< Terug

Wat gebeurt er in de tuin?

Gemeenschapsleven in Amsterdam

I
De woorden sterven. De plaats waar ze gaan is bekend als vergetelheid.
Het is een soort Hades. Een plaats waar niets ze kan redden van hun lot;
     met de uitzondering van de starende blik van de lezer.

II
Want een woord moet worden gevormd voordat het een woord is.
Want een woord, voor het een woord wordt, moet eerst worden gebeeldhouwd
     op een steen,
     op een muur,
     op papyrus
     of gewoon een vel papier.

III
Dus de lezer is een actieve verlosser, bevrijder van die woorden die in pijn zijn, die sterven.
De blik van de lezer is zo krachtig dat hij in staat is het woord terug tot leven te brengen ook al was het morsdood.

IV
Deze lezer is de Teofilus van Lucas en door hem zijn we allemaal lezers die na hem komen.
Wij lezen niet alleen woorden op papier, wij lezen het woord dat vorm krijgt in het vlees, dat is Jezus:
de man die in zijn lichaam het vergeten woord van God tot leven bracht.

Onze gezamenlijke tuin

Achter een gebouw van meer dan honderd jaar oud, en in de marge van het lawaai van de stad, bevindt zich onze tuin. Dat hofje ontleent zijn naam aan een groot denker: Hugo Grotius of Hugo de Groot. Het is een van de vele hofjes van gemeenschapsleven in Amsterdam. Deze tuin is niet alleen een echte plaats, maar kan ook dienen als metafoor. Sommige van de mensen die er leven zijn christen. Er zijn bijna honderd bewoners, maar twaalf van hen zoeken het gemeenschapsleven bewuster op. Deze twaalf kijken met andere ogen naar de tuin. Toevallig zijn er ook twaalf bomen in de tuin. Sommige van deze bomen zijn haast met elkaar vergroeid. Ze groeien samen als stel. Anderen groeien alleen, staan op zichzelf, zoals bijvoorbeeld de magnolia die zo groot is en vol van pracht, dat geen van de andere bomen in haar schaduw kan staan. Haar kruin is van gigantische omvang en schoonheid, licht noch water kunnen er echt door komen.

Om de tuin binnen te komen moet je eerst een aantal grote deuren door, die samen twee voorportalen vormen. De voorportalen schermen de tuin af van de buitenwereld en ze hebben hun eigen microklimaat. In de zomerse hitte is de hal altijd koeler dan buiten. Bij binnenkomst in de tuin wordt een groot deel van de blik geblokkeerd door een bijna manshoge heg. Pas een paar meter verderop geeft de tuin zijn geheimen prijs. Als je verschillende voorzetsels wilt gebruiken bij de tuin (achter, boven, voor, in, buiten) zou je kunnen zeggen dat als je de deuren opent en je naast de heg staat, dat dit ‘voor’ de tuin is. Als je eenmaal in de tuin bent, kun je kijken (eigenlijk luisteren) naar de muziek van de tuin: duizenden blaadjes ritselen in de wind, tientallen vogels zingen samen, katten zijn aan het miauwen. In de verte hoor je het blaffen van een hond en het klokgelui van de Westerkerk. Samen markeren zij de uren die verstrijken.

Een poëtisch verhaal over een nieuwe plaats om de missio dei te herkennen

En dan is er natuurlijk nog de geheel eigen melodie van alle burengeluiden: op zachte toon gevoerde gesprekken, luidruchtige ruzies, het huilen van baby’s, vreugdekreten, het gerinkel van lege borden en glazen, het geluid van een bezem over de vloer en al die honderden dingen die mensen doen in hun eigen privacy. De tuin begeleidt de geluiden die uit alle vijfennegentig aangrenzende ramen komen. Ramen die soms open staan, dan weer gesloten zijn en al die geluiden van het dagelijkse leven naar buiten laten en de frisse lucht naar binnen laten stromen.

Dat is wat er in de tuin gebeurt.

