< Terug

Wezenzondag

Bij Ezechiël 39,21-29, 1 Petrus 4,12-19 en Johannes 17,1-13

Het lange gebed in Johannes 17, vaak aangeduid als het hogepriesterlijk gebed, lijkt wel speciaal voor ‘Wezenzondag’ geschreven. In deze tekst geeft Jezus zich al biddend rekenschap van het feit dat Hij straks niet meer lijfelijk present zal zijn en dat zijn leerlingen in een soort tussentijd zullen verkeren. Ze zullen het in die tijd in geestelijke verbondenheid met God en met Jezus moeten zien uit te houden in een wereld die het hun niet gemakkelijk zal maken.

De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren verbeeldt die tussentijd treffend: de hulpeloosheid van de gelovige gemeenschap, het tegenbeeld van de Pinksterbeleving. Je verlangt naar volheid, maar je bent leeg. Je zou van alles willen doen, maar je moet afwachten. Je hebt je hoop gevestigd op Gods koningschap, maar dat is volle werkelijkheid op een plek waar jij als gemeenschap nog niet bent. Je bent volgelingen van Jezus, maar je kunt Hem niet volgen. De kerk is radicaal onthand en moet oefenen in openheid voor een Geest die komen zal, maar niet op afroep beschikbaar is en nooit jouw bezit zal worden. Die ene zondag lijkt de toestand van de hedendaagse kerk op veel plaatsen treffend te typeren. Ook in Handelingen was de Pinkstergloed vrijwel overal van korte duur, en waar hij voortduurde en mensen er bezit van namen, leidde dat tot toestanden waarover Paulus vermanende brieven moest schrijven, bijvoorbeeld aan de Korintiërs. Het is een karakteristiek van de ‘ware’ kerk: dat ze haar verbondenheid met het heil moet zien uit te zingen in een heilloze situatie. De opgeheven handen van de gelovigen zijn maar al te vaak die van een zinkende Petrus, en Hosianna mag dan klinken als een vreugdekreet, maar betekent nog altijd: red ons toch, wij vergaan.

Bedoeld voor meehoorders

In voorbereiding op die situatie van de kerk bidt Jezus zijn gebed. Het is het eerste typisch kerkelijke gebed, denk ik soms: een gebed dat niet in de eerste plaats bedoeld is om iets tegen God te zeggen, maar vooral om de meehoorders iets mee te geven. Het lijkt er zelfs op dat Johannes Jezus dat expliciet laat zeggen: ‘Nu kom Ik naar U toe, en Ik zeg dit in de wereld, opdat zij vol zullen worden van mijn vreugde’ (17,13). Het gebed is een verklaring die de johanneïsche Jezus aflegt, bedoeld voor de oren van de leerlingen – de lezers – met God als aangesproken getuige. Dat stemt tot nadenken over de functie van onze hardop uitgesproken gebeden. Als dat deels vermaningen of oproepen aan de gemeente zijn, gespeeld over de band van een gebed tot God, lijkt Johannes 17 daar in ieder geval bijbelse legitimatie voor te bieden.

Deelgenoten aan het lijden

De drie lezingen lijken een gemeenschappelijk element te bevatten, namelijk dat wie bij God hoort (het volk van God, de gemeente van Christus), deel zal hebben aan lijden. In alle drie de teksten is er sprake van dat dit lijden in het licht zal komen te staan van de verlossing waartoe Gods kinderen uiteindelijk bestemd zijn. Maar de invalshoeken zijn heel verschillend. In de profetie van Ezechiël is het lijden een straf, bedoeld om zichtbaar te maken dat God heilig is: God is niet een ouder die het kwalijke gedrag van zijn eigen kinderen goedpraat of door de vingers ziet. Israël kan rekenen op Gods eeuwige trouw, maar moet intussen wel boeten voor eigen daden. Of anders gezegd: Israël moet straf uitzitten vanwege zijn kwade praktijken, maar mag – zoals een kind van goede ouders – midden in de straf beseffen dat er een einde aan zal zijn, dat de verhoudingen hersteld zullen worden. Ze zijn voor straf weggestuurd in ballingschap, maar zullen allemaal worden teruggehaald (Ezechiël 39,28). God is hen niet vergeten en verheugt zich al over de tijd van vervulling die op de crisis zal volgen (Ezechiël 39,29).

In de Petruslezing is het lijden deelgenootschap aan de weg van Jezus. Dat is een weg door oordeel en beproeving, door de dood heen naar de heerlijkheid. Petrus gebruikt dat gegeven om scherp onderscheid te maken tussen lijden als lot van Jezus’ leerlingen en lijden dat je je door eigen wandaden op de hals haalt. Het eerste maakt deel uit van de weg naar het leven bij God, het tweede is onderdeel van een weg bij God vandaan. Hij spoort zijn lezers aan om juist in het lijden op die eerste weg te blijven, omdat het dan in een hoopvol perspectief staat.

De weg van Jezus gaan

Het oordeel begint bij Gods huis (1 Petr. 4,17): de oordeelstijd is aangebroken met de gang van Jezus, Gods gezondene, door dat oordeel heen. Zijn leerlingen zijn daarna aan de beurt om die weg door de diepte te gaan; zo maakt Petrus navoelbaar dat Jezus’ volgelingen het zwaarder te verduren kunnen hebben dan de buitenstaanders. Hij roept ze op om er vanwege dat gegeven niet de brui aan te geven. Blijkbaar vonden ook toen gelovigen dat zij, verbonden met God, gevrijwaard zouden moeten blijven van lijden. Petrus keert hun gedachtegang om: juist wie in verbinding met Christus leeft, zal de weg van Christus gaan, en hoe die weg verloopt weten we. Dat is de weg van de doop, van onderdompeling in alle nood naar opstanding tot heerlijkheid. In het Jezusgebed van Johannes 17 gaat het pas na onze perikoop over het lijden van Jezus’ volgelingen. Maar het hele gebed cirkelt rond het gegeven dat er twee ‘rijken’ zijn: deze kosmos, en de werkelijkheid van God. De pijn van Jezus’ leerlingen is dat ze door Jezus helemaal in Gods werkelijkheid zijn betrokken, maar intussen wel in ‘deze kosmos’ achterblijven. Ze leven op een golflengte die in deze kosmos niet begrepen wordt, en dat zorgt voor wrijving en vervolging. Jezus houdt zijn leerlingen hier al biddend afgestemd op die andere ruimte waarin hun heil verankerd is: het hart van God.

< Terug