< Terug

‘Youth ministry’: praktijken van hoop?!

Youth ministry aan jonge mensen in Nederland die gelukkig zijn, maar ook kwetsbaar en angstig, vraagt om een rijke theologie, waarin aandacht wordt gegeven aan groei- en bloeimogelijkheden, en aan hoop te midden van wanhoop. Pedagogiek en theologie spreken hierin een eigen woordje mee. Dit artikel beschrijft en doordenkt mogelijkheden, criteria en spanningsvelden.

Statistieken laten al jaren zien, dat er steeds minder jongeren bij de kerk betrokken zijn (zie hiervoor ook de bijdragen van De Hart en Sengers in dit nummer) en tegelijkertijd zijn er vele jongeren wel bij de kerk en/of bij christelijke praktijken betrokken. Die jonge mensen moeten we niet allereerst bezien vanuit wie er niet is, maar vanuit wie zij zijn, en hoe de kerk voor hen van betekenis kan zijn.

Deze bijdrage wil richting wijzen aangaande youth ministry in relatie tot hoop. Onder youth ministry versta ik, in aansluiting op de omschrijving van Senter (2001, xi), de momenten en reflecties in en vanuit kerken waarin de dienst aan God, de gelovigen, en de wereld, expliciet wordt verbonden met kinderen en jongeren. Voor youth ministry is kennis van en verdieping in de leef- en belevingswereld van jonge mensen noodzakelijk.

De vraag die dit artikel beantwoordt is: ‘Omvat hedendaags youth ministry praktijken van hoop?’ Het gaat er niet om dat ik nu één antwoord formuleer op deze vraag. Dat kan niet, want de situaties verschillen en ook kinderen en jongeren verschillen. Een grote kerk in Amersfoort verschilt van een dorpskerk in Drenthe, en ‘ergens jeugd’ – sterk verbonden met de plek waar ze opgroeien – heeft een ander profiel, dan ‘overal jeugd’ die de mogelijkheden vooral elders ziet (zie voor dit onderscheid Goodhart 2017 en het rapport over jeugdtrends door MissieNederland 2018). Eén antwoord valt dus niet te geven. Wel zijn er criteria en spanningsvelden te formuleren. Na een omschrijving van hoop in relatie tot de leefen belevingswereld van jonge mensen, worden drie criteria voor youth ministry geformuleerd, gevolgd door twee aanwezige spanningsvelden.

Hoop

Je kunt nauwelijks over kinderen, jongeren, pedagogiek, youth ministry en religious education spreken zonder het over hoop te hebben. In de jaren tachtig van de vorige eeuw sprak de bekende pedagoge Dasberg (1980) in haar inaugurele rede over een ‘pedagogiek van de hoop’. De remedie tegen het cultuurpessimisme dat ze om zich heen zag, behelsde volgens haar een toekomstgerichte pedagogiek. Daaronder verstaat zij een pedagogiek die kinderen en jongeren perspectief geeft en die uitgaat van groeimogelijkheden. Theoloog Roebben schreef in 2007 een boek Godsdienstpedagogiek van de hoop waarin het transcendente ‘uiteindelijkheidsperspectief’ een centrale notie is. Ook schreef hij over hoop in relatie tot de onderwijspraktijk (2017).

Pedagoog De Winter hield zijn afscheidsrede in 2017 over ‘Pedagogiek over hoop’. Hij vraagt zich af of de hedendaagse pedagogiek een vakgebied is dat hoop aanreikt. Is het niet te individueel en te klinisch geworden? De Winter betoogt dat hoop te maken heeft met ‘verwachtingen die mensen hebben dat bepaalde gebeurtenissen zullen plaatsvinden of dat een gewenste verandering gaat optreden’ (2017). Hij verbindt hieraan ook de inspanningskracht van mensen om een doel te bereiken. Hij onderscheidt dit van optimisme dat volgens hem meer om algemene verwachtingen gaat.