Tuin van begin tot eind

Het verlossingsverhaal cirkelt rond het thema van de tuin. Het element waarmee het theologische verhaal structuur krijgt is een kleine tuin. Het kost niet veel denkvermogen om de tuin van Eden te herinneren, of de tuin waar de opstanding van Jezus plaats vond, of later de theatrale vertelling van de tuin die uit de hemel neerdaalt, beschreven door Johannes op Patmos. Er is een tuin van begin tot eind.

Het gaat om een plaats die ons is gegeven, maar ook een plaats die van ons is weggenomen, is afgepakt. Het is een plaats die naar ons reikt, maar wij kunnen haar niet raken. Wij moeten haar verbeelden. De tuin heeft zijn eigen wil.

En dan is er nog de geheel eigen melodie van alle burengeluiden

Als iemand zegt dat iets zijn eigen wil heeft, betekent het dat die wil boven woorden uitstijgt. Dat is waarom de tuin het allereerste en het allerlaatste scenario van God is: daar zijn wij schepsels onderworpen aan een wil die groter is dan de onze, en dat is ook waarom de stad de tegenhanger van de tuin is.

In de stad wordt de wil van de mens gedaan; dat is in het boek Genesis het lot van de zonen van Kaïn. In de stad zijn alle mensen net als Kaïn geïsoleerd, ze zijn gescheiden, gesegregeerd, verdeeld: de kracht van eenzaamheid en de eenzaamheid van kracht. In

de stad van Kaïn worden de woorden van de slang vervuld: alles gaat in een bot gevecht om macht, om kracht.

In de tuin daarentegen wordt de eenzaamheid geheeld, overkomen. Het is niet goed dat de mens alleen is, zegt de eigenaar van de eenzaamheid der eenzaamheden. En daar wordt tijdens de slaap uit onze eigen huid de ander geboren. De tuin is een bevestiging van de gemeenschap van de toekomst. Een zijn met de ander, om samen de toekomst te creëren. Dat is in essentie wat er in de tuin gebeurt.

Cycli, seizoenen, era’s

Een manier om het beeld van de tuin te zien of te begrijpen is door stil te staan bij zijn erotische lading – als een erotische betekenis. In de tuin zien we zowel de wil van God als de wil van de natuur die samenwerken om alles mooi te maken, en deze schoonheid ontspruit aan liefde. In de stad daarentegen vindt het tegenovergestelde plaats: daar is geen wil van God of wil van de natuur, daar heerst de wil van de mens. Uit cement en steen is de stad gemaakt in de hitte van de zon, maar met groen en bloemen is een tuin bekleed, groeiend door water.

Als wij zeggen dat een plaats zijn eigen regels heeft, anders dan de onze, dan geven we daarmee toe dat deze plaats nauwelijks interventie toelaat, wij hebben daar niets over te zeggen. Het is haast onmogelijk om het verhaal van de tuin te beschrijven, want wat wij er van zien is maar een fractie van wat er gaande is.

De tuin is een bevestiging van de gemeenschap van de toekomst

De aard van wat er in de tuin gebeurt vraagt om een ander bewustzijn van tijd dan wij kennen van het stedelijk leven. Anders gezegd, als iets in de tuin gebeurt is dat niet te meten met de gebruikelijke tijdsindelingen en tijdseenheden: microseconden, seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden, jaren. Nee. De tuin werkt niet met zulke afgemeten tijdseenheden, de tuin werkt met cycli, seizoenen, era’s. Eén dag in de tuin is als duizend jaar in de stad.

In de natuur kan een gebeurtenis honderden of duizenden jaren omvatten. Denk aan het vormen van een berg, de loop van een rivier, de groei van een boom. Dit is waarom ik zeg dat de tuin zijn eigen wetten heeft.

De tuin heeft namelijk zijn eigen tijd die soms oneindig is.

Tegenstelling opgeheven

De plaats die door mensenhanden is gemaakt, dat is de stad. Natuurlijk kan de mens in de tuin ook veel werk verrichten en de tuin naar eigen inzicht indelen, maar uiteindelijk groeit de natuur, groeien bomen en planten vanzelf en heeft de mens daar maar weinig invloed op. De stad volgt onze regels en onze interesses. Er is een tegenstelling tussen de tuin en de stad die je niet kunt ontlopen. Al millennia lang strijden ze met elkaar om de voorrang.

