< Terug

‘Wijk van het kwade en doe het goede’

4e zondag van Epifanie (Sefanja 2:3 en 3:9-13, Psalmen 37:1-11 en Matteüs 5:1-12)

Sefanja is een boek vol van Gods oordeel, teleurstelling en boosheid over onrecht. Een opstandige, bezoedelde, gewelddadige stad die niet luistert, niet op God gericht is, leiders die als brullende leeuwen rondgaan en rechters die als wolven mensen tot prooi maken, gewetenloze bedriegers die zich als profeten voordoen en priesters die wat heilig is ontwijden en de wet geweld aan doen. Heel Sefanja, tot aan het gedeelte dat voor deze zondag op het leesrooster staat, is er vol van.

Verontwaardiging, oordeel, vol van hoe het niet moet, van wat God verdrietig maakt en boos. Vol van het contrast met wat God wél is: rechtvaardig, en wél wil: geen onrecht doen, maar rechtspreken. Een God die erop uit is omkeer te brengen, wiens belofte is dat er een eind aan komt, dat er een tijd zal komen waarin armen en zwakken een toevlucht zullen vinden, er niet langer onrecht zal worden gedaan, en leugens tot het verleden behoren en er rustig geweid kan worden. Om het plaatje compleet te krijgen, zou eigenlijk heel hoofdstuk 3 gelezen of in de prediking betrokken moeten worden, vanwege het contrast van de diepe teleurstelling aan het begin en de vreugde aan het eind. Woorden die de diepte van Gods emotie als het verkeerd gaat én als het goed gaat prachtig weergeven. Met in het midden de tekst die op het rooster staat. Ik zal het doen, zegt God, Ik zal verandering brengen, en dan zal er vreugde zijn, niet alleen in de hemel, maar ook op aarde.

Te midden van wolven en leeuwen

Wie de Bergrede tegen die achtergrond leest, komt binnen waar Jezus begonnen is: bij de wet en de profeten, het oude liedje van Gods verlangen naar een wereld, naar leiders, naar mensen die recht leven, een maatschappij waar zorg voor armen en zwakken, de minsten, de kwetsbaren hoge prioriteit heeft. Er is weinig verbeelding voor nodig om ons in te leven in de wereld die Sefanja beschrijft. Machtsmisbruik, onrecht, geweld, leugens en ontheiliging zijn zelfs in de kerk aan de orde van de dag. We leven in een wereld waar de wolven en leeuwen, arrogantie en geweld meer lijken te lonen dan een leven gericht op God en naar Gods wetten. En dat was niet anders in Jezus’ tijd, of in de tijd waarin Matteüs zijn evangelie vormgeeft. Integendeel! In die context begint Jezus in Matteüs zijn Bergrede met explosieve, paradoxale, tegendraadse woorden. Gelukkig de nederigen, gelukkig de treurenden, gelukkig de zachtmoedigen, gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, gelukkig de barmhartigen, gelukkig wie zuiver van hart zijn, gelukkig de vredestichters, gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden – want het Koninkrijk van de hemel is voor hen. Negen ‘zaligsprekingen’, toezeggingen, vaststellingen, ingekaderd door een belofte: ‘Het Koninkrijk van de hemel is voor hen.’

Het Koninkrijk der hemelen

In een postkoloniale context is het goed om dat zinnetje wat aandacht te geven. Koninkrijk, koningen, macht en machthebbers, autoriteit zijn besmette begrippen geworden. Er is teveel gebeurd, er is teveel misgegaan wat kleeft aan die begrippen en verkeerde beelden oproept, bewust of vooral ook onbewust. Beelden van overheersing, onderdrukking, overweldiging en dwang. Beelden die bewust gemaakt moeten worden, voor ze omgekeerd kunnen worden en duidelijk kan worden dat dat niets te maken heeft met wat Jezus voor ogen heeft. Een Koninkrijk waar getroost wordt, waar de zachtmoedigen het land bezitten, waar honger en dorst naar gerechtigheid verzadigd wordt, waar de barmhartigen barmhartigheid ontmoeten, waar mensen een zuivere kijk op God hebben en vredestichters kinderen van God genoemd worden, waar ruim plaats is voor wie vervolgd worden.

Manifest van geluk

Aan het begin van de Bergrede, aan het begin van zijn openbare werken in de wereld, zien we Jezus zoals Mozes op de berg zittend als leraar, beginnen met een manifest, een vaststelling: Gelukkig wie nederig van hart is, gelukkig de treurenden, gelukkig de zachtmoedigen, gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, gelukkig de barmhartigen, gelukkig de zuiveren van hart, gelukkig de vredestichters, gelukkig wie vervolgd worden omdat ze Mij en waar Ik voor sta toegedaan zijn. Daar is God aanwezig, leeft God en wat van God is op, daar regeert God, buigt het bestaan zich naar God, daar verkeert woede en verontwaardiging over wat mensen wordt aangedaan in zegen. Geluk, God, is te vinden waar mensen naar troost, recht en barmhartigheid verlangen. God staat naast hen, deelt hun verlangen, blijft komen, blijft proberen en geeft niet op. Om omkeer te brengen, altijd maar weer met liefde en zorg, met recht en gerechtigheid te genezen, te herstellen, te weiden en rust te brengen. Dat is geen hoop, geen droom, niet eens een opdracht, maar een vaststelling, realiteit. Geluk is te vinden waar dat oude liedje van verlangen klinkt. Omdat het zich voegt in Gods lied, Gods verlangen en intentie voor mensen. Psalmen 37 sluit hier wonderwel bij aan. De belofte, het vertrouwen, de geloofszekerheid dat uiteindelijk God is waar het goede gedaan wordt (Psalmen 37:27), met de nederigen, zachtaardig en liefdevol. Dat daar te zijn, met God, geluk is, overvloed en vrede. Daar, waar het recht daagt als het morgenlicht en de gerechtigheid straalt als de middagzon (Psalmen 37:6).

Gelukkig de nederigen van hart, gelukkig de treurenden, gelukkig de zachtmoedigen, gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, gelukkig de barmhartigen, gelukkig wie zuiver zijn van hart, gelukkig de vredestichters en gelukkig wie vervolgd worden omdat ze Jezus voorbeeld volgen. Gelukkig, God staat niet alleen aan hun kant, God is actief aanwezig waar zij hun liedje van verlangen zingen, zij zijn met God en God is met hen. Een herder die zijn schapen weidt.

Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.

< Terug