Nu is hoop natuurlijk ook een prachtig theologisch concept. Theologisch gezien ligt de bron van hoop niet alleen in ons, maar ook buiten ons. Dan gaat het bij hoop niet alleen om eigen inspanningen, maar ook om ‘wat van elders komt’, om wat Roebben noemt, ruimte bieden aan het transcendente in een ‘uiteindelijkheidsperspectief’.

Ik vat hoop in dit artikel op als een op verwachtingsvolle wijze omgaan met mogelijkheden en onmogelijkheden die in de (nabije) toekomst liggen. Waarbij de verwachting gevoed kan worden door verschillende bronnen, onder meer een levensbeschouwelijke bron. Hoop gaat daarbij niet alleen over verwachting van verbetering of verandering van de situatie, hoewel dat natuurlijk wel vaak het geval is, maar het kan ook gaan over hoop op bijvoorbeeld bevestiging van de gemaakte keuze. Woorden toegeschreven aan schrijver en voormalig president van Tsjecho-Slowakije V. Havel, omschrijven hoop als volgt:

Hoop is niet hetzelfde als optimisme.

Evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen.

Wel de zekerheid dat iets zinvol is ongeacht de afloop, of het resultaat.

In het leven van kinderen en jongeren staat veel in het teken van groei, van ontwikkelen en van verlangen. Te denken valt onder meer aan keuzes die gemaakt moeten worden rond vervolgonderwijs, vormgeven aan relaties, taalontwikkeling, of juist omgaan met stagnatie van een bepaalde ontwikkeling. De toekomst en de mogelijkheden of juist de onmogelijkheden in de toekomst zijn steeds aanwezig in hun levens. Kinderen en jongeren ontwikkelen zich, ook als het soms maar om kleine stapjes gaat, omdat er groeimogelijkheden zijn, omdat er hoop is.

Dubbel beeld

Nu komt er, als het over hoop in het leven van jonge mensen gaat, uit onderzoeken een dubbel beeld naar voren. Enerzijds is dat het beeld dat jongeren uit generatie Z, geboren vanaf 2000 of nog wat breder jonge mensen uit Generatie Y/Einstein/Grenzeloos, geboren na 1985 en opgegroeid in een digitale wereld, het in Nederland over het algemeen goed hebben. Scholing en medische zorg is voor de meesten toegankelijk, en we leven in een relatief veilig land.

Onderzoek van Unicef uit 2012 geeft aan dat van de kinderen in Europa Nederlandse kinderen het gelukkigst zijn. Het rapport vergelijkt het welzijn van kinderen in 29 OESO-landen aan de hand van 26 indicatoren die geclusterd zijn rondom de onderwerpen: armoede, gezondheid en veiligheid, onderwijs, (risicovol) gedrag, huisvesting en omgeving. Dit beeld van gelukkige Nederlandse kinderen komt ook naar voren uit het onderzoek van HBSC in 2017.

Naast de vele mogelijkheden die veel kinderen en jongeren in Nederland hebben, zijn er echter ook serieuze angsten en beperkingen. Het onderzoek van HBSC 2017 laat zien dat de schoolen prestatiedruk toeneemt. En een onderzoek van het CBS – Landelijke Jeugdmonitor uit 2017 bevestigt dit beeld. Winter (2017) legt er de vinger bij dat de velerlei labels die kinderen en jongeren tegenwoordig krijgen – psychologisch, medisch, economisch et cetera – niet alleen goed doen. Ze kunnen kinderen opsluiten in hun tekortkoming.

Tevens voelen veel jongeren, meer dan ouderen, zich onveilig, schrijft De Graaf (2017, 28). Zij beroept zich daarvoor op CBS – Veiligheidsmonitor onderzoek (2016) en Ghauharali & Doornebos (2015).

‘Ongeveer 25% van de 65-plussers geeft aan zich wel eens onveilig te voelen. Dat percentage is relatief laag als je het vergelijkt met dat van de gehele bevolking van 15 jaar en ouder, van wie ruim 33% zich wel eens onveilig waant. Als het gaat om onveiligheidsgevoelens spannen jongeren met ruim 40% echter de kroon’ (Ghauharali & Dorenbos 2015).

