< Terug

Wie niet tegen u is, is vóór u

Bij 1 Koningen 19,19-21 en Lucas 9,51-62

In Lucas’ getuigenis zijn we aanbeland bij het moment waarop Jezus zijn weg naar Jeruzalem gaat. Maar daar gaat wel wat aan vooraf. Er is de gedaanteverandering op de berg waar Mozes en Elia zich bij Jezus voegen en spreken over zijn heengaan (Gr.: exodos), over zijn voleinding in Jeruzalem (9,28-36).

Hij spreekt daar met die twee grote figuren uit Tenach, van wie er van één staat geschreven dat hij weliswaar begraven is, maar dat men zijn graf niet weet te vinden, en van de ander wordt getuigd dat hij ten hemel werd opgenomen. Wanneer de vrouwen, en in hun kielzog de leerlingen bij het graf van Jezus aankomen, zal het leeg blijken te zijn!

Daarnaast gaat er een lijdensvoorspelling, de tweede bij Lucas, aan de perikoop van deze zondag vooraf, en de vraag wie van hen de belangrijkste (Gr.: meizoon = grootste) is. Een twistgesprek dat door Jezus wordt beëindigd door een kind in hun midden te zetten en te zeggen: ‘Wie een kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft. Want wie onder u allen de minste is, die is groot’ (9,43b-48).

Alles loslaten

Als we deze Lucasteksten al kennen, kennen we ze meestal niet uit het jaar waarin we Lucas lezen. We kennen ze van de andere jaren van het leesrooster en van andere evangelisten, en dus slaan we ze vaak over. Toch denk ik dat het voorgaande mede licht werpt op de tekst van deze zondag. Het hele verhaal staat in het teken van loslaten, opgeven ter wille van Gods Koninkrijk. Dat rijk waarin de machtigen het afleggen tegen de kleinen, de rijken met lege handen staan en de armen met goederen worden overladen. Daarvoor word je geacht je in te zetten met alles wat je hebt.

De weg die Jezus naar Jeruzalem zal gaan, loopt uit op een catastrofe, een mislukking, maar kennelijk is dat de moeite waard. De inzet van mensen voor een rijk van vrede en gerechtigheid houdt niet op bij de zorg voor eigen have en goed. Daarom spreekt Jezus met Elia en Mozes over zijn heengaan, zijn exodos. Daarom spreekt Hij over zijn lijden, en plaatst Hij het kind in het midden. Niet jouw positie is belangrijk, maar de nieuwe toekomst. Het kind, de belichaming van, de metafoor voor dat wat komende is.

Ter wille van de toekomst

‘Wie een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op’ (9,48). Wie dat doet, kiest voor de nieuwe toekomst; die mag, ook na Jezus’ exodos, zien dat het verhaal in wat anderen doen verdergaat. Hij spreekt over zijn lijden en dood, maar daarmee houdt het verhaal niet op, het gaat door. Zoals de Wet, door Mozes gegeven, nog altijd wordt doorverteld, zoals er nog altijd gewacht wordt op de komst van Elia en men dus bij de seidermaaltijd een plaats voor hem vrijhoudt, zo zal het ook gaan met Jezus’ woorden. Er zullen er zijn die na Hem komen, die de woorden spreken en doen. We kunnen hierbij denken aan het verhaal van de Emmaüsgangers (Luc. 24,13-35).

En ook jíj kunt het. Maar dan moet je het wel kunnen opbrengen om, zoals die Ene dat deed, die keuze ‘vastberaden’ te maken. Een radicale keuze dus, die voorbijgaat aan alle beslommeringen en belangen die je compleet in beslag kunnen nemen. Het wordt in nogal heftige beelden neergezet. Geen tijd om je vader te begraven, laat de doden de doden (9,59-60). Aan de doden zelf hoef je geen aandacht meer te besteden. Dat valt misschien nog te begrijpen, maar geen afscheid mogen nemen van je familie… Het klinkt inderdaad allemaal heel heftig. En misschien doet Lucas dat wel omdat juist in zijn tijd, waarin christenen in de synagoge niet meer welkom waren, waarin je in het Romeinse Rijk geen christen mocht zijn, ook moest weten dat het een keuze was die geen weg terug kende.

Geen weg terug

Wanneer je eenmaal de hand aan de ploeg slaat, dan is die weg terug er niet meer, en dan moet je ook niet omkijken (9,62). Niet blijven stilstaan bij wat je hebt achtergelaten en wat je toch wel aan het hart gaat. De keuze die je maakt móést in die tijd wel een radicale zijn. Hier zien we de overeenkomst met de lezing uit het eerste boek Koningen, waar het de roeping van Elisa betreft.

Stonden mensen in de tijd waarin deze verhalen werden opgeschreven voor keuzes die verstrekkende gevolgen hadden voor hen, voor hun verhoudingen met hun familie en hun hele sociale omgeving, zo’n urgentie is er in onze dagen niet, zou je kunnen denken. Niettemin kunnen ook wij vandaag de dag voor keuzes komen te staan die wij als moeilijk ervaren. En dan kunnen ook wíj soms ontdekken dat onze eigen veiligheid, onze eigen bevoorrechte posities, onze eigen have en goed ons al te zeer aan ons hart gebakken zitten. Het bepalen van een standpunt, bijvoorbeeld ten aanzien van de wijze waarop vluchtelingen opgevangen worden, is voor mensen soms ongemakkelijk. Ook omdat je zelf vaak wel weet waar je wilt gaan staan, maar er soms druk is vanuit de omgeving om je aan te passen aan een algemeen geldende moraal, aan algemeen aanvaarde opvattingen. Ook dan kun je in een positie komen waarin het verleidelijk is om je gedeisd te houden, om niet duidelijk te kiezen. Maar wanneer we dat doen, dan draaien we de woorden van deze zondag in hun tegendeel. Wie niet vóór ons is, is tegen ons (vgl. 9,50). En dat kan nooit de bedoeling zijn.

Bij 1 Koningen 19:19-21 en Lucas 9:51-62

< Terug