als norma normans zich dan verhoudt tot de westerse cultuur wordt steeds prangender.

In veel kerken is de zaak rondom vrouw en ambt of leiderschap nog onbeslist.
Myriam Klinker-De Klerck is docent Nieuwe Testament aan de Theologische Universiteit in Kampen.Een centrale schrifttekst in het debat, één van de zogeheten zwijgteksten uit het corpus Paulinum, komt uit de eerste brief aan Timoteüs: ‘Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen. Ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn’ (1 Timoteüs 2,11-12). Dit nieuwtestamentische voorschrift krijgt extra gewicht omdat het gemotiveerd blijkt door een verwijzing naar schepping en zondeval: ‘Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod’ (1 Timoteüs 2,13-14). In veel andere kerken en geloofsgenootschappen is de zaak rondom vrouw en ambt of leiderschap nog onbeslist.

Een prikkelend historisch perspectief

Laatst las ik een boek van de historica J.G. Brown over de receptiegeschiedenis van deze veelbesproken tekst. Browns prikkelende these luidt dat de interpretatie die onder hedendaagse Amerikaanse Evangelicals als traditioneel geldt, allesbehalve traditioneel is. Kort gezegd komt die zogeheten traditionele interpretatie hierop neer, dat vrouwen binnen de kerk (en binnen een christelijk huwelijk) geen gezagvolle positie mogen bekleden. Zij dienen zich te schikken onder het mannelijke gezag op basis van de ‘scheppingsorde’ waarnaar de apostel Paulus verwijst in (onder andere) 1 Timoteüs 2,13-14.

Brown kwam op het spoor van haar stelling dat dit niet de authentieke traditionele interpretatie is door lezing van Natural Law and the Two Kingdoms – een boek van David VanDrunen waarin hij het vroeg-reformatorische denken in termen van een burgerlijk versus een spiritueel koninkrijk belicht. Met ‘authentiek traditioneel’ bedoelt Brown dus de uitleg die in lijn is met de Reformatoren. Ze biedt een kort historisch overzicht van de uitleg van 1 Timoteüs 2,11-14 waaruit blijkt dat tot aan de negentiende eeuw weinig discussie over deze tekst bestond. De gangbare uitleg stond tegen de achtergrond van een al dan niet expliciet geformuleerde twee koninkrijken leer.

Luther en Calvijn maakten onderscheid tussen het burgerlijke koninkrijk – dat eens voorbij zal gaan – en het spirituele, eschatologische, koninkrijk dat zich nu al manifesteert in de kerk en uitziet naar de voleinding. Het natuurrecht (later aangeduid als ‘de scheppingsorde’) was volgens hen normatief voor de burgerlijke samenleving. Het hoofd zijn van de man was volgens hen door God bedoeld om het samenleven goed te laten functioneren. Geen van beide theologen beschouwde het natuurrecht echter als ‘organisch’ voor het spirituele koninkrijk van Christus en de kerk, zo stelt Brown. Daar verviel voor hen het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk in lijn met Galaten 3,28. Daar schrijft Paulus: ‘Er zijn geen joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’. Toch vonden Luther en Calvijn het belangrijk dat de man-vrouw verhouding zoals die in de maatschappij gold ook in de kerk gerespecteerd werd. Maar de reden daarvoor was niet zozeer de ‘scheppingsorde’ an sich als wel de gedachte dat ongepast gedrag geen plaats mag hebben in de kerk. Dus niet primair ‘scheppingsorde’, maar wel ‘het passende’ vormde het motief voor de onderschikking van vrouwen aan mannen binnen het kerkelijke domein. Luther en Calvijn hielden de twee koninkrijken leer expliciet – bij hun volgelingen bleef deze vaak impliciet aanwezig. In ieder geval beschouwde geen van de authentiek-traditionele uitleggers destijds de man als het spirituele hoofd van de vrouw. Calvijn verwierp deze gedachte zelfs uitdrukkelijk:

Zoo dan, zooveel de geestelijke regeering aangaat voor God, en binnen in de conscientie, is Christus het hoofd des mans en der vrouw zonder onderscheid: want daar is geen aanzien des mans noch der vrouw. Maar zooveel de uitwendige orde en burgerlijke welvoegelijkheid aangaat, de man volgt Christus, en de vrouw volgt den man, zoodat daar niet dezelfde trap is, maar deze ongelijkheid plaats heeft. (Uitlegging op den eersten en tweeden zendbrief van Paulus aan de Corinthiërs – vertaling A.M. Donner).

