< Terug

Wat houden we hoog?

Toen ik de kleurenets van Ronald Tolman uit 2006 voor het eerst zag, viel ik ervoor als een blok. Grafisch is het in mijn ogen van topniveau en het verbeelde fascineert; het prikkelt je gedachten. Je moet er wel bij stilstaan. Lezers die het Rijk van Nijmegen kennen, zullen meteen het kerkje van Persingen herkennen. Dat is een gegeven; de ets heeft niet voor niets de titel ‘Persingen’. Boeiender is dat Tolman met de weergave van dat kerkje iets heeft gedaan dat te denken geeft. Wat hij zelf bij dit beeld heeft gedacht, weet ik niet en dat heb ik hem ook niet gevraagd. Ik koos ervoor mijn eigen gedachten de vrije loop te laten. En wat ik zag, was allereerst een uiting van een eigentijdse kerkelijke situatie. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen: de (wankelende) kerk moet hoog gehouden worden, de vraag is alleen hoe. Over die vraag wordt nogal wat strijd gevoerd en dat zie ik terug in die krioelende en vechtende mensenmassa onder de kerk. Als je je gedachten vervolgens nog meer de vrije loop laat, kun je je afvragen wat de kerk dan eigenlijk is. Over die vraag zijn vele boeken geschreven en de theologie heeft niet voor niets een eigen vakgebied waarin over die vraag wordt nagedacht: de ecclesiologie. Ik haal er een gegeven uit. Enerzijds is de kerk de levende gemeenschap die probeert in de voetsporen van Jezus Christus te gaan. Anderzijds is de kerk ook een instituut. Het een kan niet zonder het ander, al kan een overdreven, eenzijdige nadruk op het instituut wel bedreigend of zelfs vernietigend zijn voor de levende gemeenschap. En een levende gemeenschap zonder orde is al snel een ongeleid projectiel – te vaak te solistisch geleid door bedenkelijke charismatici. En daar raken we aan het thema van deze aflevering.

Opvallend aan de brieven die aan Paulus worden toegeschreven, is dat ze vrijwel allemaal tot een hele gemeente of gemeenschap zijn gericht. Dat in tegenstelling tot de brieven aan Timoteus en Titus. Die (pastorale) brieven zijn specifiek aan hen en anderen als leiders van een gemeenschap gericht. Die verschuiving is saillant en kan niets anders betekenen dan dat er in de wordende kerk orde op zaken moest worden gesteld. Het had blijkbaar geen zin meer om een hele gemeenschap in onenigheid aan te spreken.

Wat houden we hoog als we vergeten dat wijzelf in feite die kerk zijn?

In deze brieven worden er lijnen getrokken en op grond van die lijnen zal de kerk zich ontwikkelen naar de twee eerder genoemde gezichten die ze heeft. Levende gemeenschap en instituut. Blijkbaar kon dat niet anders. Zonder verandering geen continuiteit. Paulus echter is niet vergeten – er wordt in zijn naam geschreven – maar zijn hoge eindtijdsidealisme is wel aan het vervagen; zijn woorden, geen onderscheid tussen man en vrouw, jood en Griek, meester en slaaf… (Galaten 3,28), blijven prachtig, maar de tijd schreed voort en bij Timoteüs en Titus zien we dat vrouwen, mannen en slaven hun plaats wordt gewezen, en dat joden hun eigengereidheid wordt verweten. Een kosmopolitisch ideaal (de term is van Karin Berber Neutel) wordt aangepast aan de realiteit van (op zijn minst) de derde christelijke generatie.

Gelukkig is Paulus daarnaast gewoon blijven staan in het Nieuwe Testament en is er altijd nog zoiets als herbronning mogelijk. Intussen brengt deze ets van Tolman mij echter bij de vraag: wat houden we hoog als we vergeten dat wijzelf in feite die kerk zijn?

< Terug