< Terug

Wie is er hier de baas?

Wie de Bijbel leest met het oog op de verhaallijnen, ontgaan soms details die op het eerste oog niet relevant lijken voor het grote geheel. Anderzijds, wie een perikoop nader bestudeert en onderwerpt aan een exegese, kan door vondsten worden verleid die perikoop op basis van details uit te roepen tot een sleutelpassage, een scharniermoment, een keerpunt in een verhaal. Verder is er het gevaar dat een actuele discussie gelezen wordt in een tekst die daar onmogelijk over kan gaan.

Mozes met een Koesjitische? Foto (detail) genomen van een poster voor de internationale vrouwendag, 8 maart 2018 in Oslo.
Willien van Wieringen is neerlandicus en theoloog. Zij is werkzaam als docent Oude Testament en Hebreeuws aan de Fontys Hogeschool Theologie Levensbeschouwing in Utrecht.

Zo moest ik op mijn handen gaan zitten om in Numeri 12 niet een discussie te willen lezen over vrouwen en macht, en het belang van genderneutraliteit. Zo verleidelijk. De vrouw wordt gestraft voor haar aanspraak op de macht, en de man niet. Zie je wel, hoe patriarchaal!

Ik heb je weggeleid,bevrijd uit de slavernij in Egypte.

Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam

om jullie voor te gaan.

MICHA 6,4

Vragen rondom leiderschap

In Numeri 12 lijkt de discussie te gaan over wie de leider is over het volk. Mirjam en Aäron maken aanmerkingen op Mozes vanwege zijn partnerkeuze (12,1). De NBV vertaalt: ‘Hij is met een Nubische getrouwd!’ Ook zeiden ze: ‘Heeft Jhwh soms uitsluitend bij monde van Mozes gesproken en niet ook bij monde van ons?’ Deze vertaling bedekt een aantal details die het Hebreeuws wel laat zien en die interessant blijken te zijn voor de vraag rondom het leiderschap die in dit hoofdstuk speelt. Een letterlijke vertaling van vers 1 en 2 luidt:

Mirjam sprak, met Aäron, tot Mozes, vanwege de vrouw de Koesjitische die hij had genomen, want hij had een Koesjitische vrouw genomen. Ze zeiden:Heeft Jhwh alleen tot Mozes gesproken?

Is het niet zo dat hij ook tot ons heeft gesproken? Jhwh luisterde.

De vervoeging van het werkwoord spreken staat in de derde persoon enkelvoud vrouwelijk: ‘Mirjam sprak’. Daarachter staat ‘met Aäron’. Mirjam is degene die spreekt en zij doet dat samen met Aäron, of namens Aäron. De grammaticale constructie van een enkelvoudig vrouwelijk onderwerp met bijbehorende persoonsvorm, met een enkelvoudig mannelijk element als toevoeging, zien we vaker in het Oude Testament. Zo staat er in Rechters 5,1: ‘Debora zong, met Barak’. Het omgekeerde komt ook voor, namelijk een mannelijk enkelvoudig onderwerp met bijbehorende persoonsvorm, aangevuld met een vrouwelijk subject. We zien dit bijvoorbeeld in Richteren 14,3 over de ouders van Simson: ‘Zijn vader zegt, met zijn moeder, tot hem’.

Deze manier van vertellen vermeldt twee personages die bij de handeling betrokken zijn, en legt de nadruk op het eerstgenoemde personage (Debora, Simsons vader). In het geval van Numeri 12: Mirjam is de hoofdspreker, Aäron staat erbij.

Er staat geen direct citaat in vers 1. Hierdoor is niet zichtbaar of het bezwaar tegen het gegeven dat Mozes een Koesjitische vrouw (in termen van nu een Ethiopische) heeft genomen, daadwerkelijk is uitgesproken tegen Mozes of dat dit bezwaar de onderliggende reden is om het leiderschap van Mozes te betwisten.

De bezwaren

Er staat in bijna gelijkluidende woorden tweemaal hetzelfde: hij had een Koesjitische vrouw genomen. Deze tweeslag is voor de voortgang van het verhaal overbodig, voor de benadrukking van hun beweegreden is de dubbelslag effectief te noemen. Het kan de lezer niet ontgaan dat Mozes blijkbaar een zwarte vrouw, iemand van buiten het eigen volk, had genomen. Er is eerder in het verhaal geen sprake geweest van een dergelijke vrouw, of hier moet Zippora bedoeld zijn. Wat ook niet uitgesproken is, is het mogelijk bezwaar tegen een Koesjitische. Dat wordt blijkbaar bekend verondersteld bij de lezer. In Numeri 11,4 wordt negatief gesproken over de niet-Israëlieten die meetrekken door de woestijn: ‘Het samenraapsel van vreemdelingen dat met hen meetrok, was onverzadigbaar’. Een Koesjitische is zo’n vreemdelinge. (De huidskleur op zich zal geen bezwaar zijn geweest – die problematiseren is eerder onderdeel van een actuele discussie te noemen, wel dat het een niet-Israëlitische betreft.)