Deze gangbare opvatting ging vooral vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw langzaam maar zeker verschuiven. Dit gebeurde onder invloed van historische emancipatorische ontwikkelingen waarbij (ironisch genoeg) juist het protestantisme een belangrijke rol speelde. De burgerlijke samenleving veranderde grondig omdat op allerlei fronten de gelijkheidsgedachte steeds meer terrein won. Daardoor verschoof de uiteindelijke geldingskracht van de ‘scheppingsorde’ langzaam maar zeker naar het domein van de kerk. Brown stelt vast dat de argumentatie voor onderschikking van vrouwen binnen de christelijke gemeenschap tegenwoordig niet meer gebeurt langs de lijn van ‘wat passend is’, maar rechtstreeks op grond van de ‘scheppingsorde’. Verder leggen commentatoren geen enkele verbinding meer tussen deze ‘scheppingsorde’ en de burgerlijke samenleving. Soms wordt zo’n verband zelfs expliciet afgewezen. Met andere woorden, de ‘scheppingsorde’ zou uitsluitend gelden binnen de kerk, niet in de volle breedte van de samenleving. Brown betitelt deze totale omslag als ‘the great flip-flop’.

Universeel of categoriaal?

In het kielzog van deze geleidelijke ontwikkeling werden vooral binnen de evangelische beweging allerlei nieuwe exegetische discussiepunten aangedragen. Wat deze exegetische knelpunten mijns inziens gemeen hebben, is dat ze gaan over het bereik van de voorschriften uit 1 Timoteüs 2,11-12. Niet alle Evangelicals zijn het immers eens met een onverkorte toepassing van een ‘scheppingsorde’ binnen het spirituele domein van de kerk. Egalitarians argumenteren voor een gelijke benadering van man en vrouw. Zij wijzen op Galaten 3,28 (waar het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk gerelativeerd wordt) en voeren een exegetische discussie met complementarians – die een hiërarchische benadering voorstaan – over het precieze bereik van 1 Timoteüs 2,11-14.

Het begint eigenlijk al met de vraag op welke situatie de tekst gericht is. In vers 8 staat de Griekse plaatsaanduiding en panti topoi, hetgeen strikt genomen heel ruim vertaald kan worden met ‘op elke plaats’. Vaak argumenteert men op basis van de gebedscontext dat het uitsluitend over plaatsen van samenkomst gaat (zie de NBV: ‘bij iedere samenkomst’). Verder is het de vraag hoe universeel deze uitdrukking bedoeld is. Gaat het werkelijk om elke plaats ter wereld, of zijn uitsluitend de huiskerken van Efeze – waar Timoteüs werkte – in beeld? Ook is er discussie over de vraag of de instructie gericht is op alle vrouwen (generieke interpretatie) of alleen op gehuwde vrouwen (specifieke interpretatie). Wanneer wij in het Nederlands met ‘man’ of ‘vrouw’ meer specifiek ‘echtgenoot’ of ‘echtgenote’ bedoelen, voegen wij een bezittelijk voornaamwoord toe: mijn man, mijn vrouw. In het Grieks gebeurt dit ook, maar dit is geen vereiste. De woorden anèr (man) en gunè (vrouw) kunnen op zichzelf ook de specifieke betekenis dragen. Het is dus niet in één oogopslag helder of het hier uitsluitend over gehuwde stellen gaat of over vrouwen en mannen als zodanig. De vertaling van de NBV -Ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft – maakt hierin een duidelijke keuze door geen bezittelijke voornaamwoorden toe te voegen en het Griekse enkelvoud in vers 12 als een meervoud (‘mannen’) te vertalen.

Soms wordt ook gesteld dat de instructie vooral tegen de achtergrond van de toenmalige situatie moet worden gelezen. Dan springt vooral de onderwijs-terminologie in het oog. Blijkbaar mogen vrouwen wel onderwijs ontvangen (manthanein), maar niet zelf onderwijzen (didaskein). Sommigen willen dit vooral tegen de bredere sociaal-culturele achtergrond lezen: vrouwen mogen niet onderwijzen, uitsluitend omdat zij in die tijd over het algemeen niet hoog waren opgeleid. Anderen koppelen het onderwijzen meer aan de specifieke context van dwaalleer waaraan deze brief immers uitdrukkelijk aandacht besteedt. De genoemde vrouwen zouden daardoor beïnvloed zijn. En dus zou het bij deze instructie uitsluitend gaan om een verbod op dwaalleer.

