< Terug

Wie is er god?

Wie het boek Judit voor het eerst openslaat, zal het wellicht verrassen dat het personage waarnaar het boek vernoemd is, pas halverwege het verhaal opduikt. Het geheel valt zo in twee grote delen uiteen: hoofdstuk 1–7 en 8–16. Dit ondersteunt de globale golfslag van beweging en tegenbeweging door het boek heen.
Ine Van Den Eynde is docent ethiek, filosofie, religie, zingeving en levensbeschouwing in de opleidingen Verpleegkunde en Vroedkunde aan de Thomas More-campus in Turnhout en Lier.Dankzij de tussenkomst van Judit keren de kansen

De achterliggende kernvraag

De rode draad in het boek Judit is de vraag: wie is er god? Is dat Nebukadnessar, in wiens naam de heiligdommen van overwonnen volkeren verwoest worden opdat alleen hij als godheid erkend zou worden, zoals zijn legeraanvoerder Holofernes nastreeft (6,2)? Of is het jhwh, de God van Israël die door Judit beleden wordt als de godheid van de vernederden? Eerst lijkt Nebukadnessars aanspraak het te halen, maar dankzij de tussenkomst van Judit keren de kansen, zodat God door haar hand het volk bevrijdt. Het boek vormt als het ware een tweeluik, waarin grote onderdelen in verschillende volgorde herhaald worden: een strijd die zich uitbreidt, een krijgsraad en een belegering.

Nebukadnessar/Holofernes in de aanval

Het eerste deel van het boek opent met een strijd op wereldschaal, die zich eerst tot het Oosten richt, en vervolgens tot het Westen. Op de overwinning van Nebukadnessar volgt de reactie van twee gebieden: de kuststreek enerzijds en Judea anderzijds.

Een strijd breidt zich uit: op wereldschaal (1,1 -4,13)

OORLOG RICHTING OOSTEN (1,1-16)– Aankondiging strijd (1-6)

– Weigering van de volkeren (7-12): slechts één/een man

– Overwinning met feest (13-16)

OORLOG RICHTING WESTEN (2,1-27)

– besluit tot oorlog (1-3)

– opdracht aan Holofernes (4-13) en uitvoering (14-27)

REACTIE KUSTSTREEK: overgave (2,28 -3,9)

REACTIE JUDEA: militaire en religieuze voorbereiding (4,1-15)

– voorbereiding op strijd (1-8)

– rouwrituelen en gebed – God hoort en ziet – rouwrituelen en gebed (9-15)

De wereldwijde strijd om de goddelijke titel dient zich in eerste instantie aan als een oorlog richting het Oosten (1,1-16). Nebukadnessar, op ironische en anachronistische wijze geschetst als dé aartsvijand van Israël, wil de strijd aanbinden met Arpachsad. Centraal in dit gedeelte van het verhaal, omringd door de aankondiging van het voornemen tot de strijd (1,1-6) en de uitvoering ervan (1,13-16), staat echter de weigering van de volkeren om zich bij deze strijd aan te sluiten (1,7-12). Afhankelijk van de tekstvariant die men volgt, weigeren ze dat omdat hij alleen staat, dan wel omdat hij maar een mens is (en geen god). Hoe dan ook wordt hiermee Nebukadnessars goddelijke aanspraak ondergraven: militair geweld is immers wat de goddelijke macht ‘bewijst’ in de redenering van de Assyriërs (zie de vergelijking in 9,7-8). Geen wonder dat Nebukadnessar in woede ontsteekt (1,12) en na de overwinning op Arpachsad in het Oosten de verovering en vernietiging eist van heel de wereld (het Westen), wat zijn krijgsheer Holofernes gehoorzaam begint uit te voeren (2,1-27).

Op de militaire actie volgt in twee streken reactie. Vol angst geeft het kustgebied zich over, wat leidt tot de inlijving van hun jongemannen in het leger, de omverwerping van grensstenen, en de verwoesting van hun heiligdommen, omdat enkel Nebukadnessar als godheid erkend mag worden (2,28 -3,10). Judea (4,1-15) reageert anders. Hun angst geldt niet enkel hun eigen hachje, maar ook Jeruzalem en de tempel. Zij bereiden zich voor op verzet, in heel hun gebied, en in de bergpassen die het achterland beschermen in het bijzonder. Het verzet uit zich tevens religieus: met vasten, boetekleren en aanhoudend gebed. Omringd door de beschrijving van dit religieuze handelen staat de enige rechtstreekse handeling van God in heel het boek Judit: God hoort hun gebed en ziet hun nood (4,13). Dit is typerend voor het godsbeeld van het boek Judit: God is een god die de nood van de verdrukten ziet, en hun geroep hoort. Heel anders is Nebukadnessar, die als ‘god’ oog heeft voor de machtige, in die macht een bedreiging ziet, en al wie hierin niet meegaat wil vernietigen. De intertekstualiteit met het uittochtverhaal (met name de gelijkenis met Exodus 2,23-25) roept bij de lezer de verwachting op dat God wel degelijk zal tussenkomen door iemand te sturen die zijn volk zal bevrijden.

