< Terug

Werkende armen

Bij 2 Kronieken 1:7-13, Psalmen 111 en Lucas 11:1-13


De lezingen uit Kronieken en Lucas gaan over ‘bidden’. Over het je richten tot en je laten richten door God. Op de Biddag voor gewas en arbeid breidt dit ‘bidden’ zich nadrukkelijk uit tot de dimensies van arbeid en economie. Het is natuurlijk niet zo dat deze dimensies in ‘gewone’ diensten niet aan de orde zijn. Je zou kunnen zeggen dat op de Biddag de aandacht ervoor uitdrukkelijk ‘geagendeerd’ wordt.

Bidden kan volgens de Italiaanse benedictijner monnik Luigi Gioia een manier zijn om op een gezonde wijze eerlijk naar jezelf te kijken en je tekortkomingen onder ogen te zien. In bidden leg je je ziel bloot, je neemt afstand, je zoekt overzicht en richting. Op de Biddag doen we dat nadrukkelijk ook met het oog op de samenleving. Een actuele tekortkoming van onze samenleving kun je het fenomeen van ‘werkende armen’ noemen. Op dit moment zijn er in Nederland zo’n 200.000 werkenden die niet boven de armoedegrens uitkomen. Confronterender nog is het aantal kinderen dat zich in armoede bevindt terwijl hun ouders werken: zo’n 219.000. Dat is 58 procent van het totale aantal kinderen in armoede.

Kronieken

Bijzonder is dat in Kronieken het bidden van Salomo wordt opgeroepen door een bede van God zelf: ‘Wat wil je dat Ik je geef?’ Naar oosters gebruik offert de aankomende koning op de gewijde hoogte en brengt daar de nacht door. De setting wordt geschapen voor een gerichtheid op God, voor een reflectie op het koningschap en wat daarvoor nodig is. In dat laatste zit de angel: wat ‘nodig’ is. Waar heeft de jonge koning ‘nood’ aan? Sterker nog, wat ziet hij zelf als zijn behoefte? Daarmee voel je ook aan dat het riskant kan worden en dat er iets van een beproeving aan de orde is. Maar klopt dat? Brengt God Salomo met deze bede in beproeving? In de tekst wordt dit nergens uitdrukkelijk zo benoemd. In het voorafgaande gedeelte, in vers 6, lezen we dat Salomo offerde ‘in de nabijheid van de Heer’, van de Levende. Daarin kunnen we al een toespeling lezen op zijn antwoord in de trant van het laatste vers van Psalmen 111: ‘Het begin van wijsheid is ontzag voor de Heer.’

Nieuw begin

Salomo vraagt om wijsheid en inzicht om het volk te besturen. Dat laatste woord kun je ook vertalen met ‘richten’, het volk houden op de weg van recht en vrede van de Levende. Het is het antwoord van een gedroomde koning. De boeken Kronieken vertellen het verhaal van de koningen van Israël dan ook vanuit de positie van het volk dat na de Babylonische ballingschap is teruggekeerd in het land. Het zoekt een perspectief om zich op te richten, om een ‘nieuw begin’ (ook de titel van de Veertigdagentijd-campagne van Kerk in Actie in 2019 ) te kunnen maken. Het volk ‘richt’ als het ware zichzelf, door op deze wijze van het verhaal terug te denken aan Salomo, zoon van David. Salomo blijft in dit verhaal uit een sfeer van beproeving, omdat hij zich van meet af aan richt op de Levende. Dat de boeken Koningen ons een andere Salomo voor ogen schilderen dan de boeken Kronieken, doet niets af aan de waarde van dit gedroomde perspectief. In Koningen lezen we, in een soort van zelfkritische verwerking van het eigen verleden, dat Salomo slavernij invoerde, ‘werkende armen’ creëerde in Israël, ten bate van zijn rijkdom. Hij creëerde daarmee tegenstellingen die na zijn koningschap het rijk uiteen zouden doen vallen. Kronieken schildert koning Salomo vanuit de behoefte van het volk aan een nieuw begin.

Bidden

Het antwoord van Salomo lijkt op de wijze waarop Jezus in de tekst uit Lucas de leerlingen leert bidden, ons leert om ons te richten op de Levende. Het gaat in dit gebed om het ons inbidden in het verlangen van de Levende, opdat onze dromen de dromen van de Levende zijn en ons leven en samenleven vormgeven. Aan het slot van dit gebed klinken de woorden ‘breng ons niet in beproeving’. Het is in feite een bede aan de Levende om ons gericht te laten blijven op het verlangen naar recht en vrede, opdat we zoals een gedroomde Salomo uit de beproeving blijven. De bijbels theoloog en Rotterdamse voorganger Tom Naastepad heeft in het licht van de tekst uit Kronieken de vraag gesteld waarom de wereld er zo uitziet als ze eruitziet, ‘omdat ze’, zei hij, ‘een exponent is van onze dromen’. Wij hebben het in deze wereld voor het zeggen. Dat er werkende armen zijn, dat er kinderen in armoede zijn, heeft op een pijnlijke manier te maken met wat wij in deze samenleving belangrijk vinden, waar we van dromen, waar we prioriteit aan geven. Op de een of andere manier zijn we onze samenleving, onze economie en arbeidsmarkt zo gaan vormgeven, dat de meest kwetsbaren daarin niet goed meekomen, dat kinderen, onze meest dierbaren, op het spel staan. Die kwetsbaren zeggen ons iets over onze samenleving. Uit hun mond – want zijn zij in de Schrift niet de plaatsbekleders van God (?) – klinken wellicht aan ons de woorden van de Levende: ‘Wat wil je dat ik je geef?’

Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.


Bovenstaande tekst komt uit de bezinningsbrochure die als katern bij Oecumenisch Bulletin 1/2019 van de Raad van Kerken was verschenen. Meer algemene informatie over de Raad van kerken en het onderwerp armoede: Armoedebestrijding – Raad van Kerken in Nederland.

< Terug