< Terug

Woningcrisis: een herbezinning op het ‘Huis van God’?!

De huidige woningcrisis is veel meer dan de humane en materiële verschijningsvormen die daar doorgaans aan worden geplakt. Deze crisis, die zich wereldwijd ontvouwt, de crisis van het trekken naar de stad voor het vinden van emplooi, de crisis van het gebrek aan een dak boven het hoofd, de crisis van woningspeculatie voor individueel economisch gewin, daagt zelfs uit tot een herbezinning op het wezen van ‘missio dei’.

Het is noodzakelijker dan ooit om theologisch na te denken over de betekenis van het ‘thuis’, vooral in deze tijden van woningcrisis. Het aantal mensen dat geen fatsoenlijke huisvesting kan vinden, groeit gestaag en neemt schandalige vormen aan. Politici, economen en andere wetenschappers proberen dit fenomeen te duiden en oplossingen aan te dragen.

Als het gaat om ‘thuis’, dan valt er ook vanuit de theologie veel te zeggen. Wat betekent het om iemand ‘zich thuis te laten voelen’? Wat gebeurt er als we iets als thuis herkennen? Wat doet het met ons als we gastvrijheid ontmoeten?

Kunnen we ons voorstellen dat we door het geloof God tot gast op aarde maken? En uiteindelijk, wat betekent het dat God een thuis heeft, of beter: dat God ons tot zijn thuis maakt?

De urgentie heeft natuurlijk te maken met de steeds meer verstikkende situatie van de mensheid die elkaar op de planeet moet huisvesten, elkaar ruimte moet geven. Als de wereld, en alles wat zich daarin bevindt, vergeleken zou worden met een huis, moeten we toegeven dat het in brand staat. Wetenschappers van over de hele wereld zeggen hetzelfde: wij versnellen het uitsterven van duizenden soorten, waaronder de onze. Daarin ligt de meest dramatische urgentie. Ons eigen uitsterven staat op het spel.

Vele factoren liggen aan ‘ontheemd zijn’ ten grondslag. Klimaatverandering, natuurgeweld, hongersnood, oorlog, drugshandel of eenvoudigweg financiële speculatie is een ervaring die mensen heel persoonlijk raakt en tegelijkertijd een ervaring die steeds mondialer wordt. In bijna alle grote steden van de wereld groeit het gevoel dat het onleefbare, onbewoonbare plaatsen zijn. Het zijn plaatsen om door te reizen, plaatsen om te bezoeken.

Alexander Villamil Morea-van Berkum, Colombiaans-Nederlands theoloog en ethicus, schrijft vanuit wat hij als universeel erkend fundament van de ‘missio dei’ ziet, de korte en krachtige verklaring van Lucas in Handelingen 1:8: ‘Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ (NBV 21) Deze bijbelse afgrenzing, die concreet genoeg lijkt om te weten waar het bij de opdracht tot discipelschap om gaat, laat toch nog uitdagingen open. Die uitdaging ligt, volgens Alexander Morea, in een ander verstaan van de implicaties van de geografie, de politieke ruimte, de marges en de afbakening van deze zendingsopdracht. Een ander begrip van die beweging die begint in Jeruzalem, waar het thuis van God is, tot aan de einden der aarde, het menselijke thuis.

De beweging gaat door Judea en Samaria: waarom? Hij stelt dat deze twee streken van Gods volk een extrapolatie zijn, een splitsing, een parallellisme, een contrast met twee andere streken aan de andere kant van de Jordaan: Sodom en Gomorra. Voor Morea kan dit contrast alleen verklaard worden in het licht van een theologie van gastvrijheid, van thuis, van wonen bij God, een theologie die niets anders is dan vriendschap met God. Spreken en nadenken over zending kan niet zonder het te hebben over wat er gebeurde met die ruimte van de christelijke zending: het pinksterhuis waar God ons in beweging zet. Gastvrijheid is voor deze theoloog en ethicus hierin een cruciaal begrip.

De discipelen ontvingen met de Grote Opdracht de aansporing om op pad te gaan en discipelen te maken. Maar vandaag de dag zijn het niet de leerlingen die op pad zijn, maar de armsten onder de bevolking die worden gedwongen om rond te dwalen. Steden verworden tot lege ruimtes voor het genot van de toerist. Het is alsof het stadsleven beetje bij beetje een archeologisch motief wordt en in een levend museum moet worden veranderd.