De verzoening blijkt in Christus plaats te vinden. Als Hij op de dag van zijn opstanding voor de ogen van Maria Magdalena verschijnt en verdwijnt. Op dat moment was Jezus volledig God en volledig mens, vol van leven en vol van dood. En op dat moment mag Maria Magdalena hem zien, hem beschouwen, zelfs naar hem verlangen maar ze kon hem niet aanraken. Het enige dat Jezus haar opdraagt is om hiervan te vertellen, om te verkondigen, zelfs als niemand haar zal geloven. In Jezus ontvangt de stad de belofte van redding door wat er in de tuin is gebeurd. Als wij geloven wat is gepredikt en is verteld door Maria.

Met de opstanding van Christus en de verschijning aan Maria breekt een nieuwe toekomst door. De tegenstelling tussen tuin en stad lijkt te worden opgeheven in het nieuwe Jeruzalem. Mensen en dieren wonen samen. De stad heeft een open karakter. De profeet Zacharia spreekt van een stad zonder muren en het boek Openbaring geeft aan dat de stadspoorten altijd open staan. Een imposant godsgebouw, een kerk of tempel is niet nodig, want God Zelf is aanwezig en leeft onder de mensen. Zijn aanwezigheid beschermt de stad, zodat de stad en haar inwoners open kunnen zijn, naar buiten, naar elkaar. De stad is opgebouwd uit de prachtigste edelstenen. Een natuurproduct dat nu niet langer ingezet wordt om te verhandelen, om rijk te worden, ze geven eenvoudigweg hun schoonheid. Niemand hoeft bang te zijn dat de prachtige stenen ontvreemd worden.

Zo volgen we Jezus, kleine tuinen creërend

Het hart van de stad is een rivier, die leven geeft. Midden in de stad en bij de rivier zijn bomen, die genezing brengen. In het nieuwe Jeruzalem zijn natuur en cultuur op prachtige wijze met elkaar verweven, alles cirkelt rond en richt zich op Gods aanwezigheid en Gods glorie.

Terugkeer

Op deze manier kunnen we ons de terugkeer van de heerschappij van God of het koninkrijk van God voorstellen. ‘Laat uw koninkrijk komen’, dat is niets anders dan een plek voor de tuin. De tuin komt naar ons, niet wij naar de tuin.

Ons geloof – dat ons en alles wat ons omringt tot een tuin maakt – is de krachtigste verkondiging van het evangelie. Leven met de waarden en de regels van de tuin die God in zeven dagen maakte. Dit noemen sommigen de planeet. Van de eerste tot de laatste prediker, van Noach tot Johannes op Patmos, predikten zij hierover, maar ze werden voor gek versleten. Steden zullen worden getransformeerd en daarmee gaat het kwaad ten onder. Alleen wie besluit om vrijelijk te leven buiten de standaard en de regels van de stad en haar ijdelheid, en wie wacht op de glorierijke manifestatie van alles wat ons in de tuin, in Eden geboden werd, alleen zij kunnen de wanhoop van de mensen en de angst van het kennen van het eigen einde verlichten. Alleen zij weten een tuin te creëren in de stad.

Zo volgen we Jezus, kleine tuinen creërend tussen de steden in de gedachten van mensen. Op een bepaalde manier kunnen we in het sacrament van de doop een grote beweging van het geloof zien. We dompelen ons met ons lichaam onder in het water om er weer uit op te stijgen. Dat is het zaad dat eerst begraven wordt voordat het weer uitgroeit tot een nieuw plantje. Of denk ook aan de boom die aan de waterstroom geplant is en van daaruit groeit. De mens die de tuin wordt. Die onderdeel van de tuin is.

Alexander Villamil Morea-van Berkum is Colombiaans theoloog en onderwijskundige in Nederland en redactielid van TussenRuimte.

< Terug