< Terug

Zielenroerselen

Met je ziel onder je arm lopen. Zieltjes winnen. Twee zielen, één gedachte. Een zielsverwant vinden. Op je ziel getrapt worden. Ergens je hele ziel en zaligheid in leggen. Het wemelt van de uitdrukkingen waarin de ziel verschijnt. We vroegen drie mensen naar hun ervaringen met zo’n uitdrukking.

1 Ziel en zaligheid

‘Dat doet ze echt met haar hele ziel en zaligheid.’ Het is een wat ouderwetse uitdrukking, maar hij wordt nog steeds gebruikt, omdat het nog steeds gebeurt: tegen de stroom van snel, veel en groot in, zijn er mensen die dingen doen met aandacht, met heel hun hebben en houden, met ziel en zaligheid. Wat een aardige combinatie eigenlijk: ‘ziel’ en ‘zaligheid’. De zaligheid tilt het uit boven het hier en nu, het belooft méér. ‘Zaligheid’ is afgeleid van het Griekse makarios en betekent ‘dat je gelukkig te prijzen bent’. Iets doen met ziel en zaligheid zou iets teweeg moeten brengen van geluk. De ziel is op zo’n manier betrokken, dat wat je doet, geluk brengt. Misschien zelfs niet alleen bij jezelf.

Ik herken precies die manier van doen op mijn werk, in een verpleeghuis voor mensen met dementie. Overigens niet alleen bij collega’s, maar ook bij bewoners. Juist wanneer door dementie het verstand vervaagt, herinneringen oplossen en emoties overspoelen, komt de ziel tevoorschijn. Als een vlammetje dat duidelijker zichtbaar wordt nu de lampen dimmen. De ziel is intens betrokken bij alles wat er nog steeds is; ze blijft, terwijl al het andere vervaagt. In de donkerte van ver gevorderde dementie blijft de ziel schijnen als een licht op de vuurtoren om te verwijzen naar waar leven is.

Gek eigenlijk, misschien is dat juist waarom ik me zo fijn voel bij onze bewoners: omdat de ziel zo bloot komt te liggen; als een uitnodiging om er contact mee te maken, maar ook om dat te volgen en zelf mijn ziel bloot te leggen. Hoe vaak wordt bij ons niet een tegenovergestelde reactie opgeroepen: van opblazen, showen of juist verhullen.

Gelukkig ben je als je op die zielslaag met elkaar contact kunt krijgen. Dat gun je zelfs je ergste vijand.

MADELEINE KIEVITS IS GEESTELIJK VERZORGER BIJ VIVENT.

2 Op mijn ziel getrapt

Al dagen verheugde ik me erop: er kwam een oudtante op bezoek. Zo een met bontjas en een Indische tongval. Zij bracht doorgaans exotisch smakende ‘laagjescake’ mee, als een karrenwiel zo groot, en haar totale verschijning sprak zeer tot mijn verbeelding.

Ik was een jaar of zes en mijn moeder vroeg me een tekening voor haar tante te maken, terwijl ik liever had willen laten zien dat ik al heel goed kon schrijven. Mijn smeekbedes mochten niet baten, mijn moeder vroeg me te tekenen. Ik ging aan de slag en legde mijn hele ziel en zaligheid in een kleurige tekening die al die andere tekeningen die ik ooit had gemaakt zou laten verbleken. Ik was immers al groot.

De tekening was klaar. Ik bood hem de tante aan, die maar niet stopte met praten tegen mijn moeder. Ze keek niet eens – noch naar mij, noch naar de tekening. Ik ging naast haar staan en probeerde haar aandacht te vangen. Vergeefs. Ze praatte maar door en in het vuur van haar verhaal verfrommelde ze mijn kunstwerk! Zonder ook maar één keer te kijken! Ik draaide me om en keek naar mijn moeder. Zij zou me toch wel bijstaan? Mijn moeder schonk gewoon thee in, sneed dunne plakjes van die goddelijke cake en bleef gefocust op haar tante.

Ik liep weg, pakte een papiertje en begon te schrijven. Dat gooide ik voor mijn tante op tafel en riep ‘Hé!’ Toen had ik haar aandacht. Ze las het briefje en begon te lachen. Ze liet het mijn moeder lezen en die lachte zo mogelijk nog harder. Ik kreeg wat ik opschreef: mijn tekening terug. Maar mijn ziel was aan flarden. Want die tekening… die maakte ik natuurlijk voor jou, mama. Omdat jij het wilde.

3 Zielsverwant

Toen mijn man en ik twaalf en een half jaar getrouwd waren gaven we een groot feest, en we nodigden de oude toneelspeler Henk van Ulsen uit om gedichten van Ida Gerhardt voor te lezen. Het was direct raak. ‘Waar is ze?’ vroeg Henk toen hij het feestzaaltje binnenliep. We hadden immers ter voorbereiding van het feestgedruis alleen lange telefoongesprekken gevoerd maar elkaar nog nooit gezien. Er was een wonderlijke chemie tussen ons, maar omdat Henk een grote schare bewonderaars had en ik geen zin had in die rol, was ik aanvankelijk terughoudend.

De weken en maanden na het feest bleef Henk bellen en na verloop van tijd belde hij elke dag. Het liefste om kwart over negen in de ochtend, want hij was net als ik een ochtendmens. Meestal werd ik getrakteerd op een gedicht – van Gerhardt, Vroman of Vasalis, net waar hij mee bezig was. De teksten waren soms zo prachtig dat ik hem verleidde ze naar me op te sturen. En als het gedicht dan door de brievenbus gleed, was het vaak een mooi gedicht, maar toch niet zo betoverend als de eerste keer dat ik het uit zijn mond gehoord had. Dat was zijn grote talent: dat hij teksten zo magisch tot leven kon brengen. Wat bracht hij een rijkdom mee: elke dag poëzie! Wat genoten we beiden van die dagelijkse ontmoetingen.

In de periode dat ik justitiepredikant was, ging Henk vaak mee naar de gevangenis, waar hij voor de mannen gedichten las. Wat hebben we op die expedities verschrikkelijk gelachen samen. Want ook dat hoorde bij onze zielsverwantschap: dat we samen konden schateren.

De dag waarop hij stierf, had ik hem nog aan de telefoon. Nog even het leven doornemen, nog even samen lachen. Allebei volkomen onvoorbereid op het afscheid dat die dag onverwacht zou komen. Wat mis ik hem, mijn oude zielsverwant…

< Terug