Zowel de brandende planeet als de spookstad zijn horrorverhalen, bijna apocalyptische vertellingen van hetzelfde verhaal: de mensen ontzeggen elkaar de gemeenschappelijke gastvrijheid op deze planeet, en het leven van de stad. Wij bevinden ons op een moment in de geschiedenis waarop wij bereid zouden zijn de verstikking – en dus ook het uitsterven – van om het even welke diersoort, met inbegrip van mensen, te tolereren.

De geschiedenis lijkt met een bijzondere duizeling te leiden naar dat punt waar de evangeliën vertellen dat Maria bijna zou bevallen: ‘en in die dagen was er in Betlehem geen plaats om hen te ontvangen’. Tegelijkertijd geeft de situatie een sociaal beeld dat goed vergelijkbaar is met wat de schrijver van Genesis ons vertelt over Sodom en Gomorra. Niet voor niets vergelijkt Jezus zelf zijn eigen Jeruzalem, dat zelfs voor zijn eigen kinderen volkomen verstikt is, met wat hij noemt ‘de zonde van Sodom’. Zondigen tegen je eigen huis, de enige onherstelbare zonde.

Ondanks deze sombere context – degene die de Grote Opdracht uitspreekt is gekruisigd in zijn eigen stad en door zijn eigen volk – lijkt de Jezus van de Hemelvaart, de Verrezene, de mythe van het brandende huis te willen herschrijven. De logica wordt omgekeerd en straf wordt tot verlossing.

Het brandende huis van Lot

Als er een geografie van het kwaad zou zijn, zou die waarschijnlijk de coördinaten van Sodom en Gomorra hebben. Twee iconische namen om de grenzen van Gods geduld aan te geven. Eeuwenlang werd de straf van beide steden in verband gebracht met de perversie van de begeerte. Het woord sodomie werd gebruikt voor homoseksualiteit. Deze interpretatie staat ver af van de Joodse tekst. Kijkend naar de tekst en de cultuur die de tekst omringt, zal men concluderen dat de zonde van Sodom en Gomorra, de grief en de overtreding, te maken hebben met de overtreding van de gastvrijheid.

Een huis, een migrantengezin, Lot, zijn vrouw en dochters, verblijft daar en wordt bezocht door twee engelen van God na overleg met Abraham. God had besloten de inwoners te straffen, Abraham onderhandelt over een mate van verlossing door het vinden van rechtvaardigen. Als er zelfs geen tien rechtvaardigen gevonden kunnen worden, is Abrahams onderhandelingspoging mislukt en besluit God de steden te vernietigen.

Gezien de vertrouwdheid van Lot en Abraham, besluit God Lot en zijn gezin te redden en zendt daarom twee engelen om hem te waarschuwen en buiten de stad te brengen. Tijdens het bezoek verblijven de twee mannen in het huis van Lot en onmiddellijk eisen de inwoners van de stad dat Lot hen overdraagt aan de stad en hen aan publieke vernedering onderwerpt. Deze eis vindt plaats aan de poorten van het huis, die beven onder de pesterijen van de sodomieten en inwoners van Gomorra.

Lot tracht met de mannen te onderhandelen door hen zijn dochters aan te bieden, maar zij houden aan en dringen het huis binnen. Daar worden ze onmiddellijk getroffen door een blindheid die hen belet hun doel te bereiken. Intussen ontsnapt Lot met zijn vrouw en dochters naar een stadje in de buurt. Zo verlaten zij het huis om te vluchten voor Gods oordeel dat als vuur uit de hemel op de steden neerdaalde. Er was een extra waarschuwing voor Lot en zijn familie: niet omkijken. Lot en zijn gezin laten hun huis achter en terwijl de stad, inclusief hun huis, door vuur wordt vernietigd, zien zij daar niets van, tot ze veilig zijn. De vrouw van Lot negeert de waarschuwing, kijkt om en verandert in een zoutpilaar. Het verhaal eindigt met incest. De dochters van Lot voeren hun vader dronken en verleiden hem, om zo zwanger te raken.

Het brandende huis bij Lucas Sodom en Gomorra staan symbool voor het kwaad. Lucas vertelt in Handelingen 1 over een ander huis, dat zich in Jeruzalem bevindt en dat een plek van redding zal zijn: het huis van Pinksteren. Het is belangrijk stil te staan bij een detail in Jezus’ woorden aan zijn discipelen: het duo ‘Judea en Samaria’. In de Hebreeuwse poëzie werkt de samenvoeging van uitersten syntactisch, dat wil zeggen dat één betekenislaag wordt gevormd door tegengestelden samen te brengen. Zoals bij ‘hemel en aarde’, ‘man en vrouw’, ‘dag en nacht’, noord en zuid, oost en west’, zo ook bij ‘Sodom en Gomorra’ en ‘Judea en Samaria’. Twee tegengestelden worden in dezelfde betekenisregel geplaatst om iets te suggereren dat anders niet in één vers zou passen.

