< Terug

Zal de Mensenzoon dit geloof op aarde vinden?

Bij Lucas 18,1-8

Recht

De gelijkenis in het Lucasevangelie van vandaag, die niet in de andere evangeliën voorkomt, gebruikt sterk oudtestamentisch gekleurd materiaal rond een dubbele pointe: de noodzaak om recht te doen en de oproep om om dit recht te vragen. Dit laatste houdt in: bidden, als vorm van geloof in een rechtvaardige God.

In de gelijkenis presenteert Jezus twee bijna clichématige figuren: een onrechtvaardige rechter (18,6) en een weduwe. Het man-vrouwcontrast en de daarin geïmpliceerde machtsongelijkheid wordt daarbij nog versterkt door het verschil in maatschappelijke positie.

Een onrechtvaardige rechter

De eerste figuur lijkt gemodelleerd naar oudtestamentische voorbeelden van – meestal corrupte – onrechtvaardige rechters, zoals ze in Deuteronomium 16,18-20 verboden en in Micha 7,3 (WV) vermaand worden: ‘Hun handen zijn een boosaardig vangnet; de vorst stelt eisen wil hij zijn plicht doen; om recht te spreken laat de rechter zich betalen; de machthebber zegt wat zijn hebzucht hem ingeeft. Alles wordt verdraaid.’ Dit past bij wat er over hem gezegd wordt, en hij ook over zichzelf zegt, wat hem een heel specifiek karakter geeft: ‘Ik ben wel niet godvrezend en laat me aan geen mens iets gelegen liggen’ (Lucas 18,2.4). Onrechtvaardigheid bestaat er hier blijkbaar uit dat hij zich noch van God, noch van de naaste iets aantrekt. Inderdaad, dan blijft er nog maar eentje over om wie hij geeft: hijzelf. Dat is ook zo, gezien zijn angst, niet zozeer voor het geweld dat de weduwe zou kunnen uitoefenen, als wel voor het gezichtsverlies dat hij zou lijden wanneer hij als vooraanstaande man een klap in het gezicht zou krijgen van een vrouw. Daarmee zou ze ook zijn onrechtvaardigheid en goddeloosheid aan de kaak stellen, want hij doet niet waarvoor hij als rechter is aangesteld: het recht laten gelden.

Een weduwe

Terwijl de rechter zo een zelfzuchtige functionaris belichaamt, staat de weduwe voor een persoon die bescherming nodig heeft. Ook het noemen van haar activeert een reeks van oudtestamentische beelden en opvattingen. De kwetsbaarheid van weduwen en wezen is zo spreekwoordelijk, dat het onthouden van recht aan hen het beeld bij uitstek is voor onrechtvaardig bestuur, zoals in Jesaja 10,1-2: ‘Wee hun die onrechtvaardige wetten uitvaardigen, die de verdrukking wettelijk bekrachtigen, en zo de armen uit hun rechten ontzetten, de geringen van mijn volk onthouden wat hun toekomt, de weduwen plunderen en de wezen uitbuiten.’ Daarbij trekt juist het Lucasevangelie zich het lot van armen aan (vgl. Lucas 6,20: ‘Zalig de armen’).

Tegelijkertijd is er wel iets aan de hand met deze weduwe: ze is buitengewoon volhardend en laat niet af de rechter eraan te herinneren dat hij haar recht dient te verschaffen ten opzichte van haar tegenpartij; zie het Griekse èrcheto, een zogenaamd iteratief imperfectum (= ‘zij kwam telkens’ – Lucas 18,3). Daardoor kan de rechter gaan denken dat ze niet alleen in staat is handtastelijk te worden, maar ook zó dat hij gezichtsverlies moet vrezen. Door haar hardnekkigheid, waarin ze lijkt op andere actieve weduwen zoals Judith, weet ze het maatschappelijke spel handig te spelen en de rechter te dwingen te doen wat zij wil en wat hij eigenlijk moet doen.

Interessant is dat God geen rol speelt in het verhaal. Alle actie komt van de weduwe, terwijl Gods wet wel het kader vormt van haar optreden en de basis voor haar recht. Daarmee herinnert de eerste helft van de gelijkenis aan belangrijke aspecten van de wet en het leven van het volk Israël, die ook het handelen van de weduwe legitimeren.

Blijf altijd bidden in vertrouwen op Gods rechtvaardigheid

De eigenlijke vergelijking komt met de tweede teksthelft, waarin Jezus inzet met een retorische vraag: ‘Hoor wat die onrechtvaardige rechter zegt. Zou God dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen en naar wie Hij welwillend luistert?’ (Lucas 18,6-7). Met op de achtergrond een gedachtengang a minore ad maius (= van minder naar meer) is het antwoord natuurlijk: ‘Ja.’ Daarmee zou de kous af kunnen zijn en zou Jezus als het ware bewezen hebben dat God luistert naar het gebed van zijn uitverkorenen, wat Hij ook bevestigt: ‘Ik verzeker jullie dat Hij hun spoedig recht zal doen’ (Lucas 18,8). De primaire vergelijking zou dan die tussen God en de onrechtvaardige rechter zijn.

De eigenlijke pointe en de uitdaging aan de leerlingen en de 21e-eeuwse hoorders komt aan het einde, en legt in een vergelijking van de gelovigen met de weduwe een nauw verband tussen geloof of godsvertrouwen (18,8) en tot God om hulp roepen (Lucas 18,7). Wie dit hoort, hoort de oproep om zich ten opzichte van God zo op te stellen als de weduwe ten opzichte van de onrechtvaardige rechter: onophoudelijk om hulp roepend. Alleen wie zo tot God bidt, vertrouwt erop dat God rechtvaardig is en recht zal doen.

Ten slotte daagt Jezus alle hoorders van deze gelijkenis uit met een open vraag: ‘Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?’ (Lucas 18,8).

Vrijmoedigheid

Het spirituele en pastorale kapitaal van deze tekst is groot. Alleen al op het niveau van het gebed geeft Jezus de biddende gelovige dezelfde vrijmoedigheid ten opzichte van God als de lastige weduwe die de onrechtvaardige rechter net zo lang belaagde met haar vraag om recht, totdat deze toegaf. Gebed kan zo onbeschroomd zijn. Sterker nog, dit soort gebed is volgens deze gelijkenis de uitdrukking van geloof, eerder dan van twijfel; van vroomheid, eerder dan van godslastering. Ook dit staat op een stevige oudtestamentische bodem: de klacht wordt daar in ieder klaaglied en in iedere psalm, in alle gebeden, volop gelegitimeerd. In situaties van pijn, rouw, eenzaamheid of vertwijfeling kan deze ruimte om tot God te spreken een bevrijding zijn.

< Terug