Ook beladen thema’s als klimaat, gebroken gezinnen en afwezigheid van ouders spelen een rol in de leef- en belevingswereld van jonge mensen. Wat betekent deze dubbele boodschap van jongeren die gelukkig zijn aan de ene kant, en de angsten en beperkingen die er zijn aan de andere kant voor youth ministry?

Criteria voor hoopvolle youth ministry

Ik bespreek drie criteria die mijns inziens nodig zijn voor youth ministry als praktijk van hoop. Allereerst, het hebben van een theologisch kader. Dit betekent dat je eigen inspanningen voor een betere wereld er toe doen, maar dat je tegelijkertijd met een geestelijk oog verder kijkt dan het hier en nu en je eigen kunnen. Ten tweede, het integreren van meerdere theologische noties biedt enerzijds perspectief bij weerstand, angst et cetera, en anderzijds bij ontwikkelingen en geschonken mogelijkheden. Ten derde, het participeren in een gemeenschap, iets wat een fundamenteel aspect van kerk-zijn is.

Theologisch kader

Roebben spreekt kritisch over de tendens die hij ‘pedagogische wilssterkte’ noemt. Daaronder verstaat hij een pedagogisch vooruitgangsgeloof in de zin van ‘met wat aangepaste pedagogische en didactische modellen is alles wel op te lossen’ (2017, 59). Hij vraagt naar het geestelijk draagvlak bij ons opvoeden en de ruimte voor kwetsbaarheid. Zijn streven is om pedagogische inspanningen op te nemen en te herinterpreteren in een theologisch kader. Zo krijgt bijvoorbeeld de morele opvoedingscompetentie om niet je eigen kwetsuren op je kinderen te projecteren, als theologisch kader: de ervaring dat mensen uiteindelijk niet alles zelf hoeven te dragen. Het gaat om een geloven in een dragende grond voor het bestaan (2007, 75-76). En hij bespreekt de ‘over-pedagogisering’ van opvoeding en onderwijs in het kader van een gebrek aan eschatologisch perspectief. Daarmee bedoelt hij dat mensen niet durven loslaten en hun kinderen niet zien als ‘volwaardige deelnemers aan de samenleving van morgen’ (2007, 68-69). Roebben pleit voor theologische voeding in de godsdienstpedagogiek. Dat pleidooi neem ik over voor youth ministry.

Theologische noties integreren

Hoop wordt vaak gethematiseerd in de context van lijden. De weerbarstigheid van het leven wordt opengebroken door flarden van hoop. Het theologisch plaatsen van een bespreking van hoop in de context van lijden en schuld ligt voor de hand. Dit is ook een belangrijke bijbels-theologische lijn. Hoop komt in de Bijbel naar voren in een weerbarstige context van lijden, onrecht, deportatie, onderdrukking, dood. Er wordt een flard van hoop geboden. Er wordt – van Godswege – een belofte gedaan waarin het perspectief ontstaat dat verandering mogelijk is en komt. Het kruis van Christus is wereldwijd symbool van hoop, juist omdat bij dit kruis ook de opstanding hoort. Het biedt mensen perspectief te midden van de wanhoop.

De pedagogiek van de hoop waar bijvoorbeeld Dasberg over spreekt, gaat echter ook over groei en ontwikkelingen van jonge mensen. Ook die elementen van ontwikkeling en groei dienen in het theologische kader doordacht te worden. Het leven van kinderen en jongeren is vaak weerbarstig en het is mooi. Er is veel lijden in jonge levens en er zijn vaak ook grote verwachtingen aangaande de toekomst. Wat hópen jonge mensen op ontwikkeling, relaties, verdieping, groeiend geloof, en al wat meer zij.

We hebben in youth ministry ook theologische noties nodig die uitdrukking geven aan groei, aan mogelijkheden en ontwikkeling. Bijbels-theologisch gesproken kan hoop verbonden worden met je talenten ontwikkelen en ervan genieten; dat je groeit in wijsheid, ontzag voor God en vertrouwdheid met de Heilige en ga zo maar door. Al deze accenten laten zich niet in één theologisch concept vangen. Het heeft te maken met schepping en met verlossing. Waar het mij nu om gaat is, dat als youth ministry een praktijk van hoop wil zijn, er verschillende theologische toonsoorten nodig zijn om jonge mensen te helpen om zichzelf te leren verstaan als mensen met hoop en mensen die leven coram Deo.