In het geval van Sodom en Gomorra, bijvoorbeeld, gaat het niet om slechts twee steden, maar om een gebied dat ten minste vijf steden omvatte die ook bekend stonden als de ‘steden van de vlakte’. Minsten vijf daarvan springen in het oog: Sodom, Gomorra, Adma, Zeboim en Zoar. Zij werden zelfs in verband gebracht met het Dal der Tuinen, ofwel het paradijs, de hof van Eden. Door ze in één adem te noemen, wordt een totaliteit uitgedrukt. Sodom en Gomorra worden dan, net als Judea en Samaria, niet alleen geografische plaatsen, maar ook mythische plaatsen, metaforen met een unieke theologische betekenis die het taalgebruik bepalen; in dit geval de een om te verwijzen naar de plaats van de niet-verloste, en de ander om een plaats voor verlossing aan te duiden. Tegenover het huis van Lot zet ik daarom het huis van Pinksteren waarover Lucas ons vertelt. Het huis waar de christelijke prediking begon.

In beide steden, in Sodom en in Jeruzalem is er een zelfde misdrijf gepleegd, men wil de gast vernederen. En in Jeruzalem hebben ze hem op de ergst mogelijke manier vernederd: ze hebben hem voor de ogen van iedereen laten bloeden en sterven. Ook is er in beide situaties een actieve deelname van de vrouwen: in het verhaal van Lot worden zijn dochters aangeboden in de plaats van de gasten en wordt zijn vrouw in een zoutpilaar veranderd; in het verhaal van Lucas zijn de vrouwen gastvrouw voor de discipelen en bemiddelen zij in gebed voor hen. Nu zijn de leerlingen bij elkaar in een huis. En net als het huis van Lot schudt ook dit huis op zijn grondvesten. De evangelist spreekt over ‘het volle huis’ of ‘het barstende huis’. In beide huizen is er vuur, alleen in het huis van Lot is het een teken van straf, terwijl dat in het huis van Lucas niet zo is.

Judea en Samaria waren regio’s die grote veranderingen ondergingen in de loop van de oude geografie. Het is moeilijk ze precies af te bakenen, hoewel ze wel met elkaar overeenkomen, gezien de voortdurende culturele wrijving. De Joden maakten aanspraak op hun politieke traditie op grond van de figuur van David, en ook op grond van hun poëzie – de Samaritanen maakten voor hun identiteit aanspraak op grond van de figuur van Mozes, en dus ook op grond van de voorrang van de teksten van de Wet boven die van de Davidische poëzie.

Zo beginnen de verschillen tussen de twee huizen. Terwijl rond het huis van Lot zijn schoonzonen spotten met de mogelijkheid van de vernietiging van Sodom en Gomorra, spotten de buren in het huis van Lucas als zij de discipelen het evangelie in verschillende talen horen spreken. In tegenstelling tot het verterende vuur dat op het huis van Lot viel, is het bij Lucas een communicerend vuur, in de vorm van tongen. Het is merkwaardig dat de letterlijke vertaling van de ‘steden van het dal’ juist ‘steden van de tong’ is. Terwijl het doel van de gasten van het huis van Lot was de steden te verwoesten, zoekt de vernederde gast van het huis van Lucas het tegenovergestelde. Hij wil Jeruzalem herstellen als het huis van God en van alle mensen.

De brandende missie

Ik heb deze twee bijbelse geografieën tegenover elkaar gezet om iets duidelijk te maken dat misschien voor de hand ligt: het gebrek aan gastvrijheid is in feite een teken van de eindtijd, wat ook de urgentie van de christelijke prediking impliceert. Er is moed voor nodig om de bittere waarheid te erkennen en te zeggen dat we ons moeten schamen, omdat we meer het comfort van de wereld zoeken dan haar bekering.

Als de huizencrisis in Nederland in theologisch opzicht iets zegt, dan is het wel dat zij niet alleen een gevolg is van de vrije markt en de hebzucht van de rijksten. In deze crisis kan ook doorklinken dat God ons roept om uit te gaan, om klaar te staan om te emigreren, om niet te klagen over de omstandigheden, maar om in een ander land en in een andere taal de liefde van God te spreken, om ons licht te bepakken en klaar te staan om te vertrekken zonder achterom te kijken.

Alexander Villamil Morea-van Berkum is Colombiaans-Nederlands theoloog en ethicus en redactielid van TussenRuimte.

< Terug