< Terug

Waartoe is de mens op aarde?

Bij Genesis 2,4-25

Deze perikoop wordt gewoonlijk het ‘tweede scheppingsverhaal’ genoemd, omdat er nader ingegaan wordt op wat in Genesis1,1-2,3 over Gods schepping werd verteld. Daarmee is aan één aspect van deze perikoop recht gedaan, maar wordt wellicht te weinig benadrukt dat dit verhaal ook voorbereidt op wat gaat volgen. Het dakpansgewijs voortgaan is een typisch kenmerk van de bijbelse vertelkunde: er wordt iets uit het voorgaande opgepakt, dit wordt nader ingevuld of zelfs omgedraaid, en er wordt als het ware in de coulissen iets klaargezet dat in het vervolg een belangrijke rol gaat spelen.

Het verhaal kan na het opschrift in Genesis 2,4a – ten onrechte soms als afsluiting van het scheppingsverhaal gezien (zie bijv. Nieuwe Bijbelvertaling, Willibrordvertaling 1995) – worden opgesplitst in drie delen: de aarde onder de hemel (Genesis 2,4b-9), het verborgen geografische midden (Genesis 2,10-17) en de mens en zijn vrouw (Genesis 2,18-25).

De aarde onder de hemel

Waar in Genesis 1,1 sprake is van de schepping van ‘de hemel en de aarde’ en dit herhaald wordt in Genesis 2,4a, wordt de volgorde in Genesis 2,4b omgedraaid en worden de lidwoorden weggelaten. Waarom? Je kunt hier denken aan Psalmen 115,16: ‘De hemel is de hemel van JHWH; de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.’ De hemel is een geheim dat ons verstand te boven gaat en waarvan het genoeg is te weten dat die zich als een beschermende koepel ontfermt over de aarde en alles wat zich daarop afspeelt (Genesis 1,7-8). Over de aarde als de horizontale ruimte waarin de mens leeft vertelt de perikoop.
In dit eerste gedeelte gebeurt dat aan de hand van een opklimmende reeks van woorden: van de algemene ‘aarde’ (vijf keer in Genesis 2,4-6) en het woeste ‘veld’ (twee keer in Genesis 2,5; één keer in Genesis 2,19) wordt ingezoomd op de ‘akker’ (vier keer in Genesis 2,5-9; één keer in Genesis 2,19) die de mens moet gaan bewerken, maar die eerst in de ‘tuin’ (drie keer in Genesis 2,8-10; straks nog twee keer in Genesis 2,15-16) wordt neergezet. In volgende verhalen wordt deze volgorde omgekeerd: de mens en zijn vrouw worden uit de ‘tuin’ naar de ‘akker’ verdreven (Genesis 3,23-24) en de mens wordt na de moord op zijn broeder van de ‘akker’ naar het ‘land Doling’ (Hebr.: ’èrèts-nod) verdreven (Genesis 4,12.16).
De tijd waarin dit zich afspeelt wordt aangeduid als: ‘Op de dag dat JHWH God hemel en aarde maakte’ (Genesis 2,4b). Welke dag dat is, is niet direct duidelijk, want net als in Genesis 1,2 volgen er eerst bijzinnen met vier keer de ontkenning ‘(nog) niet’ (vier keer in Genesis 2,5; één keer in Genesis 2,18), zodat het eerste dat JHWH daad- werkelijk doet in Genesis 2,7 klinkt: ‘toen vormde JHWH de mens.’ We zijn dus op de zesde dag van de schepping: de mens wordt geschapen en in de tuin neergezet, waar bomen staan om van te eten.

Het verborgen geografische midden

In het tweede deel gaat het op het eerste gezicht vooral om een rivier die ‘uit Eden’ ontspringt om ‘de tuin’ te drenken. Lag die tuin dan niet al in Eden (Genesis 2,8)? En waar ligt Eden eigenlijk? Van drie rivieren wordt de naam genoemd, maar de eerste en de tweede betekenen nogal algemeen ‘Ontspringende’ en ‘Opborrelende’ (Hebr.: pisjon en gichon). De landen waarmee ze in verband worden gebracht geven wel aanwijzingen, want cha-wilah wordt als Zuidwest-Arabië geïdentificeerd, terwijl koesj op Ethiopië lijkt te duiden. De twee andere rivieren zijn bekender: chidekkel is een andere naam voor de Tigris, terwijl de vierde zonder omhaal van woorden ferat, de Eufraat is. Wonderlijk dat die vier stromen, die toch duidelijk in zeer verschillende windstreken ontspringen, voortkomen uit die ene rivier uit Eden. Moet je het midden dan toch niet ergens in Palestina zoeken? Nu er verteld is dat de aarde doordrenkt is en er geboomte is opgeschoten, krijgt de mens zijn opdracht: hij mag van álle bomen eten, behalve van die ene. Deze volgorde is uiterst belangrijk, want het gebod om te eten, en daarmee te leven, staat voorop. Het vérbod volgt, bedoeld als heilzame bescherming tegen menselijke overmacht. Als de slang straks vraagt: ‘Mogen jullie niet eten van álle bomen?’ wordt die volgorde omgedraaid. Omdat hij de aandacht richt op die éne boom waarvan niet gegeten mag worden en het vérbod zodoende voorop komt te staan, blijft er van het gebod om van álle bomen behalve die ene te eten slechts een schamel restje over. God wordt daarmee tot iemand die de mens onbeperkte vrijheid en kennis misgunt.

De mens en zijn vrouw

Na vier keer ‘(nog) niet’ (Genesis 2,5) klinkt de ontkenning voor de vijfde keer als ‘niet goed’ (Genesis 2,18), waarmee het ‘zeer goed’ uit Genesis 1,31 wordt genuanceerd. De hulp die de mens hier krijgt is niet de hulp in de huishouding, maar de hulp zonder welke de mens zijn levensopdracht niet kan waarmaken (vgl. Psalmen 121,1-2). En wat is die levensopdracht? Als JHWH alle dieren naar de mens brengt lijkt het erop dat die bestaat in het namen geven aan al wat leeft, zoals die mens ook de tot vrouw gebouwde rib de naam ‘mannin’ toeroept (Genesis 2,23). Maar waar die rib eerst ‘uit de mens’ genomen werd (Genesis 2,22), heet de vrouw nadat haar naam geroepen is ‘uit de man’ genomen (Genesis 2,23). De opdracht van de mens is om vader en moeder te verlaten om in de ontmoeting de ‘hulp hem tegenover’ een naam te geven en daardoor ook zelf een naam te ontvangen. Het verengen van het ‘één vlees worden’ tot de seksuele daad van man en vrouw, zelfs al zou het doel daarvan het verwekken van kinderen zijn, is een te beperkte visie op de levensopdracht van de mens en de ruimte die JHWH die mens geeft om te leven.

Lees ook: K. Deurloo, De mens als raadsel en geheim, Baarn 1988, 29-59.

Bij Genesis 2:4-25

< Terug