< Terug

Waar je hart is

Achtste zondag van de zomer (Jesaja 65:17-25 en Lucas 12:32-40)

Te midden van de zomer, van vakantie, ontspanning, voor velen van genieten van de aangename aspecten van ons leven, doen de teksten van deze zondag onze blik richten op Gods toekomst met de wereld, weg van ons individuele leventje. In dezelfde tijd waarin de schrijver van Genesis 1 de schepping in den beginne niet anders weet te prijzen dan met een loflied, viert de schrijver van Jesaja 56-66 de doorgaande schepping met een groot tafereel van haar doel. Of dit vooruitzicht leven en handelen bepaalt, hangt af van de plaats waar je hart is.

Het is een oud besef: er klopt iets niet in onze wereld. Kinderen overlijden nog voor ze echt kennisgemaakt hebben met het leven, en ook de dood van volwassenen komt vaak genoeg nog voor zij hun levenswerk hebben kunnen afronden. Is het natuurlijk dat de natuur zich gedraagt naar het devies ‘vreten of gevreten worden’? Is het de bedoeling dat hard werken niets of al te weinig oplevert, en over het geheel gezien huilen en weeklagen op aarde overheersen? De concrete historische situatie van onze tekst mag uniek zijn geweest, maar de ervaring van de tekortkomingen van onze wereld lijkt allesbehalve tijdgebonden.

Oude beelden van hoop…

Een wereld zonder dit allemaal was toen even utopisch als vandaag. De mensen waren niet naïever. En toch kiest de schrijver van onze tekst ervoor om de mensen door middel van zulke utopische beelden hoop in te boezemen. Utopische en toch welbekende beelden. Niet baanbrekend nieuwe en ongehoorde dingen in het vooruitzicht stellen wil hij, maar oude beelden van hoop ophalen en activeren. De lezer of luisteraar van de tekst vult deze beelden uit zijn herinnering zelf wel aan. Zo hoeft de schrijver in Jesaja 65:25 niet alle dieren uit Jesaja 11:6-9 opnieuw te noemen: de paren wolf-lam (11:6) en leeuw-rund (11:7) zijn genoeg om het messiaanse tafereel uit Jesaja 11 op te roepen. Weinig woorden zijn genoeg om een oude waarheid weer voor de geest te halen: gezegend leven houdt in dat je mag genieten van de opbrengst van je werk, betekent een einde van de vergeefsheid die vloek of straf is (zie Deuteronomium 28:30; Amos 5:11; Sefanja 1:13).

…met een eigen draai

Een paradox verwoordt de hoop dat mensen hun dagen in de nieuwe schepping weer ‘vol maken’ (Jesaja 65:20, zie Exodus 23:26): een kind zal pas op een leeftijd van honderd jaar sterven, wat feitelijk betekent dat niemand meer als kind zal overlijden. Zozeer als het klopt dat onze schrijver oude beelden van hoop oproept, zo origineel weet hij de dingen te verwoorden – of er net een eigen draai aan te geven. Hoop en verandering van perspectief worden bevorderd als je bekende dingen anders zegt. Je hoeft niet letterlijk te herhalen dat de Eeuwige ‘de tranen van elk gezicht wist’ (Jesaja 25:8); hetzelfde vooruitzicht mag uitgedrukt worden als een vervanging van wenen en weeklagen door vreugde en juichen (65:18-19). De voorstelling van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (65:17) hoeft niet gepaard te gaan met een kosmische ramp zoals in andere teksten; de nieuwheid kan ook bestaan in een heel andere kwaliteit van leven die toestanden zoals op de ‘oude aarde’ ondenkbaar maakt.

Doorgaande schepping

Maar – mag dat überhaupt (nog), hoop scheppen met utopische beelden? Al te bekend is het verwijt dat het christendom een goedkope vertroosting biedt met de belofte van een beter hiernamaals en daardoor een verbetering van de situatie hier en nu verhindert. En misschien was dat verwijt niet altijd onterecht. Maar onze tekst verwijst niet gewoon naar een beter hiernamaals; hij zegt meer dan ‘ooit zal het anders zijn’. Drie keer laat de auteur in de verzen 17 en 18 de Eeuwige verwijzen naar zijn scheppingsactiviteit, en drie keer gebruikt hij hiervoor een werkwoordsvorm die betekent: ‘Ik ben aan het scheppen’, of hooguit: ‘Ik sta op het punt om te scheppen’, waarvan twee keer samen met de uitnodiging: ‘kijk’. De Eeuwige is al bezig de dingen te veranderen en nodigt uit om dit te zien. Wie deze uitnodiging volgt, zijn blikrichting laat veranderen, weg van een uitsluitende focus op de huidige situatie, wint de vrijheid om hieraan mee te doen.

Het hart op de goede plaats

Het ‘kleine kuddeke’ (Lucas 12:32) van gelovigen zou bang kunnen zijn. Want wat zijn zij in de grote wereld anders dan een paar volgelingen die menen niet bezorgd te hoeven zijn over dingen waarover iedereen bezorgd is (12:22-31)? Maar ze hoeven niet te bang te zijn: ze zijn een kudde, niet een paar enkelingen. Hoe klein de kudde ook is, de schapen zijn niet alleen. En zij weten waar ze naartoe gaan. God heeft besloten om hun het Rijk te geven. Wiens hart reeds in dit Rijk is, die kan de behoeften van het heden relativeren; hij kan vrijgevig zijn (12:33-34).

De vrijheid voor ogen

De gordel om hebben en de lichten brandend houden (12:35), dat betekent bereid zijn om ’s nachts te vertrekken. Beide elementen roepen de herinnering op aan de uittocht uit Egypte, toen Mozes en Aäron ’s nachts eindelijk de lang verwachte toestemming van Farao kregen om te vertrekken. De avond daarvoor had het volk het pesachmaal gegeten – met de gordel om, de sandalen aan en de staf in de hand (Exodus 12:11), bereid om te vertrekken uit een situatie van onderdrukking naar het land van de vrijheid. Niet voor niets zijn het ook bij Lucas dienaren, slaven, die moeten waken, wachten en gereed zijn om aan het einde de vrijheid te proeven: zij zullen door de Heer geleid worden naar hun plek aan tafel, en Hij zelf zal de spijzen opdienen.

Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.

< Terug