Die diversiteit aan toonsoorten dient in concrete praktijken tot uitdrukking te komen. Als kinderen in de Kliederkerk druk bezig zijn met spelletjes met appels, omdat het verhaal klonk over de vrucht die van de boom des levens in het paradijs werd gegeten, maar er wordt geen existentiële aandacht gevraagd voor het weerbarstige en het mooie van het leven en samenleven met elkaar en met God, dan gaat er iets mis. Er gaat ook wat mis, als je jongeren enkel het gevoel geeft dat dingen gaan zoals ze gaan. Dan krijgt hoop geen kans. Hoop is een glimp van licht, die door de scheuren heen komt. En hoop raakt de mogelijkheden, groei, en ontwikkeling die schuilt in het leven van jonge mensen.

Participeren in een gemeenschap

Het derde criterium heeft te maken met de gemeenschap. In het doordenken van ‘the philosophy and practice of hope’ gaat filosoof Fishman (2007), en De Winter (2017) citeert hem, te rade bij de bekende filosoof, psycholoog en pedagoog Dewey. Fishman interpreteert Dewey in relatie tot de praktijk van hoop als volgt: de kans dat je hoop wordt bewaarheid wordt groter in coöperatie met anderen. Dewey geeft aan dat het gaat om groeien en om met elkaar te proberen boven jezelf uit te stijgen.

‘Dat ‘met elkaar boven jezelf uitstijgen’ zou je een funderend principe voor hoop kunnen noemen, aldus De Winter’ (2017).

Ook rabbi Robins verbindt hoop en gemeenschap (2016, 131; geciteerd door Mercer 2016, 196). Zij beargumenteert dat hoop afhankelijk is van de gemeenschap en niet van het individu. Relaties zijn de enige plekken van hulp en hoop. Hoop is zo een levenswijze gebaseerd op de gemeenschap. Het boven jezelf uitstijgen ligt voor Dewey binnen de sociale context van mensen. Hij houdt zich verre van metafysische claims.

Over de christelijke gemeenschap als bron van hoop valt ook vanuit theologisch perspectief veel te zeggen. De gemeenschap als een plek van hulp en hoop. Kenmerkend voor een christelijke gemeente is de verbinding in en door de doop. De doop is niet alleen de hoopvolle weg voor mensen door de dood naar het leven, het is ook de doop waardoor de dopeling wordt opgenomen in de gemeente van Christus.

Er is in onze tijd ruimschoots aandacht voor de gemeenschap, onder meer in de sociale pedagogiek, waar De Winter zich toe rekent, komt dit tot uitdrukking, bijvoorbeeld in een begrip als ‘shared agency’ waar deze pedagogiek aandacht voor vraagt (De Winter 2017). Deze nadruk op gemeenschap is er wellicht als reactie op alle individualiseringstendensen in de tweede helft van de 20e eeuw en in aansluiting bij de netwerkende mens.

De nadruk op gemeenschap blijkt ook uit centrale concepten in youth ministry in de 21e eeuw. ‘Relational youth ministry’ (Root 2007), ‘being together’ (Van Wijnen 2016), ‘de meester-gezel-benadering’ (De Kock 2014), de nadruk op intergenerationeel jeugdwerk die Van Leersum-Bekebrede analyseert in haar studie naar kinderen en liturgie (2018). Dit zijn diverse concepten waarmee we een tijdje herijken, bijsturen, en theologiseren.

Twee spanningsvelden

Naast bovengenoemde criteria voor youth ministry als praktijken van hoop, zijn er ook elementen die hoop onder druk zetten. Ik noem er twee: de vrees in de kerk dat er geen opvolgers zijn en haperingen in de getuigende gemeenschap.