Krijgsraad van Holofernes, met de uitlevering Achior (5,1 -6,21)

Het verzet van een bergvolkje doet Holofernes in woede ontsteken. Hij roept een krijgsraad bijeen met de Kanaänitische aanvoerders, de traditionele vijanden van de Israëlieten (5,1-4). De vragen die hij hun voorlegt, verraden waaraan hij zelf belang hecht, en waarop de goddelijke aanspraak van Nebukadnessar gebaseerd is: militaire positie, steden, aanvoerders, grootte van het leger. Zijn vraag ‘waarop berust hun kracht en macht?’, biedt de mogelijkheid om uitvoeriger de tegenstrijdige patronen van macht en kracht te schetsen.

KRIJGSRAAD SAMENGEROEPEN (5,1-4): waarop berust hun kracht?ANTWOORD ACHIOR (5,5-21): met hen is een God die onrecht verafschuwt

WEERSTAND AANVOERDERS (5,22-24) WEERSTAND HOLOFERNES (6,1-9): Nebukadnessar alleen is God

UITLEVERING VAN ACHIOR AAN BETULIA (6,10-21)

Achior, de Moabitische aanvoerder, geeft Holofernes een lesje theologische geschiedenis (5,5-21). Hij vertolkt hierbij gangbare theologische accenten: het rondzwerven van het volk, het dienen van slechts één God, het gaat hen goed zolang ze deze God dienen, maar het verlaten van diens wegen heeft geleid tot de ballingschap en de verwoesting van de tempel. Nu zijn ze teruggekeerd, is de tempel herbouwd en hebben ze zich opnieuw in het land gevestigd. De verhouding tussen Israël en hun God is samengevat in de kernzin ‘Dit volk wordt bijgestaan door een God die onrecht verafschuwt’ (5,17). Hieruit trekt Achior de conclusie: als het volk zondigt, zullen de Assyriërs hen kunnen vernietigen, zo niet, zal hun God hen tot mikpunt van spot voor heel de wereld maken als zij hen aanvallen. Dit weerspreekt de almacht van Nebukadnessar: enkel als instrument van Gods wraak kan een strijd tegen Judea succesvol zijn. In een context waarin men alle macht aan Nebukadnessar alleen toeschrijft, stoot dit standpunt uiteraard op weerstand, zowel bij de andere aanvoerders (5,22-24) als bij Holofernes zelf (6,1-9). In scherpe bewoordingen beklemtoont deze dat alleen Nebukadnessar god is, en in diens naam kondigt hij de nakende totale ondergang van zowel het volk als Achior aan. Tot besluit van de krijgsraad laat Holofernes Achior aan de Israëlieten overleveren, met de bedoeling hem later tegelijk met hen te vernietigen (6,10-21). Hierdoor focust het terrein van de handeling zich op Betulia, waar men Achior mee naar toe neemt, en ondervraagt. De houding van de Israëlieten blijft ongewijzigd: ze roepen tot God.

Verplaatsing van de strijd: belegering van Betulia (7,1-32)

Vertrekkend van een wereldwijde oorlog zoomt het verhaal nu als het ware in op één klein bergdorpje, Betulia, van waaruit men de bergpas richting Jeruzalem verdedigt. Betulia wordt massaal belegerd, waarbij de vijand ook de waterbronnen bezet.

MILITAIRE STRATEGIE VAN HOLOFERNES (7,1-18)STRATEGIEBEPALING IN BETULIA (7,19-32) – roepen tot God – mensen bezwijken ondanks rantsoenering water (19-22)

– volk eist overgave: God straft – roepen tot God (23-29)

– Ozias’ belofte (30-32)

Met een overweldigende legermacht en veel machtsvertoon belegert Holofernes het dorp Betulia. Op aanraden van de legeraanvoerders van de omringende volkeren gaat hij niet ten aanval over, maar bezet de waterbronnen, waardoor het volk op de lange duur van dorst moet omkomen. Het strategisch advies omvat hun antwoord op de eerder gestelde vraag waarop dit volk zich baseert hem niet onderdanig tegemoet te komen: ze zouden vertrouwen op de hoogte van hun bergtoppen. Deze zogenaamde sterkte is militair een zwakte omdat ze voor de watervoorziening immers afhankelijk zijn van de waterbronnen in het dal. De strategie is succesvol: de rantsoenering kan niet verhinderen dat het water op raakt. Hoewel het volk voortdurend blijft roepen tot God, zijn ze er nu van overtuigd dat niemand hen helpt, en dat God hen straft voor hun zonden. Hierop spoort hun leider Ozias hen aan nog vijf dagen vol te houden, omdat God hen toch niet voor altijd zal verlaten. Indien God niet tussenkomt in die periode, zal Ozias zich overgeven.

