< Terug

Wezenzondag

Bij 1 Samuel 12,19b-24, Psalm 31,1-9, Openbaring 22,12-21 en Johannes 14,15-21

Wat de lezingen samenbindt, is de naam van deze zondag: Weeskinderen- of Wezenzondag; dat is de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Die naam dankt zij natuurlijk aan Johannes 14,18, waar Jezus zegt dat Hij zijn leerlingen niet als wezen zal achterlaten. Ook in de lezingen uit de boeken Samuel en Openbaring klinkt het afscheid door en worden er aanwijzingen gegeven voor hen die wachtend achterblijven.

Wat opvalt is dat ze nergens alleen achterblijven: Samuel zal na zijn afscheid voor het volk blijven bidden (1 Samuel 12,23), in Openbaring (22,16) heeft Jezus zijn bode gezonden om wat er in het boek wordt beschreven aan de gemeenten bekend te maken, in Johannes 14(,16.26) belooft Jezus de ‘Parakleet’ te sturen, die we helper, raadsman of pleitbezorger mogen noemen. En in Psalm 31,1-9 bezingt de zanger zijn vertrouwen op de Heer, die hem beschermt. Ik zal het langst stilstaan bij de lezing uit Johannes, ook al omdat deze vanouds op het rooster voor deze zondag staat.

Doen en onderhouden

De Griekse werkwoorden poieoo (= doen) en tèreoo (= onderhouden, bewaren) komen in het Johannesevangelie veel voor in verband met ‘geloven’ en ‘liefhebben’. Bij het doen gaat het om het doen van de woorden, de werken en de tekenen, en in dit gedeelte gaat het om het onderhouden van Jezus’ geboden (Gr.: entolas – Joh. 14,15.21). Wie Jezus liefheeft, onderhoudt zijn geboden (14,15). Het wachten is dus niet afwachten en stilzitten, niet ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’. Het wachten gaat gepaard met het doen van de geboden die Jezus heeft gegeven. Zoals de moeder van Jezus in Johannes 2,5 zegt: ‘Alles wat Hij u zegt, doe dat.’ In het tweede deel van de lezing uit Johannes wordt nog weer onderstreept dat Jezus liefhebben en zijn geboden onderhouden bij elkaar horen, en dat ook de Vader de mensen die dat doen zal liefhebben (14,21).

Parakleet

De Geest wordt in Johannes 14,16 paraklètos genoemd, welk Grieks woord meestal met ‘trooster’ wordt vertaald. Het begrip komt echter uit de advocatuur en betekent ‘pleitbezorger’, iemand die voor je opkomt, en kan beter met ‘helper’ vertaald worden. De Geest helpt niet alleen met wachten, maar zal er ook altijd namens de Vader zijn, tot in eeuwigheid. De Geest is ook een leraar, hij brengt de leerlingen te binnen wat Jezus heeft gesproken en wat in de Schrift geschreven staat (Johannes 14,26; 16,13).

Inwoning

Het Griekse werkwoord menoo, dat gewoon ‘ergens wonen’ of ‘een verblijfplaats hebben’ kan betekenen, krijgt bij Johannes een dubbele, enigszins mystieke betekenis, met ‘inwonen’ en ‘verblijven in’ (14,17). Naast het Griekse pisteuoo (= geloven, vertrouwen) is ook ‘(ver)blijven’ een sleutelwoord in het vierde evangelie. Door de band met Jezus hebben de leerlingen ook een band met God, omdat de Vader in de Zoon woont en de Zoon in de Vader. Die inwoning blijkt uit dit bijbelgedeelte en uit Johannes 17, het zogenaamde hogepriesterlijk gebed. De Zoon is in de Vader (14,10-11.20 en 17,21); de Vader is in de Zoon (14,10-11.20 en 17,21.23); de leerlingen zijn in de Zoon (14,20 en 17,21); de Zoon is in de leerlingen (14,20 en 17,23.26) en het slot van deze kettingreactie staat alleen in het hogepriesterlijk gebed beschreven: de leerlingen,die door hun woord in de Zoon geloven, zijn in de Vader en de Zoon (17,21). Die inwoning is het bewijs dat Jezus de zijnen niet verweesd zal achterlaten.

Voor de prediking is het belangrijk om erop te wijzen dat geloven met gevoel te maken heeft, maar nooit van het gevoel alleen kan uitgaan. Het is geloven met hart en ziel, gebaseerd op het onderhouden van de geboden, gebaseerd op de Schrift.

Zien en niet zien

Een van de belangrijkste sleutelwoorden in het Johannesevangelie is ‘zien’. Jezus gebruikt in dit evangelie ook veel beelden om de mensen te laten ‘zien’ wie Hij is. Niet alleen in de ‘Ik ben’-woorden, maar ook in het beeld van de graankorrel in Johannes 12,24. In dit gedeelte heeft het zien ook te maken met de tegenstelling tot de wereld, net als in Johannes 1. De leerlingen zien de Geest van de waarheid en Jezus wel, en de wereld ziet Jezus niet meer en kan de Geest niet kennen omdat ze Hem niet ziet. Het Griekse denken, waarin ‘zien’ een belangrijke rol speelt, wordt hier te kijk gezet. Door de Geest zien de mensen die achterblijven Jezus.

Ik legde het vroeger zo uit aan mijn kinderen, toen die voor het eerst naar de basisschool gingen: als je op school zit, zie je mama niet meer, maar je weet dat ze er is, want we horen bij elkaar, we houden van elkaar. Kinderen rennen niet in paniek naar huis als ze mama niet meer zien; ze kunnen wel wachten tot twaalf uur. Dit zien we ook op deze wezenzondag: wij mensen leren wachten en het vol te houden omdat God van ons houdt, ook als we Hem niet zien.

Bij 1 Samuel 12:19b-24, Psalm 31:1-9, Openbaring 22:12-21 en Johannes 14:15-21

< Terug