Vrees en wanhoop in kerk

Kinderen en jongeren hebben niet alleen in hun leven hoop (nodig), ze bieden ook hoop, niet in de laatste plaats aan kerkelijke gemeenschappen. Ze bieden hoop aan de kerkelijke gemeenschap dat de kerk doorgaat. Of nog breder: hoop dat God doorgaat op de weg van zijn Koninkrijk. Dit perspectief geven jongeren niet alleen aan ouderen, maar ook aan andere jongeren, zo van ‘deze gemeenschap doet er toe, want andere jongeren vinden dat ook’. Voor jongeren geeft de aanwezigheid van andere jongeren ook hoop.

Investeren door kerken in de jeugd is dus op een dubbele manier investering in hoop: voor jonge mensen zelf en voor de kerkelijke gemeenschappen. Kinderen en jongeren zijn een belofte. Veel kerken die geen jongeren in hun midden hebben, voelen zich onzeker. Pijnlijk is het als hoop omslaat in wanhoop of als de vrees voor achteruitgang de overhand neemt (wanhoop en vrees zijn tegenpolen van hoop). Begrijpelijk dat in veel kerken youth ministry een pijnpunt en achilleshiel is. Iedere kerkelijke gemeenschap gunt kinderen en jongeren – als die al in haar midden zijn – domweg leeftijdsgenoten, of wil graag een gemeente zijn waar meerdere generaties zich thuis voelen.

Er is een risico dat youth ministry in kerken meer gaat over hoop voor kerken, dan over hoop in levens van kinderen en jongeren. Waar wanhoop en vrees de boventoon zijn gaan voeren, is het symbool van de jeugd en de hoop die daarmee gemoeid is, paradoxaal genoeg omgeslagen in zijn keerzijde. Dat werkt verlammend. Aandacht voor jeugd en nieuw leiderschap is onmiskenbaar van groot belang als het gaat om het betrekken van jongeren bij de kerk, zoals ook een onderzoek als Growing Young (Powell et al. 2016) aantoont. Maar waar – alle aandacht voor jeugd ten spijt – het ontbreken van jongeren in de kerk verlammend werkt en wanhopig maakt, kan jongeren geen plek worden geboden. Want daar wordt geen ruimte gegeven aan de ‘zekerheid dat iets zinvol is ongeacht de afloop, of het resultaat’ (Havel). En het is die zekerheid waarin je als kerkelijke gemeenschap mensen – jong en oud – juist hoopvol perspectief wilt geven.

Haperingen in getuigen en voorleven

Het tweede spanningsveld is haperingen in getuigen en voorleven. Spreken over youth ministry is niet alleen spreken over jonge mensen, maar over jonge mensen in hun context, en in relatie tot belangrijke anderen. Iedereen en zeker ook kinderen en jongeren hebben voorbeeldfiguren nodig. Mensen die hen op een goede manier richting geven. Die voordoen en voorleven wat het is om hoop te hebben. Die zich niet zomaar neerleggen bij de status quo.

Spangenberg en Lampert (Motivaction 2009) concluderen dat ouders het moeilijk vinden om waarden over te dragen. De onderhandelingscultuur en gedachte ‘we moeten het vooral leuk hebben’ staat dat in de weg. Een van de oorzaken voor de ontstane verlegenheid die het onderzoek aanwijst, is dat de opvoeders het jong-zijn tot ideaal hebben verheven. Als dat zo is, en als dat de afgelopen tien jaar niet is veranderd, dan kijken we meer terug dan vooruit. Terwijl je voor hoop ook dat laatste nodig hebt.

Waar het jong-zijn tot ideaal wordt verheven, komt, opnieuw paradoxaal, het doorgeven van een hoopvol perspectief onder druk te staan.

Ook in de theorie van Nieman (2014) over volwassen worden, wordt dit element van eeuwige jeugd gethematiseerd. Het staat een volwassen worden in de weg. Zij signaleert een dubbele boodschap. Enerzijds worden we gestimuleerd om ons neer te leggen bij de status quo en te stoppen met dromen. Anderzijds worden we overspoeld met ‘producten en suggesties die ons jong moeten houden’ (172). Nieman, die zich veelvuldig beroept op filosoof Kant, schrijft ‘volwassen worden is in overeenstemming denken met jezelf’ (172, 190).

