< Terug

Waarom Sinti en Roma zo graag in een woonwagen wonen

Ringo Meinhardt is een Sinto. In dit artikel neemt hij ons mee in het leven van zijn bevolkingsgroep. Binnen de Sinti-gemeenschap is men vaak huiverig om de openbaarheid op te zoeken. Velen leven het liefst in de verborgenheid. De vervolging in de Tweede Wereldoorlog heeft sterk aan die tendens bijgedragen. Om die reden staan er bij dit artikel geen foto’s waar mensen herkenbaar in beeld zijn. Anderzijds zijn er Sinti die juist naar buiten willen treden om begrip te kweken voor hun leefwijze bij de burgers.

Wonen in een woonwagen is voor veel mensen onbegrijpelijk, het wordt gezien als een afkeer tegen de maatschappij. Daartegenover staat dat wij, Sinti en Roma, afkomstig zijn van een uitstervend ras. Ik ben zelf van een derde generatie Sinti van na de Tweede Wereldoorlog en weet niet meer zoveel van die tijd. Maar ik heb wel het lijden van mijn ouders meegemaakt en zij weer van mijn grootouders die deze tijd aan den lijve hebben ondervonden. In de jaren ’40-’45 zijn heel veel Sinti en Roma door de Duitsers vervolgd en vergast. Mijn grootouders waren ook in de concentratiekampen, zij hebben het gelukkig overleefd.

Met paard en woonwagen

Voor de oorlog trokken zij met hun woonwagens door heel Nederland, België en Duitsland en soms ook door Frankrijk. In die tijd reisden de mensen met paard en wagen vaak in kleine groepen. Zij spraken met elkaar af om anderen onderweg op een bepaalde datum weer ergens te ontmoeten Na de oorlog waren er niet meer zoveel Sinti en Roma en de opvang door de staat en de gemeentes was erbarmelijk. Ze waren op zichzelf aangewezen en een uitkering of werk was voor hen niet weggelegd. Enkelen hadden het geluk met hun muziek ergens op te kunnen treden en de vrouwen ventten met garen en elastiekjes; daarmee gingen ze de huizen af en verdienden net genoeg om van te kunnen eten.

Intrekking reisverbod

Toen de overheid het verbood om nog rond te trekken en vaste grote woonwagenlocaties realiseerden, moesten de mensen op één locatie verblijven. Echter, veel van de Sinti en Roma alsook de woonwagenbewoners trokken toen nog jaarlijks met de caravan om toch het gevoel van reizen te behouden.

Ze zochten elkaar op en hielden onderling contact. Tot op heden is het trekken met de caravan een onderdeel van de cultuur. Ook in de maatschappij trekken veel mensen er jaarlijks op uit met de caravan en gaan op vakantie. Maar bij ons is het een onderdeel van onze cultuur.

Toen de mensen naar de regionale kampen kwamen, waren de omstandigheden daar erbarmelijk. Vaak was er alleen een waterpomp, sanitaire voorzieningen waren er nauwelijks. Veel mensen spaarden oud ijzer en stapelden dat op voor of naast hun wagens, waardoor het kamp voor buitenstaanders vaak niet om aan te zien was. Het was hun manier om te overleven en onder de mensen te verblijven.

In de jaren zeventig tot tachtig raakten de mensen gewend aan hun vaste standplaatsen. Veel families herenigden zich en hadden goede contacten opgebouwd met de gemeenten en de gemeenten bleken in deze jaren de mensen tegemoet te komen.

Bij ons is het een onderdeel van onze cultuur

Op die vaste standplaatsen werden de woonwagens door de plaatselijke gemeenten vervangen door de zogenaamde VROwagens, omdat ze gesubsidieerd werden door het ministerie van VROM. Deze woonwagens waren dertien tot vijftien meter lang en drieënhalve meter breed. In de ogen van de mensen waren dit grote wagens en hadden ze voor hun doen veel ruimte. En dan te bedenken dat hun vorige wagens misschien vijf bij tweeënhalve meter waren.

Met deze VRO-woonwagen mocht niet meer worden gereisd.

Kleine woonwagencentra

In de jaren tachtig, die ik dan zelf meegemaakt heb, waren er veel deconcentraties van de grote woonwagenlocaties. Ze moesten kleiner worden en overzichtelijker. Er werden kleinere locaties gebouwd, verspreid over de gemeenten. Voor zover ik het heb meegemaakt werd er rekening gehouden met de familieverbanden. De kleine locaties werden niet groter dan vijftien vaste standplaatsen. Wij groeiden als kinderen daar samen op. We waren altijd buiten, deden alles samen en kregen hierdoor een nauwe band met elkaar.