Wat wel wordt uitgesproken, zijn twee vragen, waarvan de tweede zeker retorisch bedoeld is. ‘Heeft Jhwh alleen tot Mozes gesproken? Is het niet zo dat hij ook tot ons heeft gesproken?’ De adressant van deze vragen ontbreekt. Mozes of Jhwh is het niet, want zij worden genoemd in de vragen. Het lijkt erop dat zus en broer tegen elkaar aan het mopperen zijn, of tegen het volk, en in dat laatste geval klinken de woorden als stemmingmakerij.

Heeft Jhwh niet alleen tot Mozes gesproken, en zich ook rechtstreeks tot Mirjam en Aäron gewend? We moeten als lezers Mirjam en Aäron vertrouwen op hun woord, want in het voorafgaande (in Exodus en Numeri) is er nergens sprake van dat Jhwh ook tot hen heeft gesproken.

De mens Mozes

Vers 1 lijkt ons – op basis van de grammatica – te vertellen dat Mirjam de voortrekker is van het bezwaar tegen Mozes als leider, ingebed in het bezwaar dat hij een Koesjitische vrouw heeft. Na deze vragen zegt de verteller, in twee eenvoudige woorden die spanning kunnen oproepen bij de lezer: ‘Jhwh luisterde’. Oei, als dat maar goed gaat. De verteller gaat verder in vers 3: De man Mozes was het meest bescheiden van alle man die op de aardbodem waren.

De vermelding Mozes kent vaak de bijstelling eved Jhwh, de dienaar van Jhwh. Hier staat ‘de man’, met de vermelding ‘alle man’ (mikol haa’aadaam) die op ‘de aardbodem’ (haa’adaamaah) waren. Mozes wordt neergezet als menselijk als iedereen, daarenboven ook nog eens als zeer bescheiden. De verteller lijkt hiermee commentaar te geven op de verwijtende vragen van Mirjam en Aäron. Wie wil je nou wat verwijten? Deze mens, deze bescheiden man! En dan komt Jhwh in actie. Hij roept alle drie op naar de tent der samenkomst te komen. Hij gaat er zelf heen in een wolkkolom, en roept Aäron en Mirjam naar buiten. Mozes blijft blijkbaar in de tent. God spreekt eerst in algemene termen over zijn manier van doen met profeten. Hij maakt contact met hen via visioenen en dromen.

Hij heeft net 70 oudsten aangesteld als medeleiders over het volk door zijn geest over hen te laten komen, opdat Mozes niet alles in zijn eentje hoefde te doen. Bij die gelegenheid profeteerden die 70 eenmalig (Numeri 11,25). Dan zoomt Jhwh in op zijn contact met ‘mijn dienaar Mozes’. Hij spreekt rechtstreeks met hem, dus niet zoals met profeten. Dat hij dat doet, had Mirjam en Aäron met ontzag voor Mozes moeten vervullen (‘Waarom waren jullie dan niet bang om te spreken tot mijn dienaar, tot Mozes?’, vers 9). Ze hebben geen respect betoond aan hem.

Wit als sneeuw

Zodra de wolk weg is (en Jhwh daarmee ook), blijkt Mirjams huid als sneeuw te zijn. Nog voor Aäron dit gezien heeft, hoort de lezer dit (‘En zie! Mirjam heeft een huidziekte als sneeuw’), dan draait Aäron zich om ‘en zie! Een huidziekte!’ (vers 10). In vers 12 wordt deze ziekte nog eens breed en beeldend uitgemeten. Mirjam is ‘als dood door een huidziekte sinds de moederschoot, met half weggegeten vlees’.

Er valt een aantal zaken te zeggen over deze zinnen. Ten eerste dat de ziekte hier een straf is, en wel een straf met sociale gevolgen: een huidaandoening zorgt voor onreinheid van de drager ervan, en die onreinheid is de reden dat de drager buiten de gemeenschap moet worden geplaatst (Leviticus 13–14). Mirjam zal van het centrum van de macht (zuster van de leider) over de grens van de groep moeten worden gebracht (weg van alle sociale contacten wegens besmettingsgevaar). De woorden ‘huidziekte als sneeuw’ en de verwijzing naar de moederschoot doen denken aan Psalm 51 (vers 7: ‘Ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen’; vers 9: ‘Was mij en ik word witter dan sneeuw’). De huidziekte is wit als sneeuw, wie van zonde wordt gereinigd wordt witter dan sneeuw.

