< Terug

‘Ze komt iedere week nog twee nachtjes thuis.’

Het gezin is de thuisbasis waarin je opgroeit. Het is belangrijk voor je vorming als mens. Maar wat verandert er in een gezin in de loop der tijd? Wat gebeurt er als een kind dat warme nest verlaat? Is terugkomen een optie?

Trudy Peters zag enkele jaren geleden haar oudste zoon (31 jaar) als laatste uit huis vertrekken. Haar jongste kind (25 jaar) was als eerste al voor studie uit huis gegaan. Haar tweede zoon (29 jaar) woonde vijf jaar op Malta voor zijn werk. Toen hij na de coronatijd terugkwam naar Nederland, kon hij direct terecht bij moeders pappot. Trudy en haar man Arno ontvingen hem met open armen.

Uit wat voor gezin kom je zelf?

‘Arno en ik komen uit gezinnen waar altijd gewoon aan tafel gegeten wordt. ’s Morgens staat alles klaar voor het ontbijt, er wordt met elkaar koffiegedronken, geluncht, thee ‘s middags, en ‘s avonds eten met elkaar. De regelmaat is belangrijk.’

Beiden hebben ze hun vader jong verloren, ze komen uit katholieke tuindersgezinnen met dezelfde achtergrond. ‘In onze families staat het motto “vieren wat er te vieren valt” voorop. Verjaardagen, mijlpalen, het liefst buiten de deur in een zaaltje. Familie is bij ons heel erg belangrijk. Dus bij reünies en uitvaarten zijn alle neven en nichten aanwezig.

We hebben een sterke band. Dat voelen onze kinderen.’ Haar oudste zoon ging als laatste de deur uit. Volgens Trudy was het de hoogste tijd. ‘Het was wel mooi geweest. Hij ging in huis al een hele tijd zijn eigen gang, werkte heel hard, maar kwam ook vaak laat thuis. Dan was het zijn eten opwarmen en ’s morgens lag hij nog lang in bed. Op een gegeven moment dacht ik: het wordt tijd dat hij op eigen benen gaat staan.’

Beeld: iStock.com/monkeybusinessimages

Was dat geen leeg gevoel, de laatste uit huis?

‘Nee eigenlijk niet. Ik zorg wel graag, maar wij tweetjes hebben het ook gezellig samen. Het is zelfs lekker rustig zo. Ik kan nog steeds voor mijn man zorgen en op mijn werk zorg ik ook.’ Toch vindt ze het heel erg fijn als de kinderen weer thuis zijn. ‘Het is prima dat ze de deur uitgingen, maar ik zou het niet erg vinden als ze hier iedere dag zouden komen eten of om de beurt slapen.’

Wat veranderde er toen je tweede zoon terug in huis kwam?

‘Het ging eigenlijk heel makkelijk. Hij lijkt op zijn vader in doen en laten. Ze zijn allebei super rustig en reageren hetzelfde. Ik had gewoon twee Arno’s in huis. Al in de auto vanaf Schiphol leek het alsof hij nooit was weggeweest. Hij woont inmiddels in de buurt.’ Trudy leeft erg mee met haar kinderen. ‘We hebben een gezinsappgroep en daar zit ik met twee van onze kinderen bijna dagelijks op. De oudste woont samen, zijn vriendin zorgt voor hem. Dus denk ik: die redt het wel. De andere twee zijn alleen en daar ligt mijn zorg. Dan houd ik veel contact.

Voor mijn dochter heb ik tot nu toe de was gedaan. Ze is net verhuisd en heeft nu een wasmachine, daardoor zal ze ook iets minder hier zijn. Nu komt ze nog iedere week één of twee nachtjes thuis. Ze kan hier lekker rustig thuiswerken. Ze krijgt een koppie thee, sinaasappelsap, te eten… Dat is makkelijk en geeft minder afleiding.’

Wat heb je ze willen meegeven?

‘Aandacht, interesse in elkaar, eerlijk zijn. En dat ze bij ons terechtkunnen als ze hulp of advies nodig hebben. Ik weet zeker dat ze dat alle drie doen. Ze komen uit een warm nest.

We hebben het hartstikke goed samen, kunnen op vakantie, uit eten en hen geven wat ze nodig hebben. De basis is goed: veiligheid, geborgenheid, aandacht en liefde.’ Wel denkt Trudy soms dat ze veel gemakkelijk kregen: rijbewijs, studie, extra maandgeld, verzekering. ‘Ze zijn wel verwend in dat opzicht. Maar ze hebben ook altijd baantjes gehad: in de tuin, de winkel, pizza’s rondbrengen, oppassen, bijlessen geven. We betaalden nooit aan hun uitgaansleven en extra vakanties.’

Het is vanzelfsprekend dat Trudy’s kinderen bij haar in en uit lopen en toch een eigen leven leiden. ‘Ik wil graag moederen, stop ze vol met sinaasappelsap, fruit en verse groente. Als ze komen eten, vraag ik wat ze lekker vinden. Van twee weet ik: aardappels en groente, omdat ze dat zelf nooit maken. Veel spullen staan nog thuis en ze hebben nog hun eigen kamer. Ze hebben alle drie de sleutel, kunnen er altijd in. Ook als wij er niet zijn.’

Walther Burgering is pastor-diaken in de parochiefederatie ‘Sint Franciscus tussen duin en tuin’ en redactielid van Open Deur.

< Terug