< Terug

‘Zie hier, mijn dienstknecht’

1e zondag van Epifanie (Jesaja 42:1-7(9) en Matteüs 3:13-17)

In het dagblad Trouw van 19 april 2019 schreef Peter-Arno Coppen in de rubriek ‘Taal’ dat het steeds moeilijker vol te houden is dat elke taaluiting één vaste betekenis heeft. Zo verbaas ik mij steeds erover dat de evangelisten in weinig woorden zo veel betekenis kunnen leggen. Wat op het eerste gezicht de weergave van een gebeurtenis is, zoals de doop van Jezus, blijkt bij close reading zo veel meer in te houden: herinnering, opdracht, belofte. En verbazingwekkend hoe woorden, zoals die van een profeet, een nieuwe betekenis kunnen krijgen.

In 587 wordt Jeruzalem veroverd door Nebukadnessar. De elite wordt in ballingschap weggevoerd naar Babel. Het gewone volk blijft achter onder collaborateur Gedalja. In 538 verslaat Cyrus, koning van de Perzen, Babel en hij staat de ballingen toe terug naar hun land te gaan.

Een koning als dienstknecht

De schrijver van deze hoofdstukken – naam onbekend en daarom Tweede Jesaja genoemd – ziet Cyrus als uitvoerder van Gods wil en noemt hem zelfs ‘gezalfde (messias) van de Eeuwige’ (Jesaja 45:1), zijn dienstknecht. Door Cyrus kan er voor Israël iets nieuws gaan beginnen: een nieuwe uittocht uit het slavenhuis van Babel, terug naar Jeruzalem, terug naar ‘vrouwe Sion’. Vertroosting na ballingschap. Vandaar de aanduiding ‘boek van vertroosting’ vanaf Jesaja 40. Maar ook bezinning op wat er in het verleden is misgegaan. In Jesaja 42:1-7(9) wordt voor het eerst de dienstknecht voorgesteld op gezag van de Eeuwige, wiens ‘adem’ (Hebr.: ruach, twee keer in Jesaja 42:5), alles en iedereen te leven geeft, zoals bij de schepping. Cyrus is ‘uitverkoren’ (Jesaja 42:1) vanwege zijn levenshouding: bescheiden en rechtvaardig. Hij is het waard om ‘zoon van de Eeuwige’ te worden genoemd, want ‘gevormd’ tot het doen van het juiste (Jesaja 42:6), en daardoor tot het brengen van heil. Dat zal niet alleen nu gebeuren, ook in de toekomst zullen er zulke nieuwe dingen te verwachten zijn (Jesaja 42:9). Eeuwen later begint dat nieuwe daar, bij de Jordaan, waar Johannes voorbereidend werk doet door mensen op te roepen tot een leefwijze die beantwoordt aan wat de Eeuwige van mensen vraagt: een persoonlijke exodus uit een dubieuze leefwijze met het voornemen onrecht achterwege te laten en het goede te doen. Het rechte pad te bewandelen naar een samenleving waar onrecht wordt bestreden en het juiste wordt gedaan. Het ideale Godsvolk.

Een dienstknecht als koning

En dan komt Jezus naar Galilea. Nu pas horen wij voor het eerst van Jezus als volwassene. Er zit bij Matteüs een groot hiaat tussen de geboorteverhalen en dit eerste optreden van Jezus. Maar in de tijd dat Matteüs zijn evangelie schreef, was al voldoende over Jezus bekend en werd Hij al als de Messias gezien. Ook was de doop al aanvaard, zoals blijkt uit brieven van Paulus. Jezus stemt volledig in met de oproep van Johannes om de rechte wegen te gaan die leiden naar de Eeuwige: ‘maakt zijn paden recht’ (Gr.: eutheias poieite tas tribous autou – Matteüs 3:3). Om blokkades op die wegen weg te nemen, zodat zonden verdwijnen. Het feit dat Jezus naar Johannes toe gaat, betekent dat Hij zich identificeert met Johannes’ oproep. Dat blijkt ook uit Jezus’ reactie. Het zijn zijn eerste woorden, samen met de doop het begin van die weg van ‘totale, radicale gerechtigheid’ (Gr.: pasa dikaiosunè – Matteüs 3:15), door de woestijn van het leven. Niet meer alleen voor een bepaalde groep, maar een exodus voor iedereen, want voor Jezus is iedereen geroepen zich te laten wegleiden uit een slavenhuis waar egoïsme, macht en rijkdom de scepter zwaaien (Matteüs 4:1-11).

Gods Geest als een duif

Hoe belangrijk Jezus’ bereidheid is om de eerste stap te zetten op die weg, blijkt uit het woordgebruik van Matteüs in de reactie op Jezus’ doop. Het woordje euthus (Matteüs 3:16), meestal vertaald met ‘meteen’ (niet vertaald in de Nieuwe Bijbelvertaling), geeft enerzijds aan dat Jezus meteen aan die weg begint en erop zal voorgaan. Maar het heeft ook een verband met het eutheias van Matteüs 3:3, met dezelfde woordstam. Voor Marcus-kenner Karel Hanhart [1] betekent euthus een signaal voor de lezer: let op, wat nu volgt is ‘goede boodschap’. Een piketpaaltje dat het wezenlijke in de evangeliën markeert. Het belang van wat er gebeurt wordt bevestigd door de formulering van Matteüs 316-17. Twee keer wordt nadrukkelijk onze aandacht gevraagd met idou: ‘Kíjk’, en wat je dan ziet en hoort geeft Matteüs weer met citaten die hij leent van Jesaja. Die hebben nu niets meer te maken met wereldse machthebbers, maar met een man uit Nazaret, die als een nieuwe Mozes door het water, als poel van chaos en ellende, de weg opent naar een rechtvaardige en liefdevolle gemeenschap waaraan iedereen deel kan hebben. Een exodus die openligt voor iedereen om zonen en dochters te worden van de Eeuwige, als volgelingen van Jezus, de geliefde dienaar, die het voortouw neemt.

Tja… en hoe verwoord je dit geloof? Matteüs doet het met beelden, zoals de stem uit de hemel die herinnert aan wat eerder werd voorzegd, en zoals de duif, liefdesboodschapper en zichtbare bevestiging van Jezus als beminde Zoon. De joodse traditie associeert de duif met de ruach ’elohim: met de adem van de Eeuwige over de schepping (Genesis 1:2). De duif is daardoor ook symbool van wijsheid, als ‘vrouwe Sofia’ vanaf het eerste begin van de schepping bij de Eeuwige (Spreuken 8:22). De vraag die hier al impliciet aan ons gesteld wordt, is of wij bereid zijn die weg mee te gaan. Met Jezus mee te trekken de woestijn in, en aan verleidingen die ons op een dwaalspoor brengen, weerstand te bieden.

Deze exegese is opgesteld door José Vos.

Voetnoot

[1] Zie K. Hanhart, De tragedie voorbij. Het subversieve evangelie van Marcus na de verwoesting van Jeruzalem, Middelburg (Skandalon) 2013.

< Terug