Mirjam is in de zichtbaarheid van haar zonde (als een ‘sneeuwwitje’) de tegenpool geworden van de Koesjitische, die zwart is.

In quarantaine

Aäron begint te spreken tot zijn broer Mozes, alsof die persoonlijk heeft gezorgd voor de straf van God. Hoewel alleen Mirjam is getroffen door de straf van huidvraat, betrekt Aäron hen beiden in zijn smeekbede. Ook trekt hij meteen het boetekleed aan door te zeggen dat ze zich belachelijk gemaakt hebben. ‘Leg toch niet op ons de zonde die wij zo belachelijk gedaan hebben’.

Mozes trekt zich de woorden van Aäron aan en wendt zich huilend tot God. Hij heeft een eenvoudige bede: ‘Ach God, genees haar toch’. Mozes geeft geen argumentatie, hij onderhandelt niet, hij noemt niet hun familierelatie als verzachtende omstandigheid. Hij smeekt in tranen om Mirjam weer gezond te maken. Jhwh spreekt vervolgens tot Mozes en vergelijkt de huidvraat die Mirjam getroffen heeft met het bespugen van haar gezicht door haar vader (hij haalt wel een familie relatie aan), een daad die leidt tot zeven dagen vernedering. De straf die Mirjam heeft gekregen staat in dit teken van gebrek aan respect dat zij heeft betoond jegens God. De retorische vragen die zij en haar broer stelden, heeft God opgevat als kritiek op zijn handelen. Mirjams straf wordt na Mozes’ smeekbede gelimiteerd, en ze krijgt zeven dagen quarantaine. Tot drie keer toe wordt de termijn herhaald: zeven dagen als vernedering na bespuging, zeven dagen buiten het kamp als eis, zeven dagen uitsluiting als oordeel. Het is onduidelijk of de huidvraat in die zeven dagen verdwijnt, of dat de huidvraat meteen verdwijnt en nog zeven dagen afzondering nodig is (zoals Numeri 19 voorschrijft). Alleen Mirjam wordt gestraft, terwijl Aäron toch zo duidelijk heeft gezegd dat zij beiden verantwoordelijk waren voor de uitspraak die het gezag van Mozes ondermijnt. Het eenzijdige karakter van deze bestraffing blijft onuitgesproken en wordt niet ter discussie gesteld.

Het feit dat Aäron niet gestraft wordt op dezelfde wijze als Mirjam, zou als achtergrond kunnen hebben dat het voor een priester (want dat is Aäron) een veel grotere impact heeft onrein te worden dan voor een niet-priester. Een priester dient te allen tijde rein te zijn om zijn cultische werkzaamheden te kunnen uitvoeren (Leviticus 21–22). De impact van een zevendaagse uitsluiting zou in het geval van Aäron langer en zwaarder zijn dan die zeven dagen. Eenzelfde strafmaat zou voor hen beiden dus verschillend uitpakken. Voor Mirjam is het een vernedering van zeven dagen, voor Aäron is haar straf een waarschuwing aan zijn eigen adres.

Het volk wacht tot Mirjam weer terug mag komen, en trekt dan verder. Alsof er niets gebeurd is.

De twee broers en een zus vormen een leidend trio, met drie leidersrollen: priester, profeet en koning.

Priester, profeet, koning

Zo weinig als Mirjam wordt genoemd in de uittochtsverhalen, zo frequent is Aäron aanwezig. In feite vanaf het begin van de uittocht, als woordvoerder namens Mozes, die niet durfde tegenover farao. De plaats van Aäron lijkt die van ‘naaste’ te zijn, of de man in de schaduw: hij staat naast Mozes, bij het protest om het leiderschap staat hij naast Mirjam. Als hij zelf initiatief neemt, gaat het mis (namelijk met het gouden kalf). Hij kan zich beter ten dienste van een ander opstellen.