Waar voor Nieman grote religies met gevestigde leerstellingen dit proces in de weg staan (95-96), benadrukt De Kock (2017) dat volwassen worden als het tegenovergestelde van ‘je onnadenkend overleveren aan verwachtingen van anderen en je neerleggen bij de onvolmaaktheid van de wereld’ (82), uitstekend aansluit bij idealen van kerken. Het sluit aan op het ideaal van je leven léven zoals het is bedoeld, hoewel er wel grote variatie is in hoe kerken dit thematiseren.

Wat leeft de oudere generatie de jongere generatie voor? Een bekende opdracht uit de Bijbel is om te getuigen van de hoop die in je leeft. Jaren geleden sprak Van der Ploeg (1985) treffend over ‘het lege testament’ en drukte daarmee de verlegenheid van opvoeders uit, omdat ze niet weten wat door te geven. Tijden van pluralisering zetten geloofsoverdracht en geloofscommunicatie onder druk. Voor youth ministry als praktijken van hoop is het noodzaak dat jonge mensen volwassenen kennen die voorleven wat het is om je niet neer te leggen bij de status quo, en die leven vanuit de hoop van Gods Koninkrijk.

Een belangrijke christelijke praktijk waarin hoop wordt uitgedrukt is het gebed. In het gebed wordt de status quo bevraagd, bekritiseerd en vanuit ander perspectief bezien. Het is dus van belang dat jongeren leren bidden van hen die het voordoen.

Een laatste opmerking bij dit spanningsveld van getuigen en voorleven is die over samenwerking. Op veel plaatsen is het jeugdwerk de oefenplek van samenwerking tussen kerkelijke gemeenschappen. Samenwerken is vaak een gebied waar youth ministry in voorop loopt. Maar wat is de getuigende boodschap als het kerken verder niet lukt, of heel moeizaam, om samen te werken? Dat levert een kwetsbare bedding op voor hoopvolle youth ministry.

Samenvattend

In youth ministry is nauwkeurige aandacht nodig voor de leef- en belevingswereld in relatie tot hoop. Youth ministry aan jonge mensen in Nederland die aan de ene kant gelukkig zijn, en aan de andere kant kwetsbaar en angstig, vraagt om een rijke theologie, waarin aandacht wordt gegeven aan de groeien bloeimogelijkheden van mensen, en aan hoop te midden van wanhoop.

In veel kerkelijke gemeenschappen is er een groeiende wanhoop omdat zij die symbool staan voor hoop, afwezig zijn. Het lijden aan het ontbreken van levend jeugdwerk, of contact met jonge mensen, maakt dat de aandacht komt te liggen bij het ontbreken van hoop. Dit kan een actief en getuigend geïnvolveerd zijn belemmeren.

Het nadeel van statistieken die een neergang laten zien, is dat je jonge mensen vooral ziet als ontbrekende groep (zie hiervoor ook de bijdrage van Erik Sengers). Terwijl het in absolute aantallen nog steeds kan gaan om een substantiële betrokken groep. De Hart (2014, 62) toont aan dat aan de ene kant het percentage Nederlandse jongeren dat op de kerk betrokken is laag is, maar aan de andere kant het percentage regelmatige kerkgangers toeneemt onder met name protestantse jongere kerkleden (17-30 jaar).

De vraag naar hoopvolle praktijken dient dus niet alleen in het licht van teruglopende percentages van participatie van jongeren te worden besproken, maar ook in het licht van overtuigingen en verwachtingen van jonge mensen die – wellicht meer en meer geconcentreerd op enkele plekken – wel aanwezig zijn.

De titel van dit artikel heeft niet alleen een vraagteken, maar ook een uitroepteken. In en vanuit kerken zijn er contacten met duizenden jonge mensen en wordt er samen opgelopen om te leren leven met een doel voor ogen dat jezelf en je situatie overstijgt.

Dit artikel is de bewerking van een lezing gehouden op 14 september 2018 bij het Symposium ‘Groeispurten en kinderziektes’ van het Onderzoekscentrum voor Jeugd, Kerk en Cultuur.