Het gemis van de reis

Onze ouders praatten niet veel over vroeger, want dat was niet voor de oren van de kinderen bestemd. En als ze er over spraken mochten wij daar dan ook niet bij zijn. Pas op de basisscholen en in de geschiedenislessen en door de vragen en de uitleg die gegeven werd door de onderwijzers, beseften we pas wat ons volk eigenlijk meegemaakt had en werd mijn interesse voor vroeger gewekt. Bij navraag thuis werd er dan weinig over verteld. Alleen zeiden dat ze in de tijd van na de oorlog het rondreizen misten. Zij konden moeilijk wennen aan een vaste verblijfplaats. Daarom gingen we zeker twee tot vier keer in de week naar andere woonwagenlocaties elders in het land om toch bij andere mensen te zijn en het contact te onderhouden.

Als de ene wat had, had de ander het ook

Mijn vader heeft vroeger rondgereisd en kende daardoor veel mensen. Hij is vlak na de oorlog geboren en hij was van de tweede generatie, dus van de mensen die aan hun lot werden overgelaten. Desondanks hoor ik van mijn vader, nu ik veertig ben, dat het zijn beste jaren waren en hij volop van het leven genoot. Zijn moeder kon goed voor haar kinderen zorgen en ze kwamen geen eten tekort; als de ene wat had, had de andere het ook.

De jongeren

Naarmate de jaren vorderden en wij een jaar of veertien waren, hebben wij, neven en nichten, onder elkaar altijd het verlangen gehad om ook samen te blijven wonen in een wagen. We hebben als jonge generatie ons verdiept in het organiseren van woonwagenlocaties en het bouwen ervan.

Wij waren daar zeer bij betrokken en gingen bijna iedere dag naar de gemeente om informatie te verzamelen en om onze rechten te leren kennen. De woonwagenwet was toen nog van toepassing en daar maakten we gretig gebruik van.

Er was in Weert, waar ik woon, een grote woonwagenlocatie die in de jaren zeventig gedeconcentreerd werd. Er was een wethouder die zeer betrokken was bij de woonwagenmensen en hij zorgde ervoor dat er in het bestemmingsplan voor de komende dertig jaar voldoende uitbreiding was van standplaatsen. Achteraf heel uitzonderlijk en vooruitziend, in ons voordeel.

Uitsterfbeleid

Toen rond het jaar 2000 de woonwagenwet ophield te bestaan, maakten veel gemeenten daar gretig gebruik van om geen nieuwe woonwagenlocaties meer aan te leggen. Zij wilden de woonwagencultuur uit laten sterven. In onze ogen was dat een vurige wens van de overheid. De woonwagen werd gezien als een last en het uitzicht op wonen in een woonwagen was voor de jongeren verkeken.

Wonen in een woonwagen is een levenswijze die je trots maakt

Dat leidde bij veel mensen tot frustraties en ontwikkelde angstcomplexen. Het zorgde voor afkeer bij de gewone maatschappij en het gevaar voor crimineel gedrag deed zijn intrede. De jongeren zagen voor zichzelf geen toekomst meer. De gedachte dat ze alleen in een huis moesten wonen zonder iemand van hun eigen volk in de nabijheid te hebben was een afschrikwekkende gedachte. Veel mensen grepen naar de fles of naar drugs. In onze cultuur kwam dat eigenlijk weinig voor, maar door de omstandigheden werden ze gedwongen. Bij de benaming ‘uitsterfbeleid’ kon men zich niks anders indenken dan dat ze ons weer wilden uitroeien, maar nu op een meer burgerlijke manier. De criminaliteit steeg en de mensen werden afgunstig op elkaar. Als iemand met de gemeente sprak werd het voor zichzelf gehouden, terwijl het voorheen van de daken werd geschreeuwd.

Herleven van de cultuur

Nu een beleidsverandering in de lucht zit en het uitsterfbeleid wordt teruggedraaid, beginnen de ouderen meer over vroeger te praten. Over de vrijheid die ze toen hadden. Toen voelden zij zich belemmerd, omdat ze de wens van hun kinderen om ook in een wagen te wonen niet konden vervullen. Het wonen in een woonwagen is een levenswijze die je trots maakt; je bent er trots op dat je grootouders het zover geschopt hebben na wat ze hebben meegemaakt en de erkenning en de acceptatie voor ons verkregen hebben.

Nu er in 2018 de uitspraak kwam van Unesco dat het wonen in een woonwagen ‘ World Heritage’ is en beschermd moet worden, is dat een geschenk uit de hemel. De mensen die de afgelopen twintig jaar in het duister leefden hebben weer een doel: een wederkeer tot hun afkomst, het herleven van een cultuur die tot uitsterven gedoemd was.

Op dit moment worden er in heel veel gemeenten extra standplaatsen gerealiseerd en wordt de cultuur weer uitgebreid omarmd. Het lijkt wel de omgekeerde wereld. Wij zijn heel blij om geen uitschot of een last meer te zijn, maar een erkende minderheid in Nederland die recht heeft om voort te leven in woonwagens en bij elkaar op een woonwagenlocatie.

Ringo Meinhardt is Sinto en vertelt graag over de cultuur van zijn bevolkingsgroep en hun plaats in de samenleving.

< Terug