< Terug

Wat gaan we nu doen dan?

Wat zou mijn vader hiervan denken? Af en toe vraag ik het me af. Soms denk ik: hij zou zijn hoofd schudden. Maar meestal weet ik het gewoon niet. Hij leeft al 31 jaar niet meer. De laatste jaren van zijn leven was hij behoorlijk mild en flexibel. Toen hij stopte als hoofdredacteur van het Friesch Dagblad werd hij af en toe nog gevraagd om een hoofdredactioneel commentaar. Dat verscheen zonder zijn naam. Toen hij een kritisch artikel schreef over de apartheid in Zuid-Afrika, kwam er meteen reactie van lezers: Je kunt wel merken dat de koers van het Friesch Dagblad linkser is geworden, sinds Hendrik Algra niet meer aan het roer staat. Groot was de verrassing, toen hij de auteur van het artikel bleek te zijn.

Wat zou Hoekendijk hiervan denken? Dat is de vraag die Bert Hoedemaker stelt in zijn artikel over ‘de seculariteit van de Missio Dei’. Twaalf pagina’s lang. Hoekendijk overleed in 1975, nu 38 jaar geleden. Zijn gedachtegoed over seculariteit, de Missio Dei, kerk en zending dateren uit de periode van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. Met verve en optimisme gingen mensen aan de slag. De Doorbraak in de politiek werd een feit. Geen verzuiling meer. Hoekendijk verzette zich tegen het ‘kerkisme’. Het gaat niet om de kerk, om onze kerkjes (en kerkscheuringen, waar we in 1944 nog een vreselijk voorbeeld van meemaakten), maar om de wereld. De volgorde is God-wereldkerk. De laatste speelt een marginale, bescheiden rol.

De Missio Dei, de zending van God in deze wereld is rijk geschakeerd en krijgt overal, ook op de meeste onverwachte plaatsen, gestalte. De focus is het Koninkrijk Gods, sjalom voor heel deze wereld. Nieuwe vormen van ‘kerk-zijn’ (maar laten we het liever geen ‘kerk’ noemen), fresh expressions of church, pioniersplekken: ze zouden dan ook op Hoekendijks enthousiasme mogen rekenen, aldus Hoedemaker. De beweging van de protestante kerk tot het stichten van 100 pionierplekken: een goed idee, zo begrijp ik, in de ogen van zowel Hoedemaker als Hoekendijk.

Maar: pas op voor kerkisme! Lijf die plekken niet in, ‘zet ze niet in het gelid, pas op voor het kruistochtsyndroom’ oftewel: ‘de neiging anderen tot het eigen establishment te bekeren’. Een goede waarschuwing. Immers: hetis voor de plaatselijke en landelijke kerk best moeilijk om outside the box te denken (wat nog iets anders is dan out óf the box …). We willen toch graag dat mensen mee gaan doen in onze vormen van kerk-zijn. Zoals die kerkenraad, die een Alphacursus had toegestaan. Toen dat een succes werd en de groep van Alphacursisten groeide en groeide, vroegen ze zich af: waarom komen die mensen niet gewoon op zondag in de kerk, waarom worden ze geen kerkenraadslid? Durven we het écht aan: nieuwe vormen naast de bestaande?

Een predikant op een dorp startte een gesprekskring onder de nieuwingekomen renteniers in de omgeving. Hij vroeg zijn kerkenraad: mag ik één dag in de week met hen optrekken? Ze zullen niet naar de kerk komen op zondagochtend, maar ze zijn wel geïnteresseerd. De kerkenraad vond dat OK, maar vroeg een jaar later toch weer: waarom komen ze nu niet? Het verlangen naar een volle kerk is overigens legitiem. De vraag is alleen: waar draait het om: om het Evangelie dat ingang vindt in deze wereld, op allerlei plaatsen en op allerlei manieren of om een volle kerk op zondagochtend? Ik teken voor allebei, maar de missionaire beweging begint bij het eerste. Een volle kerk is hooguit ‘een (mogelijk) cadeautje achteraf’ om met Mechteld Jansen te spreken. Geen doel.

Zet de kerk teveel in op kerkisme door verbindingen te blijven zoeken met de pioniersplekken, die ‘ protestants’ heten? Lijven we daarmee de plekken meteen in? De verbinding zoeken en houden is een voorwaarde voor een pioniersplek en dat heeft een reden. In het verleden is gebleken dat pioniersplekken die zich vormden uit ontevredenheid met de bestaande gang van zaken, tegen de wil van kerkenraden in leiden tot allerlei vormen van conflict en zelfs kerkscheuring. Dat leidde uiteindelijk tot mislukking. Het élan ebt weg. Daarom zoeken we de ‘zegen’ van de plaatselijke gemeente. Dat betekent niet ‘in het gelid zetten’ of welke vorm van inkapseling dan ook. Integendeel: de pioniersplek wordt aangemoedigd creatief eigen wegen te zoeken. Tegelijk blijft er een band met de bestaande kerk allereerst omdat we hopen dat de plaatselijke (en landelijke) kerk léért van wat er gebeurt in de pioniersplek. Ten tweede: nieuwe vormen van emerging churches kunnen niet bestaan zonder de traditionele kerk. We hebben elkaar principieel nodig.