De twee broers en de ene zus vormen gezamenlijk een leidend trio, een complementair geheel met de drie leidersrollen die in de Bijbel zijn te onderscheiden: priester, profeet, koning. Er is een cultische leider, die de ceremoniën onder zijn hoede heeft. Er is een profetisch leider, die aangeeft wat het volk moet doen en laten om volgens de richtlijnen van Jhwh te leven. En er is de bestuurlijk leider, het hoofd van de samenleving. De familie vervult deze drie rollen in de personages van respectievelijk Aäron, Mirjam en Mozes. Mozes is de door Jhwh aangewezen leider (Exodus 3 en 4). Mirjam is profetes (Exodus 15,20). Zij leidt de overwinningsdans en zingt met andere vrouwen het refrein als de Egyptenaren met paarden en wagens in de zee zijn verdronken. Zij wordt hier ‘profetes en zuster van Aäron’ genoemd, niet (ook) zuster van Mozes. Mirjam en Aäron worden hier met z’n tweeën genoemd, overigens zonder dat Aäron hier een rol speelt. (Mozes wel, die heeft even daarvoor een lied gezongen met ‘heel Israel’). Aäron is de priester, aangesteld door Jhwh, in wiens dienst de Levieten staan.

Wat is er nu feitelijk gebeurd?

In Numeri 12 lijken de profeet en de priester de positie van de volksleider (de ‘koning’ avant la lettre) te bekritiseren. Na ingrijpen door Jhwh wordt deze kritiek gesmoord en wordt de orde hersteld. De drie blijven elk in hun eigen rol, het volk trekt verder. Alsof er niets gebeurd is.

Heeft deze episode dan geen enkel nut? Is er geen effect van de kleine, neergeslagen familieopstand?

De episode staat tussen twee andere verhalen in. In Numeri 11 klaagt Mozes dat het hem te veel wordt in zijn eentje het opstandige volk te leiden, en dat God hem maar moet laten sterven (11,10-15). Mozes kan een potje breken bij Jhwh: God wordt niet kwaad, integendeel. Hij geeft Mozes hulp via de 70 oudsten. In Numeri 13 en 14 weigert het volk het beloofde land in te trekken, waarop Jhwh de toegang tot dit land ontzegt voor de hele generatie volwassenen van dat moment. Inclusief hun leiders (op Kaleb en Jozua na).

Het verhaal over de opstandige broer en zus staat tussen twee verhalen van het opstandige volk in, en benadrukt de band die er is tussen Jhwh en Mozes. Daar komt geen volk, geen zus en geen broer tussen. En er valt ook niet mee te spotten.

Het is een hoofdstuk dat een kleine geschiedenis verhaalt, die de relatie tussen Mozes en Jhwh eventjes iets dikker aanzet, en de familie-leiding opnieuw in het zadel zet in de rollen van profeet, priester en ‘koning’. Op weg naar het land dat zij nooit zullen betreden.

Naschrift

Alle drie zullen ze het beloofde land niet intrekken. Op de drempel van de nieuwe toekomst blijven ze achter.

Mirjam sterft in Kades: ‘In de eerste maand kwamen de Israëlieten, het hele volk, in de woestijn van Sin, en ze bleven lang in Kades. Mirjam stierf daar en werd er begraven’ (Numeri 20,1).

Aäron sterft op de berg Hor, op een moment dat Jhwh had bepaald: ‘Toen ging de priester Aäron op bevel van Jhwh de berg op, en hij stierf daar, op de Hor, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand’ (Numeri 20,28). Aäron mocht het Beloofde Land niet binnentreden als straf voor de ongehoorzaamheid van het volk bij Meriba (Numeri 20).

Mozes sterft nadat Jhwh hem het beloofde land heeft laten zien (Deuteronomium 34,1-8). God begraaft hem persoonlijk, ergens: ‘Zo stierf Mozes, de dienaar van Jhwh, daar in Moab, zoals Jhwh gezegd had. En Jhwh begroef hem in een vallei in Moab, tegenover Bet-Peor. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn graf is’.

Literatuur

• K. Doob Sakenfeld, “Numeri,” in Met eigen ogen: Commentaar op de Bijbel vanuit het perspectief van vrouwen, red C.A. Newson en S.H. Ringe (Zoetermeer: Meinema 1995), 79-86.

• C. d. Heyer en P. Schelling, “Huid,” in Symbolen in de Bijbel: Woorden en hun betekenis (2e druk) (Zoetermeer: Meinema 2000), 210-212.

• U. Rapp, “Das Buch Numeri: Grenzwanderungen,” in Kompendium Feministische Bibelauslegung, red L. Schotroff en M.-T. Wacker (2. korrigierte Auflage ed., pp. 54-66). (Gütersloh: Chr. Kaiser/Gütersloher Verlagshaus 1999).

< Terug