Judit/God in de tegenaanval (8–16)

Nu het volk de leiders tot overgave dwingt – zij het met een paar dagen uitstel, lijkt het einde nabij. Op dit punt in het verhaal komt Judit ten tonele. Hiermee is meteen het tweede deel van het boek aangebroken. Dit deel omvat net als het eerste deel een krijgsraad (in Judits huis), een verplaatsing van de strijd naar een kleiner vlak (het kamp van Holofernes) en een grootschaligere strijd (in Judea).

Krijgsraad bij Judit (8)

Het verhaal krijgt een wending omdat Judit ingrijpt. Na de introductie van dit nieuwe personage volgt een krijgsraad.

INTRODUCTIE VAN JUDITJudit hoort – portret van Judit – Judit hoort (1-9)

KRIJGSRAAD IN JUDITS HUIS

– Samengeroepen (10-11a)

– Judit: terechtwijzing leiders (11-27)

– Strategie Ozias: bid om regen (28-31)

– Strategie Judit: de Heer zal Israël door mijn hand redden (32-34)

– Zegenwens en vertrek Ozias en magistraten (35-36)

Als Judit verneemt wat er gebeurt, roept ze de leiders van Betulia naar haar huis. Ze verwijt hun fout gehandeld te hebben (11-27). God krijgt als het ware maar vijf dagen meer de kans om in te grijpen. In haar ogen is dit het op de proef stellen van God. Als God binnen de vijf dagen ingrijpt, is Hij God, anders niet. Haar eigen antwoord is duidelijk: God is God, en bij machte zijn volk te redden of te vernietigen op zijn uitverkozen moment. Het is niet aan de mens God te beproeven. Anderzijds mag God wel mensen op de proef stellen. Dat is wat hier gebeurt: zij moeten standhouden om niet alleen zichzelf, maar vooral de rest van het volk en Jeruzalem te beschermen, en erop te vertrouwen dat God hen zal beschermen, omdat zij God zijn blijven erkennen.

De reactie van Ozias houdt het midden tussen Judit paaien en het vasthouden aan de gekozen strategie (28-31). Hij prijst haar wijsheid, maar wil niet terugkomen op een gegeven eed. Als tussenweg raadt hij haar aan om regen te bidden. Deze handeling zou binnen haar woorden passen (laat ons tot Hem om hulp roepen) zonder zijn eed geweld aan te doen. Het laat meteen zien hoe Ozias hoopt op een redding ‘van buitenaf’ waarbij het volk eerder een passieve rol heeft (namelijk: standhouden).

Judit heeft echter een andere strategie voor ogen. Wat deze precies inhoudt, houdt ze voor haar leiders geheim. Ze zal er wel de stad voor moeten verlaten, en God zal door haar hand het volk kunnen bevrijden. Dit betekent dat Judit God aan het werk ziet door handelingen van mensen heen.

Verplaatsing van de strijd: ‘belegering’ van Holofernes

Waar Holofernes zich voor zijn strategie laat raden door zijn legeraanvoerders, keert Judit zich tot God. Na haar voorbereiding verlaat ze Betulia en gaat Holofernes ‘belegeren’. Aangezien haar God zijn heerschappij niet baseert op militaire overmacht, maar op zijn identiteit als God van de zwakken, gaat ze er alleen met haar slavin op uit.

STRATEGIEBEPALING– Gebed van Judit (9,1-14)

– Fysieke voorbereiding (10,1-5)