De angst voor het instituut is groot. Voor je het weet word je opgeslokt door procedures en regelingen. Door ‘hoe het hoort’, door ‘wat we gewend zijn’. Of zoals een pionier het verwoordde: ‘Ik wil liever niet te dicht op de gevestigde kerk zitten, ik ben bang vermalen te worden door de kaken van de organisatie’. De kerkorde is daarbij het vleesgeworden instituut: daar moet je al helemaal voor uitkijken. Sociologen leren mij dat iedere groep die zich ontwikkelt ook institutionaliseert. Al heel snel ontstaan er gewoontes en regels, informeel, later ook formeel. Dat is niet erg, we kunnen niet zonder. Ooit was ik aanwezig bij een bijeenkomst van emerging church in Nederland. Toen ik binnenkwam zag ik iedere deelnemer achter een Apple Macbook zitten. Ik begon me af te vragen of ik er wel bij kon horen zonder. Regels zijn niet erg, ze worden vervelend, als ze verstarren. Dan gaan we ze ook ‘instituut’ noemen. Maar zonder gezonde afspraken red je het niet, ook niet in pioniersplekken. Spannend is het wel. Hoe houd je de openheid voor vernieuwing, de nieuwsgierigheid naar de bewegingen van de Geest? Vrij van angst? Dat vraagt ook om een bepaalde houding en spiritualiteit. Om niet-angstige aanwezigheid. ‘Hold them lightly,’ zeggen ze in Engeland: houd die plakken ‘licht’ vast, ga niet knijpen, maar laat ook niet los.

We laten ons inspireren door Engeland. Nemen we daarmee de Engelse, Anglicaanse ecclesiologie over? Inclusief de volkskerkvisie? Denken we alleen incarnationeel en niet eschatologisch? Van David Bosch (dezelfde, die Hoekendijks visie benoemt als ‘a view that leads to absurdity’) heb ik geleerd dat je in de missiologie en-en moet leren zeggen in plaats van of-of. De ene visie sluit de andere niet uit. Dat geldt wat mij betreft voor de tegenstelling die Hoedemaker maakt tussen incarnationeel en eschatologisch. Maar ook voor de tegenstelling die wel gemaakt is tussen de schema’s God-wereld-kerk en God-kerk-wereld. Het is afhankelijk van de context en het tijdsgewricht wat er in een gegeven situatie benadrukt moet worden. In elk geval is het goed béide in het oog te houden, ze sluiten elkaar niet uit, maar brengen de missionaire beweging op spanning door ze beide recht te doen.

De eschatologische benadering van Hoedemaker en Hoekendijk richt zich op het Koninkrijk Gods, dat baan breekt in deze wereld. ‘Een onomkeerbaar proces van modernisatie en secularisatie dat de primaire structuren waarin de mens leeft opruimt en een bevrijding teweeg brengt van achterhaalde tradities’, zo lees ik bij Hoedemaker. Pardon? Wie bevrijdt? Een proces? En hoezo onomkeerbaar? Een zin die Marx niet zou misstaan. En die achterhaalde tradities? Wie beoordeelt welke dat zijn? Dat zijn toch ménsen? Sommige tradities zijn mij overigens zeer dierbaar, en ik hoop dat ze niet worden ‘opgeruimd’ – daar moet je het in elk geval eens over hebben.

Ik geloof in het Koninkrijk. Ik geloof ook dat dat Koninkrijk komt en dat het de richting en het perspectief is van waaruit we als gelovige mensen leven. Ik geloof er niets van dat de bevrijding nu groter is dan een eeuw geleden. De pijn, de gebrokenheid, de oorlogen: ze duren voort. Ben ik daarmee een pessimist? Nee. Ik geloof alleen niet in een opgaande lijn in de geschiedenis. Wél in de komst van het Rijk. Soms zie ik er iets van. En het zal ooit komen, definitief. Als Gods initiatief. Wat overigens mijn inzet niet uitsluit. En-en.

Ten slotte. Wat gaan we nu doen dan? Dat is de vraag die ds. Hans van Ark met enige regelmaat stelt. Alle bezinning en alle theologie landt uiteindelijk in de praktijk van de kerk, van de plaatselijke gemeente al of niet met pioniersmentaliteit. Het begint bij kleine stappen. Plaatselijke gemeentes, diezich richten op hun directe omgeving. Daarom gaat de map met 30 kansrijke modellen uit van de gemeente. Ik geloof dat die geméénte heilzaam kan zijn, als gemeenschap. Dat sluit beweging van de Geest buiten die gemeente om niet uit. (En-en). Maar als protestantse kerk beginnen we naast de pioniersplekken óók bij de ankerpunten van die plaatselijke gemeente. Die hebben behoefte aan praktische hulpmiddelen en ideeën. Is dat het één en al? Nee. Het is een begin. Een uitnodigende houding, het uitdelen van een boekje, een krant, in gesprek met je buurman of collega iets zeggen over jouw geloof. Dat is niet naïef. Dat is dapper.

De ‘missionaire thermometer’ werd uitgedeeld op de tweede missionaire ronde, als een grappig bedoelde manier om de avond te openen. Bij binnenkomst vulden mensen de thermometer en gingen meteen onderling in gesprek. We noemen dat ook wel een ‘ijsbreker’. Was dat serieus bedoeld? Ja en nee. De onderwerpen van de thermometer zijn wel degelijk een bespreking op de kerkenraad waard. De vragen werden gesteld met een knipoog. Zonder humor mislukt iedere beweging, ook de missionaire.

< Terug