Literatuur

Boer, M., Stevens, G. et al. (2017). Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland. HBSC-rapport.s

Dasberg, L. (1980). Pedagogie in de schaduw van het jaar 2000. Of hulde aan de hoop. Meppel: Boom.

Fishman, S.M., McCarthy, L. (2007). John Dewey and the Philosophy and Practice of Hope. Urbana and Chicago: University of Illinois Press.

Goodhart, D. (2017). The Road to Somewhere. The Populist Revolt and the Future of Politics. London: Hurst & Co publishers.

Graaf, B. de (2017). Heilige strijd, het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad. Utrecht: Boekencentrum.

Hart, J. de (2014). Geloven binnen en buiten verband. Godsdienstige ontwikkelingen in Nederland. SCP.

Kock, A. de (2014). A typology of catechetical learning environments. International Journal of Practical Theology, 18 (2), 264-286.

Kock, A. de (2017). Volwassen worden in de kerk. Radix 43 (2), 78-84.

Leersum-Bekebrede, L. van, Sonnenberg, P.M., Kock, A. de & Barnard, M. (2019). Deconstructing Ideals of Worship with Children. Studia Liturgica 49 (1), 71-88. DOI: 10.1177/0039320718808945.

Mercer, J.A. (2016). Editorial: Religious Education as a Practice of Hope. Religious Education 112 (3), 195-197, DOI: 10.1080/00344087.2017.1325697.

Powell, K., Mulder, J. Griffin, B. (2016) Growing Young. Six Essential Strategies to Help Young People Discover and Love Your Church. Ada: Baker Publishing Group.

Robins, R. (2016). Hope: A Talmudic Quandry and Remedy. Journal of Pastoral Theology 26 (2), 129-132.

Roebben, B. (2007). Godsdienstpedagogiek van de hoop. Grondlijnen voor religieuze vorming. Leuven/Den Haag: Acco Uitgeverij.

Roebben, B. (2017). Generating Hope: The Future of the Teaching Profession in a Globalized World. Religious Education 112 (3), 199-206, DOI: 10.1080/00344087.2017.1308181.

Root, A. (2007). Revisiting Relational Youth ministry From a Strategy of Influence to a Theology of Incarnation. Downers Grove: Intervarsity Press.

Spangenberg, F.M. Lampert (2009). De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers [Motivaction].

Senter, M.H., Black, W., Clark, C. & Nel, M. (2001). Four Views of Youth ministry and the Church. Grand Rapids: Zondervan.

Ploeg, P. van der (1985). Het lege testament. Een onderzoek onder jonge kerkverlaters. Wever: Franeker.

Wijnen, H. van & Barnard, M. (2017). Being-together as a Basic Given: Finding New Ways in Youth ministry in a Time of Transition. Ecclesial Practices 4 (1), 25-44.

Websites

CBS – Jaarrapport 2017 Landelijke Jeugdmonitor. s (gezien 29 augustus 2018).

CBS – Veiligheidsmonitor 2016. s (gezien 26 augustus 2018).

Winter, M. de (2015). Pedagogiek over hoop. Het onmiskenbare belang van optimisme in opvoeding en onderwijs. https://www.ris.uu.nl/ws/files/33028988/Afscheidscollege_mei_2017_webversie_definitief_30_5_2017.pdf (gezien 22 augustus 2018, nu na te lezen als pdf).

Ghauharali, R. & Dorenbos, R. (2015). Ouderen voelen zich minder onveilig dan jongeren. s (gezien 5 maart 2019).

Jeugdtrends 2018. s (gezien 22 augustus 2018).

Nederland bovenaan in internationale vergelijking kinderwelzijn (2013). (gezien 4 september 2018). Deze link is inmiddels verlopen. De nieuwste informatie van Unicef leest u hier.

Weten hoe gelukkig kinderen in Nederland zijn? s (gezien 4 september 2018).

Ronelle (dr. P.M.) Sonnenberg is universitair docent Praktische Theologie/Youth ministry aan de Protestantse Theologische Universiteit.

< Terug