Daarnaast bestaat er discussie rondom het Griekse werkwoord authentein dat door de NBV met ‘gezag hebben over’ wordt vertaald. Dit woord komt alleen hier voor in het Nieuwe Testament en wordt zelden gebruikt in de buitenbijbelse literatuur van die periode. Het gaat dan met name om de vraag of het duidt op een neutraal ‘gezag hebben over’, zoals de NBV vertaalt, of eerder om het meer negatief gekleurde ‘zichzelf gezag toe-eigenen’, of sterker nog: ‘domineren’. In het laatste geval zou de instructie er uitsluitend op gericht zijn eigenmachtig of dominant gedrag van vrouwen af te keuren.

Verder wordt het woord hèsuchia onder de exegetische loep genomen. Het kan een fysieke stilte aanduiden. In dat geval wordt vrouwen opgedragen niet te praten. Het kan echter, parallel aan de oproep tot gehoorzaamheid, ook duiden op een rustige houding. In dat geval wordt van vrouwen uitsluitend een bescheiden instelling gevraagd – zoals de NBV ook vertaalt.

‘Scheppingsorde’ en ‘het passende’ werden een soort concurrenten.

Tot slot bestaat ook rondom de verwijzing naar schepping en zondeval discussie op exegetisch niveau. Het redengevende ‘want’ is niet de enig mogelijke vertaling voor het Griekse woordje gar dat in 1 Timoteüs 2,13 wordt gebruikt. Bieden de verzen 13-14 een motivering (grond, oorzaak, reden) voor de instructie aan vrouwen of zijn ze illustratief bedoeld? Met andere woorden: is het echt een ‘scheppingsorde’ die de ondergeschikte positie van vrouwen motiveert? Sommige exegeten opperen daarnaast de mogelijkheid dat de verwijzing naar Genesis een inhoudelijke tegenreactie moest bieden tegen argumenten die de eerdergenoemde dwaalleraren gebruikten.

Over teksten en motiveringen

Dit soort exegetische meningsverschillen, hoe belangrijk op zichzelf ook, hebben mijns inziens een beperkte waarde voor de actuele discussie rondom vrouw en ambt. Op de achtergrond resoneert telkens de vraag of de toenmalige instructie een universeel dan wel categoriaal karakter heeft. Maar 1 Timoteüs 2,11-14 staat niet op zichzelf. Het Nieuwe Testament bevat maar liefst zeven teksten waar expliciet instructie wordt gegeven voor gedragingen die direct of indirect betrekking hebben op de onderlinge verhouding van man en vrouw (1 Korintiërs 11,2-16; 1 Korintiërs 14,33b-36; Efeziërs 5,21-33; Kolossenzen 3,18-19; 1 Timoteüs 2,8 – 3,1a; Titus 2,1-10; 1 Petrus 3,1-7). In dit complex van teksten blijkt steeds de hiërarchie in de man-vrouw verhouding, met name de onderschikking van de vrouw aan de man, een centrale gedachte te zijn. Daar horen ook bepaalde gedragingen bij die heel divers gemotiveerd worden. Zo is er niet alleen een motivering vanuit de schepping, de natuur of de wet (bijvoorbeeld 1 Korintiërs 11,7-8.13; 1 Korintiërs 14,34) – maar onder andere ook de gedachte aan wat opbouwend is voor de gemeente (bijvoorbeeld Titus 2,4), wat past bij een leven uit ontzag voor God (Efeziërs 5,21.22; Kolossenzen 3,18; 1 Timoteüs 2,10; 1 Petrus 3,2.7) of wat sociaal gesproken passend is (1 Korintiërs 11,5-6; 1 Korintiërs 14,35). Zo is er ook expliciet aandacht voor het perspectief van buitenstaanders: het gedrag van christenen mag de voortgang van het evangelie niet belemmeren, sterker nog, het kan juist meewerken in de verspreiding ervan (Titus 2,5; 1 Petrus 3,1-2).

Dit beeld van de hiërarchische man-vrouw verhouding past helemaal binnen de sociale setting van die tijd. Hoewel er variatie bestond binnen de mediterrane wereld – Romeinse en Egyptische vrouwen hadden meer vrijheden dan Griekse – was in het sociale bestel de vrouw ondergeschikt aan de man. Diverse bronnen uit die periode getuigen daarvan. Zo vermeldt Plutarchus over de vrouwenstem dat zij niet voor het openbare leven bedoeld is omdat een vrouw daarmee te veel van zichzelf blootgeeft. Een vrouw dient te spreken tot haar echtgenoot of via haar echtgenoot (Conjugalia Praecepta, Moralia 142 D). De laatste decennia belichten cultureel-antropologische studies de noties van eer en schande als cruciaal binnen dat sociale systeem waar juist de genderlijnen heel bepalend waren voor de positie die iemand moest innemen en het bijbehorende gedrag dat van diegene verwacht werd. De instructies rondom de man-vrouwverhouding zullen zonder twijfel vanuit dit interpretatiekader door de eerste hoorders ontvangen zijn. Zie bijvoorbeeld de eerste Korintiërsbrief. Daar is Paulus’ argumentatie rondom de man-vrouwverhouding in hoofdstuk 11 en 14 overduidelijk omgeven met noties van eer en schande.