VERPLAATSING VAN HET STRIJDTONEEL

– Aan de stadspoort 10,6-10

– Aangehouden door de voorhoede 10,11-19

– gesprek met Holofernes over juiste strategie 10,20-11,23

– Judits strategie: eten en gebed 12,1-9

Het gebed van Judit heeft raakpunten met de reactie van Judea in Judit 4. In boetekleed gehuld bidt zij op hetzelfde moment waarop in Jeruzalem het offer wordt opgedragen. Impliciet herinnert dit de lezer aan het rouwritueel en gebed in Jeruzalem, dat God zich hun lot zou aantrekken. Haar bede dat God zou horen (9,4.12) herinnert aan de uitspraak dat God hoort en ziet (4,13). Het gebed geeft bovendien, met verwijzing naar verleden (het verhaal van Dina) en heden, de kern van wat op het spel staat aan: dat God het volk en alle volkeren tot erkenning zou brengen dat God God is (9,14 te vergelijken met het erkenningsmotief in het uittochtverhaal). Tegelijkertijd geeft het gebed impliciete hints over hoe het verhaal verder zal verlopen: door haar hand en het bedrog van haar lippen zal ze de vijand verslaan. Haar opsmuk maakt duidelijk dat ze haar fysieke charmes in het geweer brengt, terwijl het proviand, en de mand, gedragen door de slavin, elk hun functie zullen hebben: ze kan zich aan de religieuze gebruiken houden, haar slavin bewaakt haar eerzaamheid en de mand zal het hoofd van Holofernes vervoeren.

Met de zegen van haar leiders verlaat Judit Betulia, om in het vijandelijke kamp goed ontvangen te worden aangezien allen zwaar onder de indruk zijn van haar schoonheid. De dialogen met de vijand zitten vol halve waarheden en dubbele bodems. Het is Judit inderdaad om redding te doen (11,3) en als Holofernes haar raad opvolgt, zal wat God met hem onderneemt volledig slagen en zal Judits heer (God) niet in zijn opzet falen (11,6), want God heeft haar gezonden om dingen met hem te doen waarvan de hele wereld versteld zal staan (11,16). Judit beweert dat het volk op het punt staat heiligschennende daden te stellen, en dat ze, als het zo ver is, in Holofernes handen zullen vallen. Judit is bereid dit moment aan te geven. Hoewel haar voorstel in feite de redenering van Achior volgt (als ze de geboden overtreden kan de vijand het volk verslaan), oogst ze bijval. Met gebed, rituele wassing en voeding blijft ze de voorbeeldige gelovige (en bereidt ze haar ontsnapping voor).

De strijd breidt zich uit (12,10 -15,7)

Als Holofernes Judit wil verleiden, grijpt ze haar kans, onthoofdt hem, keert met haar slavin naar Betulia terug, waar ze toont hoe God door de hand van een vrouw de vijand versloeg. De strijd breidt uit, van het kamp tot buiten de landsgrenzen.

HOLOFERNES OVERWONNEN (12,10 -14,11)– Holofernes onthoofd (12,10 -13,10)

– het hoofd getoond aan volk en oversten, lof voor God en Judit 13,11-20

– Krijgsplan van Judit 14,1-4

– Het hoofd getoond aan Achior, lof voor Judit en geloof in God 14,5-10

– het hoofd getoond aan de vijand, 14,11

DE VIJAND OVERWONNEN EN VERJAAGD (14,12 -15,7)

Holofernes laat Judit deelnemen aan een privé feestmaaltijd, die wat hemzelf betreft snel ontaardt in een braspartij. Met hem alleen gelaten, hakt zij haar stomdronken vijand het hoofd af, en verdwijnt met haar slavin richting Betulia. Tot driemaal toe wordt het hoofd de spil van het gebeuren: voor het volk en de oudsten van Betulia is het hoofd het bewijs dat God de vijand vernietigt door de hand van Judit, voor Achior het begin van zijn bekering tot God, en voor de vijand het begin van het einde.

Hiertoe aangespoord door Judit, ziet het volk in Judits hand Gods bevrijding en voeren zij haar krijgsplan met groot succes uit.

De overwinning gevierd, gevolgd door vrede

OVERWINNINGSFEEST (15,8 -16,20)– Hogepriester en oudsten uit Jeruzalem naar Betulia: lof voor Judit 15,8-10

– Judit deelt in buit 15,11, voert rondedans en loflied aan 15,12 -16,17

– Feest in Jeruzalem, buit geofferd 16,18-20

VREDE (16,21-25)

Waar het overwinningsfeest van Nebukadnessar leidt tot een wereldwijde oorlog, leidt het feest in Judea tot vrede: niemand jaagt hen nog angst aan. Hiermee is het antwoord op de kernvraag van het boek ook helder: jhwh is God, en wel een God die wapens in stukken breekt (9,7-8; 16,2), die opkomt voor de zwakken door de hand van een vrouw (9,10).

Literatuur

• S. Van Den Eynde, Verhalen van een verslagen god: Het boek Judith contextueel gelezen, Averbode 2004.

• S. Van Den Eynde, ‘Crying to God: Prayer and Plot in the Book of Judith’, in: Biblica 85/2 (2004): 217–231.

< Terug