Zo relativeert dit ruimere interpretatiekader de bovenstaande exegetische meningsverschillen rondom 1 Timoteüs 2,11-14 en plaatst ze nog duidelijker tegen de eigen historisch-culturele achtergrond van toenemende emancipatie binnen de westerse context.

Op zoek naar het passende argument

Ik keer terug naar het boek van Brown. Zij laat zien hoe de Reformatoren consequent het argument van ‘het passende’ gebruikten om op het terrein van het spirituele koninkrijk vast te houden aan wat in het voorbijgaande burgerlijke koninkrijk gebruikelijk was. Ook maakt ze duidelijk hoe het argument van de ‘scheppingsorde’ zich sinds de negentiende eeuw verplaatste van het burgerlijke domein naar het kerkelijke. Dit laatste lijkt mij trouwens een onontkoombaar gevolg van de doorgaande secularisering van de westerse cultuur. Vervolgens ligt de vraag voor de hand waar het argument van ‘het passende’ – dat ook in de nieuwtestamentische teksten duidelijk aanwezig blijkt – gebleven is. De westerse samenleving kende tot zowat een halve eeuw geleden nog duidelijke patronen van onderschikking langs de genderlijnen. Feitelijk bevestigde de orde binnen het domein van de kerk nog steeds wat in de samenleving ‘passend’ werd geacht. Zo konden het argument van ‘het passende’ en dat van de ‘scheppingsorde’ lange tijd cumulatief worden gebruikt. Steeds meer echter heeft ‘wat passend is’ binnen de westerse cultuur het gezicht gekregen van het gelijkheidsdenken. De cumulatieve waarde van dit argument verdween. En voor diegenen die de zogeheten traditionele hypothese verdedigen, raakte het hele argument uit beeld. ‘Scheppingsorde’ en ‘het passende’ werden een soort concurrenten. ‘Scheppingsorde’ kreeg de overhand. In een veranderde context was voor het argument van ‘het passende’ geen plaats meer. En toch… ik blijf benieuwd hoe Luther en Calvijn, en meer nog hoe Paulus met z’n sterke missionaire drive deze ontwikkelingen zouden taxeren.

Literatuur

• J.G. Brown, An Historian Looks at 1 Timothy 2:11-14: The Authentic Traditional Interpretation and Why It Disappeared. Eugene (Oregon: Wipf & Stock, 2012).

• P.H.R. van Houwelingen, “Meaning and Significance of the Instruction About Women in 1 Timothy 2:12-15,” Sárospataki Füzetek 19 (2015): 59-71 (beschikbaar via academia.edu).

• K.B. Neutel, A Cosmopolitan Ideal: Paul’s Declaration ‘Neither Jew Nor Greek, Neither Slave Nor Free, Nor Male and Female’ in the Context of First-Century Thought. The Library of New Testament Studies (London: Bloomsbury -T&T Clark, 2015).

• S.N. Gundry, J.R. Beck e.a., Two Views on Women in Ministry. Counterpoints: Bible and Theology (Grand Rapids: Zondervan, 2005) (revised edition).

• B.J. Malina, The New Testament World: Insights form Cultural Anthropology (Louisville, Kentucky: Westminster/John Knox Press, 1993) (revised edition).

• M. Klinker-De Klerck, Als vrouwen het Woord doen: Over Schriftgezag, hermeneutiek en het waarom van de apostolische instructie aan vrouwen. TU-Bezinningsreeks 9 (Barneveld: De Vuurbaak, 2011).

• M. Klinker-De Klerck, Herderlijke regel of inburgeringscursus? Een bijdrage aan het onderzoek naar de ‘burgerlijke’ ethiek in 1 Timoteüs & Titus (Zoetermeer: Boekencentrum, 2013).

• P.H.R. van Houwelingen, Timoteüs en Titus: Pastorale Instructiebrieven. Commentaar op het Nieuwe Testament (Kampen: Kok, 2009; 2012).

< Terug